vanrooden@xs4all.nl

 

 

Home

Publications

Artikelen in NRC/Handelsblad

L. Fuks, R. Fuks-Mansfeld, Hebrew Typography in the Northern Netherlands 1585-1815 I, Leiden 1984

Peter van Rooden

NRC/Handelsblad 10.1.1985 

In 1628 werd David Curiel, een vooraanstaand lid van de joodse gemeenschap in Amsterdam, in zijn huis overvallen door een rover, die hem met een mes ernstig verwondde. Bloedend verjoeg hij zijn belager en met hulp van zijn christelijke buren werd de man op straat gegrepen en overgeleverd aan het stadsbestuur. Zoals dat in de zeventiende eeuw ging werd hij veroordeeld en ge‘xecuteerd. Vervolgens ontving Curiel een brief van de Staten van Holland, waarin zij hun droefenis over het incident uitspraken en hem uitnodigden om aanwezig te zijn bij de anatomische les op het lijk van de rover in hun eigen universiteit te Leiden.

We kennen dit verhaal omdat het is overgeleverd in vijf handschriften, die bewaard zijn door de joodse gemeenschap van Amsterdam. Ze hebben als titel Mekhilah Curiel. Waarschijnlijk werd het verhaal op het Purimfeest gelezen, na de Mekhilah Esther, het bijbelboek dat een soortgelijk verhaal van een aanval op de joden en de gruwelijke ondergang van hun belager vertelt. Met het lezen van dit verhaal werd in hun religieuze samenkomsten de verbazing en vreugde uitgedrukt die de Amsterdamse joden voelden over de hen door de jonge Republiek verschafte tolerantie en bescherming.

De inventarisatie en vermelding van de vijf handschriften danken we aan ˇˇn van de vele artikelen van het echtpaar Fuks en Fuks-Mansfeld. Zij hebben het tot hun levenswerk gemaakt de schriftelijke nalatenschap van de joodse gemeenschap van de Republiek te ordenen en toegankelijk te maken. Zeer recent is het eerste deel verschenen van wat hun magnum opus zal worden, een bibliografie van alle Hebreeuwse boeken die in de Noordelijke Nederlanden tussen 1585 en 1815 gedrukt zijn. Daarmee hebben ze op schitterende wijze een voor het onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse joden onmisbaar naslagwerk tot stand gebracht.

Dit eerste deel beschrijft alle in Leiden en Franeker gedrukte Hebreeuwse boeken en die uit Amsterdam tot ongeveer 1660. Daarmee zijn onmiddellijk de twee belangrijkste binnenlandse markten voor Hebreeuwse boeken gegeven: de universiteiten en de joodse gemeenschap. In 1585 verscheen het eerste Hebreeuwse boek in de Republiek. Het was een Hebreeuwse grammatica van een Franse calvinist, uitgegeven door de hoogleraar Hebreeuws te Leiden, en daar gedrukt bij een filiaal van de grote Antwerpse drukker Plantijn. Al deze feiten zijn karakteristiek voor de belangstelling voor het Hebreeuws van christelijke kant. Ten eerste was de studie van de taal nauw verbonden met het protestantisme en zo met de zaak van de Opstand. De universiteit van Leiden was opgericht om de jonge Republiek te voorzien van een geschoold protestants kader, en het boek dat Willem de Zwijger bij de oprichting aan de universiteit schonk was daarom een Biblia Regia, een uitgave van Plantijn met de Hebreeuwse, Griekse en Latijnse tekst van de bijbel. De protestanten waren er van overtuigd dat een theoloog zich in zijn werk moest baseren op de oorspronkelijke talen van de bijbel.

Plantijn, die behalve een groot drukker ook een goed zakenman was, had zijn filiaal in Leiden geopend omdat hij voorzag dat Antwerpen in het front van de oorlogshandelingen zou komen te liggen. Inderdaad werd de stad, als bekroning van een briljante veldtocht, in 1585 lange tijd belegerd en uiteindelijk heroverd door de Spaanse legeraanvoerder Parma. Dankzij Plantijns vooruitziende geest had de jonge Leidse universiteit de beschikking gekregen over een drukker, die Hebreeuws kon zetten, en zo het lesmateriaal kon verzorgen voor de studie van die taal. Het lettertype waarmee dit eerste Hebreeuwse boek gedrukt werd zou meer dan twee eeuwen het meest gebruikte blijven.

