vanrooden@xs4all.nl

 

 

Home

Publications

 

Godsdienst en secularisatie in Amsterdam

Peter van Rooden

Valls s szekularizci Amszterdamban, Budapesti Negyed 2007, 194-215

Bij de voorbereiding van deze lezing heb ik, zoals iedere wetenschapper tegenwoordig wel doet, ook van Google gebruik gemaakt. Dat viel tegen. De zoekopdracht secularisatie Amsterdam leverde vier hits op. Dat is voor Google erg weinig. Bovendien bleken alle vier de resultaten aankondigingen te zijn van de lezing die ik nu moet houden. Daar had ik dus niet veel aan. Maar zoals altijd, gaf Google de huidige stand van kennis goed weer. Over secularisatie in Amsterdam na 1945 is vrijwel niets geschreven. Waarom eigenlijk niet?

Daar zijn, denk ik, twee belangrijke redenen voor. Kerkelijk betrokken mensen hebben de neiging zich te richten op wat er allemaal op godsdienstig terrein nog gebeurt, wat er allemaal nog over is. Een aardig voorbeeld is de recente bundel van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis over de 19e en 20e eeuwse geschiedenis van het christendom in Amsterdam. Het boek draagt de flauwe titel En God bleef toch in Mokum.

De tweede, veel belangrijker reden, lijkt mij de impliciete, breed gedeelde overtuiging dat over secularisatie in Amsterdam helemaal niets te schrijven valt, omdat er hier niets te verklaren of te onderzoeken is. Natuurlijk zijn de kerken uit Amsterdam verdwenen. Duuh, zoals mijn dochters plegen te zeggen als ik iets probeer uit te leggen wat ze denken al te weten. Het is een grote stad, een centrum van moderniteit. Godsdienst is iets van vroeger, iets van het platteland, of van nog verder weg, iets van andere culturen en landen waar mensen nog in het verleden wonen, en die dus nog niet zover zijn. Richter Roegholt noemt in zijn tweedelige standaardgeschiedenis van Amsterdam in de twintigste eeuw nergens godsdienst, en ik betwijfel of iemand zich daar ooit aan gestoord heeft.

Dat lijkt me niet juist. Wat ik hier vanavond aannemelijk wil maken, is dat de lotgevallen van geloof en ongeloof de afgelopen anderhalve eeuw in Amsterdam gelijk op zijn gegaan, en dat het fundamenteel verkeerd is een tegenstelling te creren tussen godsdienst en de moderne wereld, zoals die bovenal vorm krijgt in de grote stad. Ik vind dat belangrijk, niet alleen als historicus ik wil gewoon weten wat er werkelijk gebeurd is maar ook als burger. Het huidige debat over immigranten, de belangrijkste politieke kwestie waar Nederland voor staat, wordt vergaand beheerst door opvattingen over de islam als een godsdienst die niet modern is. Dat lijkt mij een volstrekt verkeerde manier om over dat probleem na te denken of het te benaderen.

Geloof en ongeloof in Amsterdam, 1870-1960.

Laten we beginnen met cijfers. Van 1796 tot 1970 zijn zo om de tien jaar volkstellingen gehouden, waarin ook naar godsdienst gevraagd werd. Tot 1879 zijn de uitkomsten wat betreft religie in Amsterdam zeer stabiel. De helft van de Amsterdamse bevolking is hervormd, iets meer dan een vijfde is katholiek. Alleen de Lutheranen zakken in deze eerste tachtig jaren van de negentiende eeuw van een zesde naar een negende van de bevolking. Onkerkelijken duiken voor het eerst op in 1879: een half procent. Dan gaat het snel. In 1899 zegt zes procent van de Amsterdamse bevolking onkerkelijk te zijn, in 1909 twaalf, in 1920 eenentwintig, in 1930 vijfendertig, in 1947 vijfenveertig. Dan vlakt de stijging sterk af: in 1960 is het achtenveertig procent. Die opkomst van de onkerkelijkheid ging vrijwel geheel ten koste van de hervormden en de lutheranen, die van 1879 tot 1960 hun aandeel in de bevolking zagen dalen van de helft tot een zesde, en van elf tot twee procent.[1] In al deze jaren van stijgende onkerkelijkheid slaagden de gereformeerden en de katholieken er in hun aandeel in de bevolking op peil te houden, op respectievelijk zon vier en twee- tot drientwintig procent. Beiden groepen stegen zelfs licht. Bedenk dat deze stabiele percentages in feite op een gigantische groei berusten, omdat de bevolking van Amsterdam in de jaren tussen 1870 en 1950 verdrievoudigde. Dit betekent ook dat de hervormden, in absolute aantallen, in 1950 grofweg nog even groot waren als in 1870, al was hun aandeel gedaald van de helft tot een zesde.

De hervormde kerk was de oude publieke kerk van de Republiek, de kerk die door de overheid gesteund en bevoordeeld was, in het openbare leven het meest nadrukkelijk aanwezig, met de politieke elite het nauwst verbonden. Het was een rijke kerk, die ook in de negentiende eeuw nog door de staat ondersteund werd. Er waren geldproblemen, maar die waren klein en relatief eenvoudig op te lossen.[2] Ik kan het niet bewijzen, maar ik heb het sterke vermoeden dat de hervormde kerk, niet alleen in Amsterdam, maar in heel Nederland, de afgelopen twee eeuwen  altijd net voldoende activiteiten ontplooid heeft om het kerkelijk apparaat dat ze van de Republiek gerfd had, zon 1500 predikanten, in stand te houden.

De katholieken en gereformeerden daarentegen kwamen vrijwel uit het niets, en moesten alles zelf doen. En ze deden dat ook: de Amsterdamse katholieken stichtten tussen 1870 en 1954 tweendertig nieuwe parochies, en wisten daarbij de bevolkingsgroei meer dan bij te houden. Van 1859 tot 1899 steeg het gemiddeld aantal parochianen, van 4700 tot 8000, maar toen zette een gestage daling in, tot onder de 6000 in de jaren 1950. Dat was weliswaar meer dan tweemaal zo veel als de gemiddelde Nederlandse parochie, maar het is vergeleken met grote steden in katholieke landen, waar de kerk door de overheid gesteund werd, een verbluffende ontwikkeling.[3] In Brussel steeg het gemiddelde aantal parochianen tot zon 15.000. In Wenen deed de katholieke kerk het beter, maar ook daar slaagde ze er bij lange na niet in de bevolkingsgroei bij te houden. Het gemiddeld aantal leden van een parochie steeg tot ruim boven de 10.000.

Voor de gereformeerden,  de zich orthodox noemende protestanten die in de negentiende eeuw uit de hervormde kerk wegliepen, in twee grote golven, na de afscheiding van 1834 en met de doleantie van Abraham Kuyper in 1888, gold hetzelfde. Ook zij bouwden kerken, stelden predikanten aan en hielden gelijke tred met de bevolkingsgroei van Amsterdam.

Dat gebeurde allemaal met levend geld. De gelovigen brachten deze bedragen zelf op. Hoe dat precies gebeurde, op wat voor manieren er op gewone en rijke katholieken en gereformeerden geleund werd om die bijdragen af te staan, weten we helaas niet goed. De gereformeerde  kerk had in de jaren dertig een aparte organisatie, waarvan zon 120 man lid waren, n voor ongeveer elke honderd lidmaten, zeg vijftig families. Iedere wijk was ingedeeld naar blokken, en elk lid was verantwoordelijk voor een blok Zij hielden per gezin de toegezegde jaarlijkse bijdragen bij en haalden die op, soms per kwartaal, vaker per maand, en bij sommige gemeenteleden wekelijks, met dubbeltjes en kwartjes tegelijk.[4] In ieder geval berustte het op een gigantische organisatorische inspanning. Bedenk dat de mensen die hier om geld gevraagd werden zeer mobiel waren. Niet alleen berustte de groei van de bevolking van Amsterdam voor een groot deel op immigratie, ook binnen de stad waren de mensen weinig honkvast. Voor de oorlog verhuisde de hele bevolking van Amsterdam gemiddeld elke drie jaar.[5]

Waar het mij hier vooral om gaat, is niet de voor de hand liggende interpretatie om die offervaardigheid als een teken van grote betrokkenheid te zien. Eerder het omgekeerde. Offers bevorderen de betrokkenheid. Het is een simpel psychologisch mechanisme. Psychotherapie helpt beter, als mensen er voor moeten betalen. Colleges waar studenten hard voor moeten werken, worden beter gevalueerd, niet zozeer omdat het betere colleges zijn, maar omdat het moeilijk te erkennen is, dat iets wat veel inspanning gekost heeft, niet ook iets heel moois zou zijn.

