vanrooden@xs4all.nl

 

 

Home

Publications

Artikelen in NRC/Handelsblad

R.G Fuks-Mansfeld, De Sefardim in Amsterdam tot 1795. Aspecten van een joodse minderheid in een Hollandse stad, Verloren 1989

Peter van Rooden

NRC/Handelsblad 26.5.1990 

Hedendaagse joden vragen zich onvermijdelijk af of het jodendom een godsdienst of  een nationaliteit is. Amerikaanse joden maken zich zorgen over het voortbestaan van hun gemeenschap, omdat die alleen maar uit een vaag gevoel van afstamming lijkt te bestaan. Voor Isralische joden is de vraag onmiddellijk verbonden met fundamentele vragen aangaande de aard en grondslag van hun staat. West-Europese joden moeten erover nadenken wanneer zij een houding innemen jegens hun nu bijna twee eeuwen oude keuze voor assimilatie.

In de geschiedenis van het Europees jodendom doet de vraag zich voor het eerst voor in de zestiende en zeventiende eeuw, naar aanleiding van de terugkeer van sommige nakomelingen van onder dwang tot het christendom bekeerde Spaanse en Portugese joden tot het geloof van hun voorouders. Antwoorden op de historische vraag naar de aard van de identiteit van de Sefardim weerspiegelen onvermijdelijk ook tegenwoordige posities.

Het middeleeuwse Spaanse jodendom had een verbijsterende economische en culturele bloei gekend. In de vijftiende eeuw werd het vernietigd de grootste catastrofe in de joodse geschiedenis tussen de Val van de Tweede Tempel in het jaar 70 en onze eeuw. In de jaren rond 1400 vond een eerste golf van pogroms en gedwongen bekeringen van de Spaanse joden plaats. In 1492, toen de herovering van Spanje op de Islam was afgesloten, dwong de overheid de overgebleven joden te kiezen tussen bekering of emigratie. Van de waarschijnlijk tachtigduizend emigranten vertrok ongeveer twee derde naar Portugal. Het maakte niets uit. De vluchtelingen en de inheemse Portugese joden werden gedwongen gedoopt en voortaan als christenen beschouwd.

Officieel waren er bij het begin van de zestiende eeuw geen joden meer op het Iberisch schiereiland.  Officieel nam de doop alle belemmeringen weg om deel te nemen aan het maatschappelijk leven, die aan de joden waren opgelegd. Een deel van de joden vooral zij die al vroeg in de  vijftiende eeuw christen waren geworden en zij die in 1492 niet kozen voor emigratie assimileerde. Zij werden of bleven rijk en machtig en trouwden op grote schaal binnen de Spaanse adel. Ze maakten carrire in de kerk, de religieuze orden of de staat. De eerste grootinquisiteur I Torquemada, was van joodse afkomst. Zijn opvolger ook. De gedoopte joden en hun nakomelingen bleven echter een binnen de Spaanse samenleving herkenbare groep. Afkeer van hun positie en rijkdom verdween niet. Een identiteit werd hun opgelegd. Men noemde hen conversos, nieuwe christenen, of marranen. Vanaf het midden van de zestiende eeuw vertaalde deze afkeer zich in 'statuten van zuiverheid van het bloed'. Deze bepalingen sloten personen van joodse afstamming geleidelijk uit van steeds meer overheidsfuncties en van het lidmaatschap van bepaalde religieuze en militaire orden. Kerk en staat gaven aarzelend en met tegenzin toe aan de druk die van onderaf werd uitgeoefend om dergelijke statuten af te kondigen. De afkeer van de conversos was ook haat jegens de Spaanse adel.

