|
In 1628 werd David
Curiel, een vooraanstaand lid van de joodse gemeenschap in Amsterdam, in
zijn huis overvallen door een rover, die hem met een mes ernstig verwondde.
Bloedend verjoeg hij zijn belager en met hulp van zijn christelijke buren
werd de man op straat gegrepen en overgeleverd aan het stadsbestuur. Zoals
dat in de zeventiende eeuw ging werd hij veroordeeld en ge‘xecuteerd. Vervolgens
ontving Curiel een brief van de Staten van Holland, waarin zij hun
droefenis over het incident uitspraken en hem uitnodigden om aanwezig te
zijn bij de anatomische les op het lijk van de rover in hun eigen
universiteit te Leiden.
We kennen dit verhaal omdat het is
overgeleverd in vijf handschriften, die bewaard zijn door de joodse
gemeenschap van Amsterdam. Ze hebben als titel Mekhilah Curiel. Waarschijnlijk werd het verhaal op het Purimfeest gelezen, na de Mekhilah
Esther, het bijbelboek dat een soortgelijk verhaal
van een aanval op de joden en de gruwelijke ondergang van hun belager
vertelt. Met het lezen van dit verhaal werd in hun religieuze samenkomsten
de verbazing en vreugde uitgedrukt die de Amsterdamse joden voelden over de
hen door de jonge Republiek verschafte tolerantie en bescherming.
De inventarisatie en vermelding van de vijf
handschriften danken we aan ˇˇn van de vele artikelen van het echtpaar Fuks
en Fuks-Mansfeld. Zij hebben het tot hun levenswerk gemaakt de
schriftelijke nalatenschap van de joodse gemeenschap van de Republiek te
ordenen en toegankelijk te maken. Zeer recent is het eerste deel verschenen
van wat hun magnum opus zal worden, een bibliografie van alle Hebreeuwse
boeken die in de Noordelijke Nederlanden tussen 1585 en 1815 gedrukt zijn.
Daarmee hebben ze op schitterende wijze een voor het onderzoek naar de
geschiedenis van de Nederlandse joden onmisbaar naslagwerk tot stand
gebracht.
Dit eerste deel beschrijft alle in Leiden
en Franeker gedrukte Hebreeuwse boeken en die uit Amsterdam tot ongeveer
1660. Daarmee zijn onmiddellijk de twee belangrijkste binnenlandse markten
voor Hebreeuwse boeken gegeven: de universiteiten en de joodse gemeenschap.
In 1585 verscheen het eerste Hebreeuwse boek in de Republiek. Het was een
Hebreeuwse grammatica van een Franse calvinist, uitgegeven door de
hoogleraar Hebreeuws te Leiden, en daar gedrukt bij een filiaal van de
grote Antwerpse drukker Plantijn. Al deze feiten zijn karakteristiek voor
de belangstelling voor het Hebreeuws van christelijke kant. Ten eerste was
de studie van de taal nauw verbonden met het protestantisme en zo met de
zaak van de Opstand. De universiteit van Leiden was opgericht om de jonge
Republiek te voorzien van een geschoold protestants kader, en het boek dat
Willem de Zwijger bij de oprichting aan de universiteit schonk was daarom
een Biblia Regia, een uitgave van Plantijn met
de Hebreeuwse, Griekse en Latijnse tekst van de bijbel. De protestanten
waren er van overtuigd dat een theoloog zich in zijn werk moest baseren op
de oorspronkelijke talen van de bijbel.
Plantijn, die behalve een groot drukker ook
een goed zakenman was, had zijn filiaal in Leiden geopend omdat hij voorzag
dat Antwerpen in het front van de oorlogshandelingen zou komen te liggen.
Inderdaad werd de stad, als bekroning van een briljante veldtocht, in 1585
lange tijd belegerd en uiteindelijk heroverd door de Spaanse
legeraanvoerder Parma. Dankzij Plantijns vooruitziende geest had de jonge
Leidse universiteit de beschikking gekregen over een drukker, die Hebreeuws
kon zetten, en zo het lesmateriaal kon verzorgen voor de studie van die
taal. Het lettertype waarmee dit eerste Hebreeuwse boek gedrukt werd zou
meer dan twee eeuwen het meest gebruikte blijven.
De universiteiten van Leiden en Franeker
brachten generaties theologiestudenten het Hebreeuws bij met dergelijke
grammatica's. Het overgrote deel van de boekproductie van beide steden
bestond uit simpele inleidingen in het bijbels Hebreeuws, bedoeld om
aanstaande predikanten in staat te stellen het Oude Testament in de
grondtaal te lezen.