Abraham Kuyper begreep dat mechanisme heel goed. Hij wilde de hervormde kerk vernietigen, omdat hij in haar de grootste belemmering zag voor het vrijmaken van de maatschappelijke krachten die godsdienst in het tijdperk van de democratie relevant  zouden kunnen maken. Toen Kuyper rond 1870 hervormd predikant in Amsterdam was, bezochten slechts zon zes- tot achtduizend mensen de hervormde kerkdiensten (vijf procent, n op de twintig, van een gemeente met 130.000 leden.).[6] Er waren vierduizend avondmaalsgangers per jaar, op dertigduizend lidmaten. Toen al berekende Kuyper wat de hervormde gemeente van Amsterdam op zou kunnen brengen, als ze zo offervaardig zou zijn als de kerken van de afscheiding: driehonderd predikanten, in plaats van zevenentwintig, tweehonderdvijftig nieuwe kerkelijke gebouwen, in plaats van de grote middeleeuwse bakken, tweenzeventig scholen.[7] Kuyper zag haarscherp, dat de Hervormde Kerk vooral de kerk van het traditionele establishment was, en meest [steunde] op de notabele familin die belangstelling in het kerkelijk leven toonden, en zoo de kleine burgerij als de lagere volksklasse (...) , als onmondig en onbekwaam tot meespreken, terug [drong].

Die kerk, met zijn traditionele macht, die op patronagenetwerken en armenzorg berustte de christelijke diaconien bedeelden in die jaren nog zon 41.000 armen, vijfenzeventig procent van het totaal moest volgens Kuyper verdwijnen, omdat zij het ontstaan van nieuw leven belemmerde. Dat was volgens hem de les van die eerdere  afscheiding. Die had het

[moeten]  aanzien, dat de machtige organisatie der oude kerk, dank zij haar schatten, dank zij den steun van de Staat, dankzij de voorliefde der toongevende klasse, zelfs met een minimum van geloof en belijdenisgave boven haar den voorrang houdt en haar ten leste het levensbloed uitzuigt. Die les der geschiedenis mag niet ter zij gezet. Ze getuigt allerminst tegen de vrije kerk, maar leert slechts, dat de vrije kerk op onze erve niet verrijzen kan, tenzij aan haar geboorte-uur het klokgelui vooraf ga, dat ons het sterven der massale kerk aankondigt.[8]

In 1888 ondernam Kuyper zijn poging de hervormde kerk te begraven. Dat mislukte, maar ik heb hem hier zo uitgebreid geciteerd omdat hij een heel zuiver inzicht had in het moderne karakter van zijn eigen beweging,  en in dat van de zich ontplooiende katholieke kerk. Beide groepen waren geen resten uit het verleden, maar nieuwe bewegingen die zich keerden tegen de traditionele kerk, en die steunden op het gewone volk tegen de traditionele elite. Hun onmiskenbaar intern zeer autoritaire karakter, en hun uitgesproken anti-modernistische ideologie zijn met dit moderne karakter niet in tegenspraak: ze waren er juist onderdeel van. Om mensen te mobiliseren en vast te houden waren extreme ideologische posities en een krachtige interne organisatie noodzakelijk. En zelfs hun godsdienst was modern, en ik zou dus ook liever niet van een religieuze opleving spreken. Katholieken en gereformeerden  schiepen iets, wat er niet eerder geweest was: godsdienst die bovenal in mensen aanwezig was. Binnen de negentiende-eeuwse hervormde kerk, waarvan Kuyper in 1870 predikant was, was godsdienst niet aanwezig in mensen, maar in een burgerlijk-nationale cultuur, die uitgedragen werd in een nationale publieke sfeer. Vandaar dat dat lage aantal kerkgangers in 1870 voor de hervormde kerk geen punt van zorg was.

Maar hoe zat dat dan met die onkerkelijken, die vanaf 1879 zo snel in aantal toenemen? Daar gold precies hetzelfde voor. Ook onkerkelijkheid was vergaand een uitdrukking van een collectieve identiteit, van een nieuwe groep die zich, net als de katholieken en gereformeerden,  tegen  de traditionele elite keerde: het socialisme.  Kruijt, in zijn dissertatie van 1930, De onkerkeljikheid in Nederland,  met al zijn falen het beste godsdienstsociologische werk dat in Nederland verschenen is, heeft dat duidelijk laten zien. De spreiding van de onkerkelijkheid in Nederland is niet te verklaren door een simpele tegenstelling tussen stad en platteland, of tussen modernisering en traditie, maar bovenal door politieke mobilisaties.

In 1920 was Amsterdam bepaald niet de meest onkerkelijke plek van Nederland. Op de lijst van meest onkerkelijke gemeenten stond de stad op de zestiende plaats. Kruijt heeft, gebaseerd  op een rapport van de gemeentelijke statistiek van Amsterdam, de cijfers van de volkstelling van 1920 uitgewerkt per buurt en kwartier, en ze vervolgens vergeleken met welstand en kiesgedrag. De uitkomst was heel simpel: een zeer nauwe band tussen armoede, onkerkelijkheid en stemgedrag. De armste kwartieren, de Oostelijke Eilanden, de Spaarndammer- en Staatsliedenbuurt, de Jordaan en de Westelijke Eilanden waren wat betreft onkerkelijkheid nummer 1, 2 4 en 6, en ook binnen de kwartieren zet dit patroon zich voort. Dat was, zoals Kruijt goed wist, een zeer recente ontwikkeling rond 1900 gold de Jordaan nog als een van de meest kerkelijke buurten van Amsterdam. Op dit patroon was n grote uitzondering: de joden, waaronder de onkerkelijkheid, ook onder de armen,  zeer gering was. Die uitzondering gold ook wat betreft de correlatie met de politiek. De Jodenbuurt was het bolwerk van de sociaal-democratie, waar ze in 1921, bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen waar vrouwen aan deel mochten nemen, al bijna 53% van de stemmen haalde. Het was tevens de minst onkerkelijke wijk van Amsterdam. Maar Kruijt zag duidelijk, al zijn de termen die hij gebruikt wat ongelukkig, dat het hier een uitzondering betrof. De directe religieuze betrokkenheid was ook in de jodenbuurt zeer gering, en bleef doorgaans beperkt tot besnijdenis, kerkelijke begrafenis en kerkelijk huwelijk. Maar de religieus/ethnische identificatie was zeer sterk.[9]

Het socialisme vormde duidelijk ook een kerk, in de Durkheimiaanse zin van een morele gemeenschap met eigen waarden, rituelen, en verboden. In Het Volk, van 2 mei 1924, staat een aardige beschrijving van de 1 mei viering van dat jaar.