De universiteiten van Leiden en Franeker brachten generaties theologiestudenten het Hebreeuws bij met dergelijke grammatica's. Het overgrote deel van de boekproductie van beide steden bestond uit simpele inleidingen in het bijbels Hebreeuws, bedoeld om aanstaande predikanten in staat te stellen het Oude Testament in de grondtaal te lezen.

Busken Huets opmerking dat over de Nederlandse samenleving van de zeventiende eeuw iets van een Hebreeuwse tint ligt heeft betrekking op deze calvinistische concentratie op het Oude Testament en de taal waarin dat geschreven is. Het grootste monument daarvan is natuurlijk het hebra•serende taalgebruik van de Statenvertaling. Maar Ń de bibliografie van het echtpaar Fuks maakt dat bijzonder duidelijk Ń in de zeventiende eeuw zijn door christenen geen werken op het gebied van het Hebreeuws geproduceerd die een literair equivalent zijn van Rembrandts schilderijen, waarop de Amsterdamse joden zo intens en concreet afgebeeld worden.

De grote humanisten uit de eerste jaren van de Gouden Eeuw hadden wel belangstelling voor meer dan alleen het bijbels Hebreeuws. Zij namen niet alleen kennis van het Oude Testament, maar ook van de geschriften van het nabijbelse Jodendom, zoals de Mishna en Talmud. Zo moesten ze wel met de in de Republiek levende joden in contact komen, want om deze teksten te begrijpen was onderwijs van een geboren en getogen jood onmisbaar. Zelfs Scaliger, de grootste geleerde van zijn tijd, aangetrokken om door het simpele feit van zijn aanwezigheid binnen Leiden de universiteit aanzien te verschaffen, moest dat van zichzelf erkennen. Hij verheugde zich toen hij hoorde dat joden zich zouden vestigen te Haarlem, omdat hij zo een leraar zou kunnen vinden om Talmud mee te lezen.

Zoals de humanisten namen ook veel theologen les bij rabbijnen om de nabijbelse joodse literatuur te leren kennen. Maar bij geen van beide christelijke groepen leidde deze literaire kennisname en persoonlijke contacten tot een beschrijving van het eigene van het contemporaine jodendom. De humanisten gebruikten de rabbijnse literatuur voor historische studies of als achtergrond materiaal bij hun onderzoek naar het Nieuwe Testament. Ook de theologen waren in de rabbinica vooral ge•nteresseerd als hulpmiddel bij de exegese van de Bijbel, of als middel om de waarheid van het christendom en de onwaarheid van het jodendom aan te tonen. Ze zagen het jodendom als het spiegelbeeld van hun eigen opvatting van godsdienst: het aanhangen van een leer, uitgedrukt in dogma's die ontleend zouden zijn aan het Oude Testament.

Humanisten ¸n theologen zagen de rabbijnse literatuur dus alleen als een hulpmiddel voor hun eigen streven. Eigenlijk heel vreemd, of misschien zegt het iets over de macht die idee‘n hebben om te bepalen wat belangrijk genoeg gevonden wordt om over te schrijven. Iedere christelijke auteur die zich serieus met het Hebreeuws en de rabbijnse literatuur bezig hield was in contact getreden met Amsterdamse joden. Maar in hun werken liet deze persoonlijke bekendheid slechts zelden een spoor na.

En de Amsterdamse joodse gemeenschap was uniek. Haar oorsprong is in nevelen gehuld, maar het is duidelijk dat ze voornamelijk bestond uit Marranen. Marranen waren naar eigen zeggen de nakomelingen van onder dwang tot het katholicisme bekeerde joden van het Iberisch schiereiland. Na soms generaties als katholieken geleefd te hebben keerden ze in de Republiek (of elders) terug tot het jodendom. Ze zijn de nachtmerrie van een historicus. Noch op de vraag of ze werkelijk van joodse afkomst zijn, noch op die waarom ze zich tot het jodendom bekeerden kan een duidelijk antwoord worden gegeven. In ieder geval ontstond de Amsterdamse joodse gemeenschap uit joden die niet in hun jeugd diepgaand godsdienstig waren gevormd, en die vaak, omdat ze bekeerlingen waren, een grote dosis scepsis hadden ten opzichte van verschillende religieuze gedachten en handelingen.