Over de dagelijkse toepassing van de statuten is weinig bekend. Corruptie maakte het mogelijk ze te ontduiken. Genealogien werden op grote schaal vervalst. De kroon kon iemand benoemen in een van de prestigieuze militaire orden en zo de zuiverheid van zijn bloed garanderen. Het symbolische resultaat van de afkondiging van de statuten was belangrijker. Ze legden het belang van een zuivere afkomst vast. Ze maakten de nakomelingen van joden, ongeacht hun persoonlijke overtuiging, tot een eigen groep. Gaandeweg groeide hun onderlinge solidariteit. De Spaanse en Portugese Inquisities droegen daar krachtig aan bij. Deze instellingen, opgericht in 1480 en 1536, waakten over de zuiverheid van het katholieke geloof. Een belangrijke reden voor hun oprichting was de twijfel die was blijven bestaan aan de echtheid van de bekeringen die de joden waren opgelegd. Men verdacht sommige nakomelingen van joden van crypto-judasme. Uiterlijk zouden zij zich aan het katholicisme conformeren, terwijl ze innerlijk aan het jodendom vasthielden. Door de Inquisities ingestelde processen leidden vrijwel automatisch tot een veroordeling. Een hardnekkige ontkenning van de beschuldiging werd beschouwd als een teken van verstoktheid. Ben dergelijke weigering de eigen ketterij te belijden werd bestraft met de brandstapel. De zekerste weg om een eenmaal begonnen proces te overleven was het bekennen van de beschuldigingen en het aanvaarden van de boete en openbare vernedering die werden opgelegd.

De Portugese Inquisitie richtte zich bijna uitsluitend op nieuwe christenen. Haar Spaanse zusterinstelling had een bredere belangstelling, maar ook zij beschouwde joodse afkomst als een reden om een beschuldiging van joodse praktijken serieus te nemen. Beide instellingen waren gebaat bij het aantonen van het bestaan van crypto-judasme. Veroordelingen rechtvaardigden hun bestaan en stelden hen in staat de bezittingen van hun slachtoffers te confisqueren of hoge boetes te heffen.

Volledig gekatholiseerde afstammelingen van gedoopte joden konden zo aan hun afkomst herinnerd worden. De Portugese Inquisitie heeft een aantal wat men niet anders kan noemen dan martelaren voor het katholieke geloof voortgebracht mensen die uit angst voor hun zielenheil weigerden hun katholieke geloof te loochenen en die vervolgens als hardnekkige ketters verbrand werden. Directe kennismaking met de Inquisitie kon ook overtuigde katholieken terugvoeren tot het jodendom, op grond van de overweging dat een geloof dat er dergelijke instellingen op nahield niet het juiste kon zijn.

De vraag naar de eigen, subjectieve identiteit van de nieuwe christenen is fel omstreden. Een traditionele voorstelling, die uit de joodse historiografie stamt, wil dat de onder dwang bekeerde joden, in ieder geval zij die in 1492 naar Portugal gevlucht waren, heldhaftig vasthielden aan hun godsdienst. De laatste jaren wordt ook wel verdedigd dat de overgrote meerderheid van de slachtoffers van de Inquisitie nooit de joodse handelingen had verricht die zij tijdens hun verhoor onder psychologische en fysieke druk bekenden. De Inquisitie was volgens deze historici een jodenfabriek. Crypto-judaIsme bestond niet of nauwelijks.

Sommige nieuwe christenen vluchtten weg uit het Iberisch schiereiland, wanneer zij door de Inquisitie beschuldigd of veroordeeld waren of voor een beschuldiging vreesden. Sommigen van deze vluchtelingen een minderheid wilden niet langer als katholiek leven en richtten joodse gemeenschappen op of sloten zich bij dergelijke gemeenschappen aan. Dergelijke Sefardische gemeenten ontstonden in Itali, in enkele Noordduitse steden en de beroemdste in de Republiek. Mevrouw Fuks-Mansfeld biedt in haar dissertatie De Sefardim in Amsterdam een geschiedenis van deze gemeenschap. Ze schenkt weinig aandacht aan hun economische en in de strikte zin van het woord religieuze geschiedenis. Haar eigenlijke thema vormt de gemeenschap zelf,  hoe ze zichzelf vorm gaf, met welke middelen ze deze identiteit in stand hield en wat haar verhouding tot de burgerlijke overheid en niet-joodse omgeving was. Deze keuze leverde een overtuigend boek op. De identiteit van de Amsterdamse Sefardim bestond in veel meer dan alleen hun joodse godsdienst.