Even voor acht. Een fluitsignaal klinkt, direct gevolgd door muziek van mandolinen, gitaaren, violen en fluiten en gezang, Met de prachtige vlaggen en muziek voorop marcheert de AJC, onze jongens en meisjes, van achter uit de zaal naar het podium. Trotsch klonk het jeugdlied door de zaal: Wij zijn de jonge garde van het proletariaat. Alle feestgangers stonden op, en toen de kleurige groep jongens en meisjes op het podium had plaatsgenomen hun vlaggen groetend de zaal ingebogen namen allen de door hen ingezette Internationale enthousiast over.[10]

Herinneringen van oud-leden van de AJC maken duidelijk hoeveel dingen bij deze ideologische kern van het socialisme niet mochten, en hoeveel moest. Geen make-up voor meisjes. En ook geen te wuft ondergoed. Eigenlijk geen bioscoopbezoek. Duidelijke kledingcode. Niet roken of drinken. Zingen voor de gemeenschappelijke maaltijd (maar niet De Internationale). Gestileerde groet: de rechterarm met kracht naar boven brengen met gebalde vuist en met niet minder kracht het woord heil uitroepen.[11]

De socialisten organiseerden grote collectieve rituelen. In 1929 trok de 1 mei viering van de SDAP in het Olympisch stadion 30.000 bezoekers. Hun grote concurrent, de communisten, bleven daar niet bij achter. Op hun hoogtepunt, in 1947, sprak De Groot van de CPN in dat zelfde Olympisch Stadion tot 35.000 mensen, terwijl in het hele land 120.000 mensen deelnamen aan door de CPN georganiseerde 1 mei vieringen. Het belangrijkste collectieve ritueel van de katholieken, waarmee ze hun zichtbaarheid en aanwezigheid toonden, was natuurlijk de Stille Omgang, de pseudo-processie ter herdenking van het Mirakel van Amsterdam. Bij het Zesde Eeuwfeest van dat sacramentswonder kwamen, in juni 1946, alweer in het Olympisch Stadion, 53.000 katholieken samen. s Middags werd in aanwezigheid van alle Nederlandse bisschoppen een Liturgisch Praelidium gevierd, een groot schouwspel waaraan zesduizend katholieke Amsterdamse jongens en meisjes deelnamen. Zij beelden historische scenes uit zes eeuwen mirakelhistorie uit. Het geheel werd afgesloten door een lof en een sacramentsprocessie bestaande uit vierhonderd bruidjes, zangers, misdienaars, acolyten, religieuzen, abten en bisschoppen. Tenslotte gaf aartsbisschop De Jong de aanwezigen de zegen.

De Stille Omgang zelf, de processie in maart, groeide in de twintigste eeuw uit tot de belangrijkste publieke presentatie van het Nederlandse katholicisme. Ontstaan aan het eind van de negentiende eeuw waren er in 1895 1000 deelnemers. Rond 1920 was dat al gestegen tot 20.000, in de jaren dertig tot 60.000. Toen al werden 45 extra treinen ingezet om katholieken uit het hele land aan te voeren, en de processie moest plaats vinden in verschillende nachten, de hele nacht door. In 1957 werd het hoogtepunt bereikt - waarschijnlijk 90.000 (mannelijke) deelnemers. Daarvan was ongeveer een derde uit Amsterdam afkomstig. Daar was het duidelijk een familietraditie, die van vader op zoon werd doorgegeven, terwijl de deelnemers van buiten doorgaans per parochie kwamen.[12]

Wat we dus zien in Amsterdam in de jaren 1860-1960 is het opsplitsen van de bevolking tussen verschillende morele gemeenschappen, die allemaal een duidelijke kern hebben, en een eigen identiteit die wordt afgezet tegen die van anderen. Rondom al die groepen bevindt zich een rand van meer of minder betrokkenen, die niet of nog niet naar binnen zijn gezogen. In het geval van de katholieken wordt die randgroep meestal als de manifestatie van een beginnende secularisatie genterpreteerd, maar dat lijkt me onjuist. De katholieken maakten zich in de jaren dertig zorgen over het grote aantal non-paschanten, dat wil zeggen de mensen die wel katholiek waren, maar die niet aan de minimale kerkelijke verplichting voldeden om jaarlijks eenmaal aan de mis deel te nemen, met Pasen. Het betrof ongeveer een derde van het totaal aantal katholieken. Maar tegelijkertijd steeg  in dezelfde periode de betrokkenheid van de mensen die wel aan hun paasplicht voldeden enorm. In de jaren twintig was het aantal communies per paschant per jaar al gestegen  tot 33 wat in feite een wekelijkse praktijk betekent.[13] Rond 1880 was er geen  katholieke parochie in Nederland te vinden geweest waar een wekelijkse communie gebruikelijk of de norm was. De eisen waren opgeschroefd, en een deel van de katholieken ging daar niet in mee. Dit als afval, of beginnende secularisatie beschrijven lijkt me het punt te missen. Een vergelijkbaar mechanisme kwam voor bij de socialisten. Het aantal stemmers op linkse partijen, de SDAP en de CPN, lag in Amsterdam altijd hoger dan het aantal onkerkelijken. Toch is het wel duidelijk dat, ook al had de SDAP zijn officiele anti-kerkelijke standpunt al vroeg opgegeven, zeker kaderleden, maar ook veel betrokken gewone leden, onkerkelijkheid erbij vonden horen, en dat dat ook algemeen bekend was. Ik ben bezig met een oral history onderzoek naar godsdienst in Nederland, waarin een groot aantal interviews gehouden wordt waarbij mensen gevraagd  wordt naar de rol van godsdienst in hun leven, en vermeldingen als zij waren rood, en dus gingen ze niet naar de kerk komen daar vaak in voor.

Wat ontstond waren buitengewoon hechte gemeenschappen. Kees Fens heeft mooie herinneringen opgehaald aan zijn beschermde jeugd in de jaren dertig, waarin de Chass-kerk, het middelpunt van een katholieke enclave, het centrum van zijn bestaan vormde. Een pastoor, vier kapelaans, elke zondag 5000 bezoekers.

Destijds stond op de zijkant van de kerk het woord kut!. Ik had geen idee wat dat betekende. Mijn moeder zei dat ze me dat nog wel eens zou vertellen, maar dat is er nooit van gekomen. [14]

Tegelijk was de sociale controle natuurlijk ook heel sterk. De grootvader van Nico ter Linden, die ook predikant in Amsterdam was, ging dagelijks in het zewmbad van de AMVJ zwemmen, samen met een pastoor, met wie hij bevriend was. Maar ze zagen elkaar alleen in het water. Ze gingen zelfs zorgvuldig apart naar buiten.[15] Een katholieke arbeidersjongen had in 1959 verkering met een meisje uit de Spreeuwenbuurt in Amsterdam-Noord, neergezet door een katholieke woningbouwvereniging en daardoor een katholiek bolwerk. Een van de eerste keren dat ik met r naar de bioscoop ging , moesten we toch wel omlopen, om niet langs de tante te lopen en niet langs de tante en niet langs de vriendin van oma. Ze ontweken een geografie van vrouwelijk toezicht. Op de oostelijke eilanden werden kerkbezoekers door hun buren bespot.

 Helaas weten we niet heel veel over hoe in deze wereld overgangen plaats vonden, tussen de verschillende morele gemeenschappen of van de rand naar het centrum van zon gemeenschap. De gegevens die ik heb, lijken er op te wijzen dat dan gaandeweg  of tamelijk abrupt een bepaald gedragspatroon werd veranderd, waarmee dan ook de markering tot welke groep je behoorde veranderde.

Jan van Weggelaar geeft, in zijn Herinneringen van een gewone Amsterdammer, een mooie beschrijving hoe zijn familie in de jaren dertig socialistisch werd. In zijn ouderlijk huis, in de Jordaan, werd veel gezongen, altijd bij de afwas, maar ook vaak op andere tijden. Het waren meestal zondagsschoolliedjes, die ze allemaal kenden. Toen zijn oudere broer lid werd van de AJC, leerde hij de rest van de familie socialistische liederen, en geleidelijk veranderde hun repertoire. Uiteindelijk werd Het Nieuws van de Dag opgezegd, en nam de familie een abonnement op Het Volk. Toen hij zijn zondagsschoolleraar vertelde, dat ook hij lid zou worden van de AJC, was de man, aan wie hij de beste herinneringen had, zeer teleurgesteld en bedroefd, omdat hij het interpreteerde als een afscheid van de kerk. Er zijn meer voorbeelden van zon zelfstandig handelen van jongeren. 