Busken Huets opmerking dat over de
Nederlandse samenleving van de zeventiende eeuw iets van een Hebreeuwse
tint ligt heeft betrekking op deze calvinistische concentratie op het Oude
Testament en de taal waarin dat geschreven is. Het grootste monument
daarvan is natuurlijk het hebra•serende taalgebruik van de Statenvertaling.
Maar Ń de bibliografie van het echtpaar Fuks maakt dat bijzonder duidelijk
Ń in de zeventiende eeuw zijn door christenen geen werken op het gebied van
het Hebreeuws geproduceerd die een literair equivalent zijn van Rembrandts
schilderijen, waarop de Amsterdamse joden zo intens en concreet afgebeeld
worden.
De grote humanisten uit de eerste jaren van
de Gouden Eeuw hadden wel belangstelling voor meer dan alleen het bijbels
Hebreeuws. Zij namen niet alleen kennis van het Oude Testament, maar ook
van de geschriften van het nabijbelse Jodendom, zoals de Mishna en Talmud.
Zo moesten ze wel met de in de Republiek levende joden in contact komen,
want om deze teksten te begrijpen was onderwijs van een geboren en getogen
jood onmisbaar. Zelfs Scaliger, de grootste geleerde van zijn tijd,
aangetrokken om door het simpele feit van zijn aanwezigheid binnen Leiden
de universiteit aanzien te verschaffen, moest dat van zichzelf erkennen.
Hij verheugde zich toen hij hoorde dat joden zich zouden vestigen te
Haarlem, omdat hij zo een leraar zou kunnen vinden om Talmud mee te lezen.
Zoals de humanisten namen ook veel
theologen les bij rabbijnen om de nabijbelse joodse literatuur te leren
kennen. Maar bij geen van beide christelijke groepen leidde deze literaire
kennisname en persoonlijke contacten tot een beschrijving van het eigene
van het contemporaine jodendom. De humanisten gebruikten de rabbijnse
literatuur voor historische studies of als achtergrond materiaal bij hun
onderzoek naar het Nieuwe Testament. Ook de theologen waren in de rabbinica
vooral ge•nteresseerd als hulpmiddel bij de exegese van de Bijbel, of als
middel om de waarheid van het christendom en de onwaarheid van het jodendom
aan te tonen. Ze zagen het jodendom als het spiegelbeeld van hun eigen
opvatting van godsdienst: het aanhangen van een leer, uitgedrukt in dogma's
die ontleend zouden zijn aan het Oude Testament.
Humanisten ¸n theologen zagen de rabbijnse
literatuur dus alleen als een hulpmiddel voor hun eigen streven. Eigenlijk
heel vreemd, of misschien zegt het iets over de macht die idee‘n hebben om
te bepalen wat belangrijk genoeg gevonden wordt om over te schrijven.
Iedere christelijke auteur die zich serieus met het Hebreeuws en de
rabbijnse literatuur bezig hield was in contact getreden met Amsterdamse
joden. Maar in hun werken liet deze persoonlijke bekendheid slechts zelden
een spoor na.
En de Amsterdamse joodse gemeenschap was
uniek. Haar oorsprong is in nevelen gehuld, maar het is duidelijk dat ze
voornamelijk bestond uit Marranen. Marranen waren naar eigen zeggen de
nakomelingen van onder dwang tot het katholicisme bekeerde joden van het
Iberisch schiereiland. Na soms generaties als katholieken geleefd te hebben
keerden ze in de Republiek (of elders) terug tot het jodendom. Ze zijn de
nachtmerrie van een historicus. Noch op de vraag of ze werkelijk van joodse
afkomst zijn, noch op die waarom ze zich tot het jodendom bekeerden kan een
duidelijk antwoord worden gegeven. In ieder geval ontstond de Amsterdamse
joodse gemeenschap uit joden die niet in hun jeugd diepgaand godsdienstig
waren gevormd, en die vaak, omdat ze bekeerlingen waren, een grote dosis
scepsis hadden ten opzichte van verschillende religieuze gedachten en
handelingen.
Deze fundamentele karakteristiek verklaart
de meeste kenmerken van de Amsterdamse joodse gemeenschap. Ze kende een
ongemene culturele diversiteit, en werd al vanaf het begin geregeld
opgeschrikt door diepgaande conflicten, waarvan de uitstoting van Spinoza
alleen maar het bekendste, zeker niet het enige voorbeeld is. De
belangrijkste opgave voor de religieuze leiders van de gemeenschap was dan
ook het verzorgen van een godsdienstige vorming van haar leden.