Niet alle in Amsterdam aangekomen Iberische nieuw-christenen sloten zich onmiddellijk bij de in 1602 opgerichte religieuze gemeenschap aan. Sommigen sloten hun huwelijk op het stadhuis en lieten het katholiek bevestigen. Manuel Carvalho verklaarde in 1643 dat hij veertig jaar geleden, dus in 1603, in Amsterdam was komen wonen, maar "voor de jaire 1616 van joodse religie geen professie deed". De religieuze onverschilligheid van sommige nieuw-christelijke kooplieden werd door de Amsterdamse rabbijnen fel gehekeld. "Zij zijn geheel en al verfoeid door de Heer en gereed voor de verdoemenis, want zij zijn aanbidders van het goud".

Het waren juist deze kooplieden en de economische voordelen die men van hun aanwezigheid verwachtte die de bestuurders van de Hollandse steden ertoe brachten hun de vrijheid toe te staan zich als joden te organiseren. De tolerantie die de joden genoten is tijdens de geschiedenis van de Republiek nooit bedreigd geweest. Aan de andere kant hield de overheid - zoals ze dat ook bij alle andere religieuze groepen deed - de Sefardische gemeenschap strikt in de hand. Ze was zeker niet autonoom. De individuele jood kon altijd, en deed dat bij geval ook, een beroep doen op de stedelijke rechtspraak in plaats van op het traditionele joodse recht. Ook grote interne conflicten tussen rabbijnen en leken werden, tot ontzetting van joodse gemeenten in het buitenland, wel door de christelijke overheid beslecht.

De integratie van de uit het Iberisch schiereiland gevluchte nieuwe christenen in de joodse gemeenschap was een grote opgave. Hun kennis van de godsdienst die ze nu openlijk konden belijden was zeer gering. Weerstanden tegen de talrijke rituele regels die het rabbijnse, orthodoxe jodendom eigen zijn, waren bij de daarin niet opgevoede nieuwe leden soms groot. Tot 1639 bestonden er in Amsterdam drie verschillende Sefardische gemeenten, elk met een eigen rabbijn en bestuur. Die verdeeldheid ging hoogstwaarschijnlijk ook terug op meningsverschillen over de mate waarin men zich aan het rabbijnse jodendom wenste te conformeren. Al met al namen de Amsterdamse Sefardim de opgave de nieuw-aangekomenen te integreren zeer succesvol ter hand. De gemeenschap zorgde voor haar eigen armen en voor het onderwijs aan de kinderen van haar leden. Dat onderwijs was uitstekend, althans voor de jongens. In de achttiende eeuw waren de joodse mannen geletterder dan niet-joodse Amsterdammers, terwijl joodse vrouwen juist vaker analfabeet waren. Onderdeel van het onderwijs was het Hebreeuws. De jongens leerden de taal op dezelfde moderne manier als de theologische studenten van de Republiek, dus aan de hand van systematisch opgezette grammatica's, niet door op de traditioneel joodse wijze Hebreeuwse teksten woord voor woord uit het hoofd te leren.

De rijkere leden konden een plaats vinden in de jaarlijks wisselende besturen van de talrijke organisaties die het sociale leven van de gemeenschap regelden. Er waren besturen voor de armenzorg, voor de verschillende soorten onderwijs, voor fondsen waaruit behoeftige meisjes een bruidsschat konden krijgen en nieuw-aangekomenen gesteund werden.