Een kind uit een kerkelijk volledig onbetrokken katholiek arbeidersgezin uit Amsterdam-Noord, toen nog de IJpolders, probeerde in de jaren dertig op vrijdag geen vlees te eten, hoewel zijn moeder zich bij het bereiden van de maaltijden niet hield aan het vastengebod. Hij deed dat onder invloed van zijn grootmoeder en een tante. In de jaren vijftig werd hij een zeer betrokken lid van de kerk, en maakte dankzij het katholiek onderwijs snel carrire. Een andere informante vertelde hoe haar vader kort na de oorlog in Amsterdam een portefeuille met belangrijke papieren kwijtraakte. Een vriend nam hem mee naar de kerk om te bidden, zodat de dief last zou krijgen van gewetenswroeging. Toen de portefeuille anoniem werd teruggebracht, begonnen haar ouders hun katholiek geloof opeens zeer serieus te nemen. Het lijkt onjuist om hier te spreken over een bekeringsverhaal. Er wordt niet verteld over een innerlijke worsteling of een plotselinge transformatie van het zelf. Naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis namen haar ouders een klaarliggend repertoire van religieuze handelingen, dat ze al kenden, opeens serieus.

Het is duidelijk dat tussen deze groepen de nodige spanningen bestonden. Kuyper en zijn gereformeerden werden door een belangrijk van de hervormden hartgrondig gehaat, niet zozeer vanwege zijn scheuring van de hervormde kerk, maar omdat zijn uiterst succesvolle politieke strategie berustte op een bondgenootschap met de katholieken, waaraan zij een nog grotere hekel hadden, en die dankzij dat bondgenootschap met Kuyper grotere mogelijkheden tot maatschappelijke en politieke ontplooiing kregen. Het fraaiste voorbeeld van dit hervormde anti-katholicisme in Amsterdam is de afbraak van de Nieuwezijdskapel, de oude Heilige Stede, het centrum van de cultus van het Mirakel van Amsterdam. De hervormde kerk had het gebouw sinds de reformatie in gebruik, maar had het eind negentiende eeuw niet meer nodig. Het was bovendien bouwvallig. De kerkeraad besloot het af te laten breken, uit duidelijk anti-katholieke gevoelens. Het was voor de hervormden een centrum van de paganistische ouwel cultus. Een beroep op de culturele waarde van het gebouw het was de fraaiste middeleeuwse kerk van Amsterdam werd van de hand gewezen.

Voor ons Protestanten is het zoveel waard, dat wordt tegengegaan  wat t prestige en t zelfgevoel bij de Roomschen hier verhoogen kan. En historische overwegingen kunnen toch tegen godsdienstige niet opwegen.[16]

De stad spande een proces aan tegen de kerk, maar verloor dat in 1906. De afbraak vond plaats in 1908.  Nog in 1947 schreef de Amsterdamse hervormde predikant Miskotte, inmiddels kerkelijk hoogleraar in Leiden, naar aanleiding van de volkstelling van dat jaar, waarin bleek dat de katholieken de 40% overschreden hadden, dat als het zo doorging, de protestanten niets zou resten dan het land gewapenderhand te verdedigen of te emigreren.[17]

Ook in het dagelijks leven konden kleine botsingen plaatsvinden. In de jaren dertig waren er geregeld moeilijkheden tijdens de Stille Omgang, waar agressieve colporteurs antiroomse geschriften probeerden te slijten, terwijl georganiseerde roomse knokploegen de deelnemers beschermden. Op vergelijkbare wijze werden optochten van de AJC wel mikpunt van verbale agressie, zoals in 1931 in de Spaarndammerbuurt, waar ze, keurig marcherend in rijen van vier, de vlaggen voorop, luid zingend, door de jeugd die langs de kant stond uitbundig werden uitgescholden[18] Tholens, later benedictijn, herinnerde zich hoe hij in zijn jeugd, als hij met vrienden op zondagochtend naar de mis ging, duidelijk herkenbaar aan zijn missaal, wel werd bespot door SDAP-jongeren, en hoe zij dan, op hun beurt, luid en trots roomsen dat zijn wij met ziel en harte! gingen zingen[19]

En  Hofland, in zijn gedaante van Montag, had een paar jaar geleden een mooie herinnering aan politieke straatdebatten aan de vooravond van een verkiezing, op de Nieuwezijds Voorburgwal, ergens begin jaren vijftig, in mei, met mooi weer.

Op die bewuste avond stond ik bij ondergaande zon aan de uiterste rand van zon groepje, met mijn gezicht naar het westen. In het centrum ging het over de verdiensten van Moskou. In iedere discussie zit een ontwikkeling. Eerst deed iedereen mee, en aan het slot, als je al van een slot mocht spreken, ging het tussen de natuurlijke leiders. Dat waren deze keer een oude liberaal en een communistische vrouw van tegen de vijftig. Die schudde opeens haar vuist voor de neus van de liberaal en riep: Vadertje Stalin krijgt jou wel te pakken! Ja! Vadertje Stalin! Bij het uitspreken van de St kwam er een wolkje fijne speekseldruppeltjes uit haar mond. Daarin maakten de laatste stralen van de zon een regenboogje.[20]

Die spanningen en botsingen werden beheerst. Dat gebeurde op laag niveau de katholieke school van Fens in de Chass buurt begon zorgvuldig een kwartier eerder dan de openbare scholen aan de andere kant van het water, zodat de leerlingen elkaar niet zouden ontmoeten, en marcherende AJCers volgden de regel dat ze bij optochten kerken zwijgend passeerden  maar ook op het niveau van de gemeente. Een goed voorbeeld is de enorme kerkbouw in de jaren 1951-1972.[21] Er werden in die jaren 63 kerken gebouwd in de nieuwe wijken die ontstonden als gevolg van de uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935. Ook deze kerkbouw berustte op een grote de laatste - inspanning van de kerken. Toch werd een behoorlijk deel nu door de overheid gefinancierd. De Wet Premie Kerkbouw van 1961 maakte overheidssteun tot een derde van de kosten mogelijk. Daarvoor was het in delen van het land gebruikelijk geweest dat de gemeente financiele steun gaf. Amsterdam had dat altijd afgewezen. De wet sloot kerken gebouwd tussen 1945 en 1961 uit van steun. De Amsterdamse kerkgenootschappen vroegen voor de 23 kerken die ze in die jaren hadden neergezet aan de gemeente  een derde van de grond- en bouwkosten terug. Het ging om een bedrag van zon half miljoen serieus geld. De verantwoordelijk wethouder van Publieke Werken, Joop den Uyl, verdedigde het voorstel, dat hij zo gek nog niet, noemde.  Ook verder waren in deze jaren kerkbouwplanning en stedelijke uitbreiding nauw gentegreerd.

Geloof en ongeloof in Amsterdam, 1960-2005

Toen, plotseling, in de jaren zestig en zeventig, stortte het Amsterdamse, zoals het Nederlandse, christendom in. Dat ging zo hard, dat we er zelfs nauwelijks cijfers over hebben. Ja, de Stille Omgang die ging van 90.000 deelnemers in 1957 naar 6000 in 1972. Maar na 1971 zijn er geen volkstellingen meer gehouden, en de Amsterdamse dienst Onderzoek en Statistiek biedt pas sinds het jaar 2000, en dan niet in de grondige jaarboeken, maar in de oppervlakkiger Burgerschapsmonitoren, weer gegevens over godsdienst.