In de bibliografie van het echtpaar Fuks is
daar weinig van terug te vinden. Dat heeft verschillende redenen. Zij
beschrijven gedrukte Hebreeuwse werken, maar een aantal van de
belangrijkste vormende werken hadden betrekking op de polemiek met het
christendom en circuleerden daarom alleen in handschrift. Menasseh ben
Israel (1604-1657) de eerste joodse drukker van Amsterdam, kreeg rond 1635
het aanbod de Chizuq Emunah van Isaac ben
Abraham van Troki te drukken. Zeer verstandig liet hij dat na. Aan dit
hoogst intelligente antichristelijke werk zou Voltaire in de achttiende
eeuw nog argumenten voor zijn strijd tegen de Kerk ontlenen. Toen in 1705
een christelijke geleerde een Latijnse vertaling en weerlegging van een
dergelijk geschrift, de Toledot Jesu, het licht
liet zien, stak er van orthodox-protestantse kant een storm van protest op.
De Toledot Jesu is een polemisch leven van
Jezus, waarin hij als een bedrieger en tovenaar wordt voorgesteld.
Maar ook minder polemische catechetische
literatuur is zeldzaam in de bibliografie. Dat heeft een heel simpele
reden. De meeste Amsterdamse joden kenden niet goed genoeg Hebreeuws om
dergelijke werken anders dan in het Spaans of Portugees te lezen. Toen
Menasseh in 1629 een Hebreeuws werk drukte en er twijfel over de orthodoxie
van de inhoud ontstond, werd een commissie ingesteld om de tekst te
onderzoeken. Menasseh's assistent moest het werk voor de commissie in het
Portugees voorlezen. Menasseh, die zelf een slechtbetaalde rabbijn van een
Amsterdamse gemeente was, schreef een groot aantal werken om
rationalistische twijfels bij leken weg te nemen. Maar geen daarvan gaf hij
zelf in het Hebreeuws uit.
Wat drukte hij dan wel in het Hebreeuws?
Allereerst liturgisch materiaal. Hebreeuws was de heilige taal, en gebeden
voor vastendagen, feesten en rouw werden in het Hebreeuws gelezen. Soms
verschenen dergelijke boekjes tweetalig, met een parallelle Spaanse
vertaling. Deze werken waren vooral bedoeld voor de Amsterdamse gemeente
zelf. Maar daarnaast drukte hij werken die ge‘xporteerd moesten worden,
voor de overal verspreide joodse gemeenten. Daarmee legde hij de basis voor
de bloei van de joodse drukkerijen van Amsterdam, die in de tweede helft
van de zeventiende eeuw die van Veneti‘ weg zouden concurreren.
In dit economisch ondernemen werkten joden
en christenen nauw samen. Veel uitgaven van Menasseh werden gefinancierd
door christelijke zakenlieden, en hij had christelijke werklieden in
dienst. Het was ook Menasseh die, na een bezoek aan de internationale boekenbeurs
te Frankfurt in 1635, de Oosteuropese markt voor het Hebreeuwse boek van
Amsterdam opende. Daar woonden veruit de meeste joden van Europa. Hij
introduceerde ook in de Hebreeuwse boekdrukkunst het kleine
"pocketbook" formaat, waarmee de Elzeviers al eerder de hele
Europese markt voor klassieke literatuur veroverd hadden.
Al deze kenmerken vinden we terug bij de
productie van de grootste joodse drukker uit de eerste helft van de
zeventiende eeuw: Imanoel Benveniste (1608-1664). Over zijn jeugd is weinig
bekend (waarschijnlijk was hij de zoon van een familie die nog als
christenen op het Iberisch schiereiland leefde), maar toen hij in 1640 zijn
activiteiten begon, was hij al een buitengewoon vakman. Hij drukte alle
onontbeerlijke werken van de joodse literatuur, met als kroon op zijn
productie een uitgave van de Babylonische Talmud in een oplage van 3000
exemplaren. Het drukken kostte drie jaar, wat voor een werk van bijna
zesduizend bladzijden niet zoveel is.
De Talmud is het hart en de kern van het jodendom,
de tekst waarmee het zijn identiteit meer dan duizend jaar bewaard heeft.
Het werk is de neerslag van onderzoek en onderwijs in de eerste eeuwen van
onze jaartelling, waarbij de bijbel werd uitgelegd met behulp van subtiele
exegetische technieken, die voor een buitenstaander niet van inlegkunde te
onderscheiden zijn. Het geeft een verslag van discussies over de juiste
manieren van handelen: juridisch, ethisch, cultisch en ritueel. Het is niet
theoretisch ge•nteresseerd. Het gaat om de praktijk, niet om speculatie.