Het belangrijkste bindende element was de gedeelde culturele achtergrond. De Sefardim spraken Portugees of Spaans. Economische betrekkingen en verwantschapsbanden zorgden voor blijvende contacten met het Iberisch schiereiland. Sommige leden van de gemeente verbleven jaren in Spanje en Portugal ten bate van de handel, zodat het bestuur een bepaling moest afkondigen, dat zij die daar aan katholieke erediensten hadden deelgenomen, in het openbaar om vergeving moesten vragen. Gereformeerde kerkenraden hadden vergelijkbare problemen met Zuid-Nederlandse lidmaten, die tijdens bezoek aan hun katholiek gebleven verwanten in Belgi aan de mis deelnamen.

De Sefardim waren zeer gehecht aan de Spaanse literatuur. De Spaanse dichtkunst werd beoefend in kunst zinnige verenigingen. Amateurs voerden de nieuwste Spaanse toneelstukken op in daartoe gehuurde pakhuizen. Voor 1639 werden zelfs in de synagoge, in navolging van de spelen in katholieke kerken, religieuze stukken gebracht.

Gaandeweg werd de Sefardische gemeenschap onderdeel van de Hollandse samenleving. In het begin van de achttiende eeuw had in de dagelijkse omgang het Nederlands de Iberische talen verdrongen. Het zo uitstekend onderwezen Hebreeuws werd de literaire taal, waarin gedicht werd. Spaanse, Portugese en Franse literaire werken werden in het Hebreeuws vertaald. Het ideaal van de laatachttiende-eeuwse joodse Verlichting, culturele aanpassing aan de West-Europese cultuur, hadden de Amsterdamse Sefardim al bereikt voor het geformuleerd was. Zij hadden belangrijke delen van hun niet-joodse culturele en intellectuele gewoonten behouden. Door hun kennis van de Iberische cultuur en hun gebruik van een Latijns schrift vonden zij gemakkelijk aansluiting bij de Europese beschaving.

Ondanks het goede onderwijs ontwikkelde Amsterdam zich nooit tot een centrum van de studie van de talmoed, het hart van de traditionele joodse cultuur. In de achttiende eeuw werden wel oefendiscussies van leerlingen over de talmoed gepubliceerd, maar dat was een overname van het universitaire gebruik om theologische disputaties van $studenten te laten drukken. In de synagoge werd, heel ongebruikelijk bij joodse religieuze bijeenkomsten, gepreekt. Die preken verschilden niet zeer van wat er in de Amsterdamse kerken naar voren werd gebracht. Naar aanleiding van een oudtestamentische tekst of de rabbijnse literatuur werd een ethisch-didactisch vertoog gehouden.

Ook het religieuze onderwijs droeg een binnen het jodendom eigen karakter. Abraham Pereyra kon in zijn stichtelijke werken hele stukken katholieke  vroomheidliteratuur overschrijven, zonder dat dat iemand opviel. Zulke verzwegen afhankelijkheden waren overigens ook tussen de verschillende christelijke confessies niet ongebruikelijk. Een ander belangrijk onderdeel van de didactische literatuur bestond uit polemische werken, waarin werd aangetoond dat het christendom met de rede en de bijbel in strijd was. Uiteraard circuleerde deze literatuur alleen in handschrift.

Fuks-Mansfeld wijst erop dat sommigen zich aan deze missionaire inspanning onttrokken. Ze bleven onverschillig of werden twijfelaars. De rabbijnen behandelden de laatsten zeer tegemoetkomend, mits ze hun twijfels niet tot systeem maakten. In enkele gevallen werd hun zelfs aangeraden maar weer katholiek te worden. De enkele uitbarstingen van radicale, beredeneerde twijfel aan het openbaringskarakter van het jodendom, die eindigden in de veroordelingen van Uriel da Costa en Spinoza beschouwt zij als uitzonderingen. De meeste nieuwe christenen werden zonder grote problemen opgenomen.

 

 

 

 

Related articles:

Yosef Kaplan, From Christianity to Judaism: The Story of Isaac Orobio de Castro

De leermeester  van Spinoza

J.I. Israel, European Jewry in the Age of Mercantilism, 1550-1750

L. Fuks, R. Fuks-Mansfeld, Hebrew Typography in the Northern Netherlands 1585-1815