Het beste is om uit te gaan van de huidige toestand. Hoe staat het nu met geloof en ongeloof? De eerste indruk is die van een enorme diversiteit, groter dan ooit tevoren. Amsterdam heeft al lang veel verschillende vreemde kerken gehad. De Armeens-Apostolische kerk, in de Kromboogstraat, met zn 1500 leden, gaat terug tot 1663.[22] Maar de verscheidenheid heeft nu overweldigende vormen aangenomen. In Zuid-Oost zijn er waarschijnlijk zon 120 kerkgenootschapjes, grotendeels van een zeer bescheiden omvang denk aan tien leden - die berusten op immigratie. In 2004 waren er zon veertig Ghanese kerkgenootschappen, terwijl de Nigerianen in de twee jaar daarvoor twintig nieuwe kerken stichtten.[23] Maar er is veel meer: een Sikh tempel in de Gerard Doustraat, in een oude garage.[24]  Of neem de russisch-orthodoxe kerk De Heilige Nikolaas van Myra, in de Kerkstraat. Zon honderd leden, twee keer zoveel bezoekers, waarvan de helft Nederlander is, en waarvan de overigen tot dertien verschillende  nationaliteiten behoren. De Nederlanders zijn doorgaans bekeerlingen, zoals de vijftigjarige Utrechtse beleidsadviseur Vladimir de Groen, die zich, athestisch opgevoed, na een lange zoektocht door kerkelijk Nederland daar liet dopen vandaar zijn nieuwe voornaam.[25]

Maar met de traditionele kerken gaar het slecht heel slecht. De Muiderkerk in Oost, 110 jaar oud, trok makkelijk duizend mensen nu nog zestig, op zn best. Maar de Muiderkerk bestaat tenminste nog.[26] Zon dertig kerkgebouwen zijn de afgelopen decennia gesloopt, velen anderen aan gebruik onttrokken.[27] Neem de Thomas van Aquinokerk, in de Rijnstraat, gebouwd in 1925, gentegreerd in een woonblok in de stijl van de Amsterdamse School. Hier verscheen Maria aan Ida Peerdeman. Toen de erfpacht in 2000 verhoogd werd van 2600 naar 70.000 gulden was dat niet meer op te brengen de kerk is gesloopt.[28] De gereformeerde kerkeraad vergaderde altijd in een gebouw aan de Kerkstraat, waar ze de kerkeraadskamer van de Nieuwe Kerk zorgvuldig hadden nagebouwd. Het is nu, of was in ieder geval in 1990, een balletschool.[29]

Natuurlijk zijn er ook schijnbare uitzonderingen: de diensten in de Westerkerk zijn populair, en in de Krijtberg, hier tegenover, is er elke dag twee keer mis, vier keer op een zondag, met een redelijk aantal deelnemers, uit Amsterdam en daarbuiten.

Harde cijfers ontbreken. Tamelijk kleinschalige enquetes van de dienst Onderzoek en Statistiek, sinds 2000, lijken te laten zien dat een kleine meerderheid van de Amsterdamse bevolking zich niet verwant voelt met een godsdienst of levensbeschouwelijke stroming, dat een zevende zich tot de islam zou rekenen, een tiende tot het katholicisme, een elfde tot oosterse godsdiensten of New Age,  en een  zestiende, 6 %,  tot de grote protestantse kerken.[30] De vraag is uiteraard volstrekt onduidelijk. Wat betekent je verwant voelen met? Volgens deze enquetes zouden er nu nog 45.000 protestanten in Amsterdam moeten zijn. Maar zelfs in 1999 wisten die kerken zelf nog maar van  26.000 leden.[31] De cijfers voor wat betreft betrokkenheid uit de burgerschapsmonitoren, al is het maar in de vorm van kerk of moskeebezoek, zijn zo mogelijk nog zachter. Ze berusten op zelfrapportage, het antwoord dat mensen geven op de vraag  hoe vaak ze het afgelopen jaar wel eens een kerk of moskee bezocht hebben. Van die 75.000 Amsterdammers die zich met het katholicisme verwant voelen zei daar 70% ja op, maar het KASKI telde op een willekeurige zondag in 1998 en 1999 maar 9000 bezoekers aan de katholieke diensten in de stad.[32] Zelfs dat cijfer lijkt nog hoog. In 1996 deed het Parool onderzoek naar Oud-West, een wijk met zon dertigduizend inwoners, waarvan er tienduizend geregistreerd stonden als katholiek. In die wijk gingen toen op een gewone zondag dertig mensen naar de hervormde Gasthuiskerk, vijftig naar de gereformeerde De Poort, en tweehonderd naar de katholieke Vincentius: minder dan 1% van de bevolking van de wijk.[33]

Moskeebezoek is nog lastiger vast te stellen. Volgens de dienst Onderzoek en Statistiek zou een derde van de moslims eens per week of vaker naar de moskee gaan.[34]  Ook volgens het rapport Moslim in Nederland, van 2004, zegt een derde van de jongere Turken of Marokkanen dat ze wekelijks de moskee bezoeken. Het rapport berust echter op een herbewerking van enquetes uit de jaren 1998 tot 2002 (omdat de mogelijkheid van een nieuw onderzoek te gering werd geacht, vanwege de dalende bereidwilligheid van Turken en Marokkanen om aan dit soort enquetes mee te werken.)  Maar dat cijfer, wat mij eigenlijk tamelijk hoog lijkt   ik betwijfel of er in die ongeveer  veertig Amsterdamse moskeen ruimte is voor zon 25-30.000 mensen per week -  werd in het rapport genterpreteerd in termen van secularisatie. Ook in de islamitische gemeenschap zou sprake zijn van ontmoskesering, een dalend moskeebezoek, een dalend belang van de islam in het dagelijks leven, alleen niet van de religieuze identificatie. De moslims zouden dus steeds meer gaan lijken op die vooroorlogse joden uit Amsterdam: wel religieuze identificatie, maar geen  religieus gedrag.  Het is zeer de vraag of dit een juiste interpretatie is.[35]

Zelfs die identificatie zou volgens de burgerschapsmonitor overigens fors afnemen.  Het percentage van de Amsterdamse bevolking dat zich verwant voelt met de islam, zou van 15 en 14% van de bevolking in 2000 en 2001 gedaald zijn tot 10 en 11% in 2004/2005: in vijf jaar dus een daling met iets tussen een derde of een vijfde. Dat lijkt mij zeer onwaarschijnlijk, al was het maar omdat volgens diezelfde gegevens  het gevoel van verwantschap met de islam bij de Marokkanen en Turken juist gestegen zou zijn. We weten het gewoon niet.  

In het volgende zal ik me daarom niet baseren op kwantitatieve, maar op kwalitatieve gegevens,  die berusten op interviews met mensen, om een antwoord te geven op de vragen wat er gebeurd is met het Amsterdamse christendom en wat geloof nu voor mensen betekent.[36]

Het eerste wat we moeten opmerken is dat de achteruitgang niet alleen de christenen trof. Die socialistische kern, met zijn eigen levensstijl, waarom zich een brede rand van linkse mensen bevond, is ook opgelost. Mensen stemmen nog wel op de PvdA, maar behoren daarmee niet meer tot een bepaalde sociale groep of morele gemeenschap. De AJC werd in 1959 opgeheven. Al eind jaren vijftig keken jongeren met enige bevreemding en opgelatenheid naar hun ouders, als die socialistische strijdliederen meezongen die door de VARA werden uitgezonden.[37] De 1 meiviering stond onder druk van jeugdcultuur. In 1965, toen de PvdA de 1 Meiviering voor alle zekerheid niet in Amsterdam organiseerde, maar in de jaarbeurshal in Utrecht, kwamen daar nog wel 30.000 mensen, waaronder 10.000 jongeren, maar die floten minister Vrolijk van CRM weg, omdat ze gekomen waren voor een concert van The Kinks. Na dat concert braken ze trouwens de zaal af. Tot in de jaren tachtig liep de 1 Mei viering nog door, met het bezorgen van bloemen bij oudere partijgenoten en het bezoek aan het graf of een monument van een socialistische heilige of martelaar in Den Haag het graf van Troelstra, in Rotterdam het monument van Spiekman, in Amsterdam de plaquette van S.R. de Miranda. Het definitieve einde van 1 Mei in Amsterdam kwam in 1989, toen zelfs de PSP en de CPN, vanwege een organisatorische flater, vergaten het ritueel te organiseren. De PvdA deed toen zelfs geen poging. In de woorden van Dick Benschop, toen voorzitter van het PvdA gewest Amsterdam.