Gegeven enkele simpele noties, zoals dat God ˇˇn is, zich heeft geopenbaard
en Israel heeft uitverkoren, zijn verdere speculaties over deze onderwerpen
vrij. Het jodendom wordt dan ook eerder gekenmerkt door een bepaalde manier
van handelen dan door het aanhangen van een leer, en de enige grote
scheuring die het heeft meegemaakt Ń die van het Kara•tisme Ń ging niet
over een theoretisch punt, maar over de autoriteit van de Talmud voor het
handelen.
De Talmud is op geen enkele wijze systematisch,
en een groot deel van de intellectuele inspanning van het jodendom in de
middeleeuwen werd gestoken in het ordenen van de verschillende beslissingen
op het gebied van het handelen die erin worden aangetroffen. Ook daarbij
ging het bovenal om de praktijk. Benveniste gaf tal van dergelijke werken
uit. Voor deze productie, en de eigenlijke aard van het jodendom die eruit
spreekt, hadden de christelijke humanisten en theologen geen enkele
interesse.
Ook de belangrijkste religieuze
ontwikkeling binnen het zeventiende-eeuwse jodendom merkten ze niet op.
Vanaf 1648 verschenen bij Benveniste en andere drukkers werken over de
luriaanse kabbala. Dat was het resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling.
De kabbala, de belangrijkste joodse vorm
van mystiek, was in de Middeleeuwen
ontwikkeld in kringen van het Spaanse jodendom. Na de verdrijving van de
joden uit Spanje, in 1492, werd het van een esoterische doctrine, bekend
aan, en bedreven door een kleine groep religieuze virtuozen, gaandeweg tot
een massabeweging die alle aspecten en groepen van het jodendom doordrong.
Dat was vooral het gevolg van de
veranderingen die de zestiende-eeuwse mysticus Isaac Luria in de
kabbalistische denkwereld aanbracht. Luria verhief de ballingschap en
verstrooiing van de joden tot een metafysisch beginsel. Zoals Israel
verspreid is onder, en gevangen door de volkeren, zo zijn de vonken van het
goddelijke licht sinds een catastrofe bij de schepping gevangen in de
materie. De hele geschiedenis, hier op aarde maar ook die van het Zijn als
geheel, is een proces waarbij deze vonken weer verzameld worden en
terugkeren in het goddelijk licht. De mens kan bijdragen aan dit proces van
verlossing door bepaalde handelingen, intenties en meditaties, en Isra‘l is
verstrooid om alle vonken te bevrijden. De luriaanse kabbala heeft een
buitengewoon sterk messiaans karakter, omdat volgens Luria de Messias dit
proces van verlossing zal voltooien.
Eerst in handschriften, later in gedrukte
werken als die van Benveniste verspreidde de luriaanse kabbala zich over de
hele joodse wereld, van Amsterdam tot Turkije, en van Jemen tot
Noord-Afrika. Het messiaanse verlangen naar de uiteindelijke verlossing
werd steeds sterker, en kreeg een sterke impuls door de verschrikkelijke
pogroms in Polen en de UkraIne in 1648-49, die een diepe indruk maakten.
Ook in Amsterdam werden verschillende klaagliederen en gebeden voor de
slachtoffers van deze vervolgingen, waarbij tienduizenden joden gedood
werden, gedrukt. De door de luriaanse kabbala opgewekte eschatologische
verwachting zou zich in 1666 ontladen in de opwinding rond Shabbatai Zwi,
die tot zijn bekering tot de Islam door een meerderheid van de joden als
Messias erkend werd.
Deze verwachting van het einde der tijden
en de uiteindelijke verlossing was in wezen een religieuze beweging,
opgewekt door de indrukwekkendheid van de luriaanse mystiek en verspreid
door geschriften en boeken. De messiaanse verwachting is zeker niet alleen
te verklaren als een gevolg van de ellendige sociale positie van de joden.
Nergens werden de joden getolereerd als in de Republiek; nergens werden ze
zo in staat gesteld hun brood te verdienen en hun eigen leefwijze te
volgen. Menasseh ben Israel voorzag ˇˇn van de eerste werken die hij drukte
van het motto "en Israel woonde veilig" (Deut 33,28), en gaf
daarmee uitdrukking aan een bij de Amsterdamse joden wijd verspreid gevoel.
Toch zouden ook zij de messianistische hoop en verwachting rond Shabbatai
Zwi volop delen.
|