Wij vinden dat namelijk niet zo zinvol, omdat er geen concrete aanleiding is. Vroeger kon zoiets nog wel. Maar nu is dat een beetje achterhaald.

Eslbeth Etty reageerde in NRC/Handelsblad op haar gebruikelijke moralistische manier.

Een linkse beweging die 1 Mei niet in ere houdt, lijkt op een christelijke kerk die het kerstfeest niet meer viert! Het afsterven van de dag van de arbeid is ongetwijfeld een symptoom van de vrijwel voltooide ontkerkelijking van links. [38]

De diagnose lijkt me juist. Het is echter de vraag of de schuld alleen bij de leiding gelegd moet worden. Zeker, het is duidelijk dat, niet alleen bij de socialisten, maar ook bij de katholieken en gereformeerden de leiding in de jaren zestig de aard van de eigen beweging wilde veranderen. Er zijn fascinerende herinneringen  van A. Brouwer, eind jaren vijftig, begin jaren zestig priester, met vier kapelaans onder zich, in een grote katholieke parochie in een arbeidersbuurt in Oost.[39] Hij vond zijn parochianen zeer wettisch. Bij hen was het simpelweg Je moet naar de kerk gaan,  en dat vond hij niet goed. Ze moesten van hem naar de kerk gaan omdat het kerkbezoek voor hen innerlijk belangrijk was. Hij organiseerde gespreksgroepen, om van mensen te horen wat ze van de kerkdiensten vonden. Hij schafte de collectieve schoolbiecht en de klassikale eerste communie af. Hij ging zelfs elk jaar bij alle ouderparen langs om te spreken over de eerste communie van hun kind ( en in die jaren betekende dat nog zon120 bezoekjes). Streng vroeg hij dan: Laat u uw kind de Eerste Communie doen? Waarom? Hij wilde dat het geen sleur of sociaal gebruik was, en erkende alleen echte religieuze motieven. Daarmee ondergroef hij natuurlijk de traditie, de sociale controle, en het geritualiseerd gedrag dat de basis van de durkheimiaanse gemeenschap van de Amsterdamse katholieken had gevormd. Vergelijkbare mechanismen speelde een rol bij de ondergang van de Stille Omgang:  ook daar speelde verzet van geestelijken, die het een te collectief, te hol ritueel vonden een grote rol. Bij de protestanten vonden vergelijkbare processen plaats. Een oude hervormde dame in Oud-West vertelde een journalist van het Parool bij de opening van een nieuwe, veel kleinere behuizing van de Hervormde gemeente daar, terwijl ze een kopje thee dronk, Ik mis de Parkkerk wel. Ik heb dominee Buskes er jarenlang meegemaakt.  Toen was het nog Dag Jet! ... Dag dominee! Nu krijg je te horen Zeg maar Ren  Dat vind ik...   Ze haalde haar schouders op.[40] Afscheid nemen van de oude, hirarchische domineescultuur is modern, maar het is leuker om erkend te worden door een autoriteit, door een dokter, dominee of notaris, dan groeten te wisselen met iemand die zich voordoet als je gelijke.

Toch lijkt me dit hervormingsgezinde handelen van de leiding niet de belangrijkste oorzaak van de grote morele gemeenschappen. Ik heb een groot aantal voorbeelden van mensen die in de jaren zestig de kerk verlieten. Er was zeer zelden sprake van rebellie, opstand, of bewust weglopen. Integendeel, de beschrijving van het geleidelijk wegdrijven van de kerk is doorgaans juist gepaard met positieve herinneringen. Een Amsterdamse katholieke vrouw beschreef haar religieuze ontwikkeling in de jaren zeventig op zon manier.

En baden jullie nog wel voor het eten? Ja, ik denk het wel. Ik denk dat dat gestopt is toen ze [de kinderen] het huis uit waren. Waarom stopte dat? Voelde je de drang niet meer? Nee, dat is het natuurlijk. Dat je eenmaal denkt van waarom zou ik het nog doen? Maar ik moet zeggen dat die kerk in Amsterdam-Noord, daar gingen we dan wel eens naartoe, dat sprak je aan. Dat was niet allemaal gezever. [respondente lacht] Dat was ook een hele aardige man. Die was er bijvoorbeeld openlijk niet mee eens dat ze in Rome zeiden dat je geen voorbehoedsmiddelen mocht gebruiken, dat  soort dingen. Dat werd allemaal besproken. En er waren vrouwen die het evangelie baden en weet ik veel wat. (...) Ik vond die kerk in Noord wel leuk. Maar ik had zoiets vanals je eraan meedoet, dan moet je ook iets geven, wat doen.

Een andere Amsterdamse vrouw vertelde hoe ze in de late jaren zestig, toen ze eind dertig was, geleidelijk los raakte van de kerk en de religieuze gebruiken uit haar jeugd opgaf. Ook zij weet niet meer wanneer en waarom dat nu gebeurde: Het proberen te geloven is langzaam weggebd.

Wat plaatsvond is het tegendeel van een bekering. Een bepaalde levenswijze werd niet bewust ingeruild voor een andere, op grond van een keuze die een nieuwe richting aan het leven gaf. Integendeel. Een gedragspatroon, dat een vanzelfsprekend deel van het persoonlijk leven was geweest, verdween daar geleidelijk uit, zonder dat dat proces opviel of bewust beleefd werd. In hun herinnering verbinden mensen deze verandering in hun religieus handelen ook niet met andere gebeurtenissen die in diezelfde jaren in hun leven plaatsvonden, ook niet waar zon verband zich aan de lezer van de interviews bijna onweerstaanbaar opdringt. Verschillende vrouwen beschreven hoe ze in de jaren zestig of zeventig, nadat ze uit de kinderen waren, gingen studeren en werken. Elders in het interview vertellen ze hoe ze in deze zelfde periode ook wegdreven van de godsdienst waar ze bij betrokken waren. Maar in hun levensverhalen worden die twee ontwikkelingen niet verbonden. Een vrouw uit een onkerkelijk gezin, uit de Amsterdamse middenstand, was in de jaren vijftig hervormd geworden vanwege haar aanstaande man. Ze had haar leven altijd op hem gericht, en beschrijft haar traditionele huwelijk nu, met behulp van een modern jargon, in termen van een gebrek aan zelfrespect. In de jaren zeventig volgde ze een opleiding en vond een baan en een nieuwe vriend. Het huwelijk eindigde in een scheiding. In diezelfde tijd verliet ze de kerk, en raakte genteresseerd in oosterse spiritualiteit. Dat beide ontwikkelingen in dezelfde jaren plaatsvonden, blijkt alleen uit een zorgvuldige analyse van het interview. Een katholieke vrouw die met een arts getrouwd was, volgde hem voor tien jaar in het kerkelijk ontwikkelingswerk in Afrika. In 1968 kwamen ze terug, met hun vijf kinderen, en in de jaren zeventig ging ze studeren. Aan het eind van haar studie scheidde ze van haar man. Toen hield ze ook op de kerk te bezoeken. Ook zij legt geen verband tussen deze ontwikkelingen.

Het opgeven van de religieuze praktijken, die in de jaren daarvoor zon belangrijk deel van hun leven waren geweest, maakt geen wezenlijk deel uit van het levensverhaal van de informanten. Godsdienst werd binnen hun leven geleidelijk aan onbelangrijk. Zelfs de vaak voorkomende interesse in nieuwe vormen van spiritualiteit berustte niet op een transformatie van eerdere religieuze gebruiken, maar was iets dat daarna of daarnaast opkwam. Een gereformeerde vrouw uit een burgerlijk gezin uit Den Haag, die tijdens haar studententijd in Amsterdam, begin jaren zestig, geleidelijk los was komen te staan van de kerk, ook al had ze eerder enthousiast deelgenomen aan het gereformeerde verenigingsleven, hield zich jaren later, tijdens een moeilijke periode in haar leven, veel met het boeddhisme bezig. Een verband met haar religieuze jeugd legde ze pas achteraf. En op een dag denk je terug, dan denk je aan het geloof, en dan denk je, ja, eigenlijk ging dat best over dezelfde dingen. Er was ook een hiernamaals en zo. Dit is uiteraard een herinterpretatie. In de jaren zeventig interesseerde ze zich voor dit boeddhisme met een hiernamaals omdat ze dacht dat het antwoord kon geven op haar moeilijkheden. Ze gebruikte het om over zichzelf na te denken en haar persoonlijk problemen te confronteren. Haar boeddhisme droeg, kortom, een reflexief en individueel karakter. De godsdienst van haar jeugd was heel anders geweest: niet reflexief, maar vanzelfsprekend; niet discursief, maar ritueel; niet iets waarmee je je individualiteit vond, maar iets waardoor je deel was van een groep.

De sleutel om te begrijpen wat er met godsdienst in Nederland in de jaren zestig gebeurd is, ligt niet in een tegenover stellen van godsdienst in het algemeen met moderniteit, maar, veel concreter, in het contrasteren van van wat godsdienst in Nederland in de jaren vijftig was, met wat er in de jaren zestig gebeurde. De Nederlandse godsdienst in de jaren vijftig went without saying, in de dubbele betekenis die die mooie Engelse uitdrukking heeft. Het sprak vanzelf, en je sprak er niet over. Niemand gebruikte godsdienst om over zichzelf na te denken, of om over zichzelf te spreken. In de jaren zestig drong in Nederland, bovenal door de toegenomen welvaart, het ideaal van het reflexieve en expressieve door in de praktijken van de massacultuur. Je moet over jezelf nadenken en je eigen zelf tot uitdrukking brengen. (We moeten werkelijkheid en ideaal hier natuurlijk niet door elkaar halen: al die Nederlanders die hun eigen smaak en zelf tot uitdrukking willen brengen in de inrichting van huis, ontmoeten elkaar bij IKEA). Maar aan dit ideaal  kon de godsdienst van de jaren vijftig geen uitdrukking geven, juist omdat die zo collectief, vanzelfsprekend en irreflexief was, iets wat zich vooral uitte in handelingen en het behoren tot een groep. En alweer, dit gold net zo voor de socialisten. In een van de interviews staat een mooie herinnering aan een nieuwe leider van de AJC, in de jaren vijftig, die als zeer bijzonder werd ervaren, omdat hij de Sextant besprak, het blad van de NVSH en met wie je over intieme gevoelens kon spreken. Dat werd als een totale vernieuwing beschouwd.[41]

Er is geen enkele inherente reden waarom godsdienst niet ook aan dit ideaal uitdrukking zou kunnen geven. Integendeel, het grootste deel van wat er aan godsdienst nog is, doet dat ook. Neem die Vladimir de Groen, daar is het lidmaatschap van de russisch-orthodoxe kerk een hoogst eigen keus, waarover goed is nagedacht, en die de uitdrukking vormt van een heel uniek zelf, met een eigen nieuwe voornaam.  Of die bezoekers aan de traditionele diensten in De Krijtberg ook dat is een individuele, losse handeling geworden, die je onderneemt omdat het je wat doet. Mijn punt is, dat je als godsdienst niet zonder consequenties decennia lang een bepaalde sociale vorm kunt aannemen. Hedendaagse Nederlanders beschouwen godsdienst nog steeds bovenal als iets collectiefs, als iets dat je verplichtingen oplegt. In de woorden van die Amsterdamse vrouw uit Amsterdam-Noord: als je eraan meedoet, dan moet je ook iets geven, wat doen.  Maar dat wil niet zeggen dat ze godsdienst hebben ingeruild voor een, al dan niet militante, seculiere levensbeschouwing. Integendeel. Alles mag. Als ik op college wat brom over de onverdraaglijke onnozelheid van het New Age gedachtengoed,  word ik door mijn studenten antropologie altijd op strenge toon gecorrigeerd. Als dat voor mensen waar is, moet je het respecteren.

Het beeld van de Islam in het Nederlandse publieke debat wordt volgens mij vergaand bepaald door deze herinneringen aan godsdienst in de jaren vijftig. De islam wordt neergezet als ons verleden: een collectieve religie, vol verplichtingen, waar mensen niet voor kiezen, maar die hen wordt opgelegd, en die geen respect heeft voor individuele ontplooiing. Maar als je kijkt naar wat we eigenlijk weten over het geloof van hedendaagse jongere Nederlandse moslims, dan blijkt dat ook vergaand individueel, reflexief en expressief te zijn. Ik steun hier op een scriptie van een van onze studenten, Daan Beekers. [42] Ook zij willen zich  persoonlijk met de islam bezig houden het geloof niet bezitten als erfenis, of als cultuur, maar als persoonlijk eigendom. Ze wijzen de cultuur van hun ouders en van sommige imams af, omdat die niet echt of authentiek zou zijn. Seloua, een informante van Beekers,  was niet religieus opgevoed, maar werd moslim toen ze teenager was, en beschouwt dat als haar eigen bezit. Ze verdeelt haar leven in sferen ze droeg geen  hoofddoek op haar werk op Schiphol, waar ze representatief moest zijn, en waar ze werkte voor haar studie, maar stond op haar recht een hoofddoek te dragen als onderwijzeres. Die hoofddoek is haar ding.

Heb je dan soms het gevoel van: weet je wat, ik gooi die hoofddoek gewoon af, dan ben ik van het gezeur af?

Hell no. Nee, helemaal niet () Ik heb juist nog meer het gevoel van: nou, fuck you, weet je wel, ik doe hem echt voor niemand af.

Uit de Rotterdamse debatten over islam en integratie zijn eindeloos uitspraken te sprokkelen die dit individuele en reflexieve karakter van de beleving van de islam bevestigen.

Ik heb nu zelf de koran gelezen en zie de hoofddoek als iets dat hoort bij mijn geloof. Het is mijn keuze om de hoofddoek te dragen en te laten zien dat ik moslima ben.

Je moet je natuurlijk aan de vijf zuilen houden, maar je moet ook het gevoel hebben dat je daar zelf voor kiest en dat het goed voor je is. Anders ben je geen echte moslim.

Dit lijkt toch erg veel op de woorden van Kathleen, een blanke, ongehuwde moeder van 28, met een tamelijk wild leven achter de rug, die nu als bloemiste werkt en lid is van de Pinksterkerk aan het Stadionplein, die voorkomt in de scriptie van een andere student van ons.[43]

Maar als ik naar de afgelopen paar jaar terug kijk, denk ik dat er heel veel dingen in mijn leven weer in orde zijn gekomen. Dankzij mijn geloof in God. Ik denk niet dat het met de kerk te maken heeft, het is met je persoonlijk geloof in God. Kijk de kerk . heeft een bijdrage, van dat het goed is om het woord te horen. Om .. daar ook je contacten te hebben. Het bouwt op. Maar kijk als jij naar de kerk gaat, iedere week, en je doet er voor de rest van de week niets aan, je leidt gewoon je eigen leven. Dan maakt het niets uit. Tenminste voor mij.

Je moet het voelen, je moet er voor kiezen, je moet erover nadenken.  Religieuze autoriteit is hier duidelijk aan het verschuiven. Dat is waarom getallen over moskeebezoek zo weinig zeggen. Mensen zetten hun eigen islam in elkaar, vooral door gebruik te maken van het internet. Op websites als maroc.nl of maghreb.nl. wordt over van alles gediscussieerd. Dit hoeft niet liberaal uit pakken. Maar ook zij die zeggen dat ze zich conformeren aan de orthodoxe islam zijn individualisten, voor wie zelf-verwerkelijking belangrijker is dan integratie in een sociaal verband. Het zelf is de norm.

Nogmaals Seloua:

Ik had op een gegeven  moment echt zon gevoel van: Seloua, je moet echt een hoofddoek gaan dragen, weet je wel. Je bent er helemaal klaar voor, zeg maar. Zon gevoel had ik ook echt. Ik vond het z mooi en die mensen die ik dan kon die een hoofddoek droegen en zo, dat sprak me gewoon heel erg aan.

Conclusie

De term secularisatie veronderstelt dat de modernisering van de samenleving leidt tot de afname of het verdwijnen van religie, en dat wat er aan godsdienst nog is, in tegenstelling staat tot de omringende wereld. Dat is niet juist, en Google had dus gelijk: er is geen sprake van secularisatie in Amsterdam. Dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt, of dat godsdienst niet verandert. Vormen van sociale organisatie en politieke mobilisatie op basis van grote overtuigingen waren gedurende de jaren 1880-1960 onderdeel van de modernisering van Amsterdam. De culturele revolutie van de jaren zestig leidde tot het instorten van die sociale werelden, of ze nu religieus of rood, seculier of godsdienstig waren. In plaats daarvan kwam het ideaal op van het reflexieve en expressieve zelf.  De traditionele kerken hadden grote problemen die overgang mee te maken, nog niet eens vanwege wat ze zelf deden, of nalieten, maar omdat ze algemeen beschouwd werden zoals ze in de twintigste eeuw gestalte hadden gekregen. Mensen die nu godsdienstig zijn lijken op mensen die dat nu niet zijn. En die twee huidige groepen lijken meer op elkaar, dan dat ze lijken op hun godsdienstige of ongodsdienstige ouders. 

De Amsterdamse ontwikkeling stemt overeen met die van de rest van Nederland, zoals de Nederlandse ontwikkeling alleen maar een extremere versie is van een West-Europees patroon. Is het erg wat er gebeurd is? Is het goed? Zinloze vragen. In Nederland leidde de opbouw van verschillende morele gemeenschappen niet tot geweld, en werden de spanningen beheerst, maar in Spanje leidde een vergelijkbare ontwikkeling tijdens de Burgeroorlog tot een orgie van sectarische moordpartijen. Een individueel en reflexief geloof klinkt aardig, maar kan er ook toe leiden dat iemand op zn eentje een moorddadige islam of dierenbevrijdingsfront in elkaar timmert. Het is niet de godsdienst zelf, of zelfs maar de vorm die ze aanneemt, die het probleem vormt, maar de politiek, in de zin hoe mensen met verschillen omgaan.

 

 

 

 

Printer friendly format (PDF)

Related articles:

Oral history en het vreemde sterven van het Nederlands christendom

 

 



[1]             W. Banning, W.H. Vermooten (red.), Handboek Pastorale Sociologie , s Gravenhage 1953-1962, VI, 51;  M.T.J. Smit, De kerkgenootschappen in Amsterdam bij de volkstellingen van 1930, 1947 en 1960, Typschrift, z.d., GA Amsterdam (ingekomen op 29.6.1965).

[2]             David Bos, Geld en geloof in negentiende-eeuws hervormd Amsterdam, in: J.D. Snel  e.a (red.), En God bleef toch in Mokum, Delft 2000.

[3]             Katholiek Amsterdam: een schets van zijn kerkelijke en sociale ontwikkeling, KASKI 1954, typschrift, UB Radboud Universiteit.

[4]             C. Augustijn (red), Gereformeerd Amsterdam sedert 1835, Kampen 1989, 100.

[5]             Katholiek Amsterdam.

[6]             J. Vree, Abraham Kuyper als Amsterdams predikant (1870-1874), in: J.D. Snel e.a (red.), En God bleef toch in Mokum, Delft 2000, 351-2; J.P Kruijt, De onkerkelijkheid in Nederland: haar verbreiding en oorzaken: proeve ener sociografiese verklaring, Groningen 1933, 52 (in 1932 9000).

[7]             Abraham Kuyper, Confidentie. Amsterdam 1973. 

[8]             De Heraut, 13.10.1871, bij Th. van Tijn, Twintig jaren Amsterdam: de maatschappelijke ontwikkeling van de hoofdstad, van de jaren 50 der vorige eeuw tot 1876, Amsterdam 1965, 389.

[9]             Kruijt, Onkerkelijkheid,  51-55, 260-68.

[10]           J. Gielkens, L. Karsten, G. Harmsen, Een dag ist van vreugde, een dag is t van strijd: gellustreerde geschiedenis van 1 mei in Nederland, Amsterdam 1990, 50.

[11]           J. Meilof, R. Spanjer-de Ruijter, J. de Groot (red.), De AJC dat waren wij: herinneringen van oud-leden, Haarlem 1985.

[12]           P.J. Margry, Goede en slechte tijden: het Amsterdams Mirakel van Sacrement in historisch perspectief, Amsterdam 1995.

[13]           Kriijt, Onkerkelijkheid, 55.

[14]           Ons Amsterdam 2004, 328-29.

[15]           Ons Amsterdam 2003, 105

[16]           Een Amsterdams kerkelijk hoogleraar, in de Amsterdamse Volksbode 29.3.1899, bij J.F.M. Sterck, De heilige stede: de slooping van een middeleeuwsch Amsterdamsch heiligdom in de twintigste eeuw: geschiedkundige herinneringen, Hilversum 1939, 31.

[17]           F. van Heek, Het geboorte-niveau der Nederlandse rooms-katholieken: een demografisch-sociologische studie van een gemancipeerde minderheidsgroep, Leiden 1954, 151-2.

[18]           De AJC dat waren wij, 91

[19]           C.J.A. Tholens, Kroniek van een monnik, Delft 1988, 40

[20]           NRC/Handelsblad, 25.4.1998

[21]           G. Hoogewoud, Kerkbouw als sociaal-cultureelpolitiek fenomeen. Religieuze bowactiviteiten in Amsterdam tussen 1945 en 1993, in: En toch bleef God in Mokum, 519-555.

[22]           G. van Tillo, R. Lotte, Religie in Amsterdam, Kampen 2002

[23]           Het Parool, 18.5.2004

[24]           Het Parool, 22.12.2003

[25]           Het Parool, 8.10.2001

[26]           Het Parool, 5.3.2003

[27]           Het Parool, 25.11.2000

[28]           Ons Amsterdam 2004, 49

[29]           Augustijn, Gereformeerd Amsterdam, 90

[30]           Burgerschapsmonitor 2001, 27-28; 2002, 42-43; 2003, 48-49; 2005, 43-44.

[31]           Het Parool, 8.12.1999

[32]           Het Parool, 24.12.1999

[33]           Het Parool, 9.1.1996

[34]           De Staat van de Stad Amsterdam III, 2005, 92.

[35]           Vgl  het themanummer van Migrantenstudies 2005 (21/1).

[36]           P. van Rooden, Oral history en het vreemde sterven van het Nederlandse christendom, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 119 (2004), 524-551.

[37]           J. Goudsblom, De nieuwe volwassenen: een enquete onder jongeren van 18 tot 30 jaar, Amsterdam 1959.

[38]           Gielkens, Karsten, Harmsen, Een dag ist van vreugde,  95-107

[39]           Memoreeks KDC, Cahier 6 (1978) (in Katholiek Documentatie Centrum, Radboud Universiteit).

[40]           Het Parool, 9.1.1996

[41]           De AJC dat waren wij, 194-5

[42]           Daan Beekers, Christian Decline, Muslim Revival:  Two Processes, One Dynamic. A Comparative Study in the Netherlands, BA scriptie antropologie, UvA 2005

[43]           Maarten Kal, Pinkstergemeente Amsterdam: vriend of vijand van de moderne samenleving?, BA scriptie antropologie, UvA 2005