Deze fundamentele karakteristiek verklaart de meeste kenmerken van de Amsterdamse joodse gemeenschap. Ze kende een ongemene culturele diversiteit, en werd al vanaf het begin geregeld opgeschrikt door diepgaande conflicten, waarvan de uitstoting van Spinoza alleen maar het bekendste, zeker niet het enige voorbeeld is. De belangrijkste opgave voor de religieuze leiders van de gemeenschap was dan ook het verzorgen van een godsdienstige vorming van haar leden.

In de bibliografie van het echtpaar Fuks is daar weinig van terug te vinden. Dat heeft verschillende redenen. Zij beschrijven gedrukte Hebreeuwse werken, maar een aantal van de belangrijkste vormende werken hadden betrekking op de polemiek met het christendom en circuleerden daarom alleen in handschrift. Menasseh ben Israel (1604-1657) de eerste joodse drukker van Amsterdam, kreeg rond 1635 het aanbod de Chizuq Emunah van Isaac ben Abraham van Troki te drukken. Zeer verstandig liet hij dat na. Aan dit hoogst intelligente antichristelijke werk zou Voltaire in de achttiende eeuw nog argumenten voor zijn strijd tegen de Kerk ontlenen. Toen in 1705 een christelijke geleerde een Latijnse vertaling en weerlegging van een dergelijk geschrift, de Toledot Jesu, het licht liet zien, stak er van orthodox-protestantse kant een storm van protest op. De Toledot Jesu is een polemisch leven van Jezus, waarin hij als een bedrieger en tovenaar wordt voorgesteld.

Maar ook minder polemische catechetische literatuur is zeldzaam in de bibliografie. Dat heeft een heel simpele reden. De meeste Amsterdamse joden kenden niet goed genoeg Hebreeuws om dergelijke werken anders dan in het Spaans of Portugees te lezen. Toen Menasseh in 1629 een Hebreeuws werk drukte en er twijfel over de orthodoxie van de inhoud ontstond, werd een commissie ingesteld om de tekst te onderzoeken. Menasseh's assistent moest het werk voor de commissie in het Portugees voorlezen. Menasseh, die zelf een slechtbetaalde rabbijn van een Amsterdamse gemeente was, schreef een groot aantal werken om rationalistische twijfels bij leken weg te nemen. Maar geen daarvan gaf hij zelf in het Hebreeuws uit.

Wat drukte hij dan wel in het Hebreeuws? Allereerst liturgisch materiaal. Hebreeuws was de heilige taal, en gebeden voor vastendagen, feesten en rouw werden in het Hebreeuws gelezen. Soms verschenen dergelijke boekjes tweetalig, met een parallelle Spaanse vertaling. Deze werken waren vooral bedoeld voor de Amsterdamse gemeente zelf. Maar daarnaast drukte hij werken die ge‘xporteerd moesten worden, voor de overal verspreide joodse gemeenten. Daarmee legde hij de basis voor de bloei van de joodse drukkerijen van Amsterdam, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw die van Veneti‘ weg zouden concurreren.

In dit economisch ondernemen werkten joden en christenen nauw samen. Veel uitgaven van Menasseh werden gefinancierd door christelijke zakenlieden, en hij had christelijke werklieden in dienst. Het was ook Menasseh die, na een bezoek aan de internationale boekenbeurs te Frankfurt in 1635, de Oosteuropese markt voor het Hebreeuwse boek van Amsterdam opende. Daar woonden veruit de meeste joden van Europa. Hij introduceerde ook in de Hebreeuwse boekdrukkunst het kleine "pocketbook" formaat, waarmee de Elzeviers al eerder de hele Europese markt voor klassieke literatuur veroverd hadden.

Al deze kenmerken vinden we terug bij de productie van de grootste joodse drukker uit de eerste helft van de zeventiende eeuw: Imanoel Benveniste (1608-1664). Over zijn jeugd is weinig bekend (waarschijnlijk was hij de zoon van een familie die nog als christenen op het Iberisch schiereiland leefde), maar toen hij in 1640 zijn activiteiten begon, was hij al een buitengewoon vakman. Hij drukte alle onontbeerlijke werken van de joodse literatuur, met als kroon op zijn productie een uitgave van de Babylonische Talmud in een oplage van 3000 exemplaren. Het drukken kostte drie jaar, wat voor een werk van bijna zesduizend bladzijden niet zoveel is.

De Talmud is het hart en de kern van het jodendom, de tekst waarmee het zijn identiteit meer dan duizend jaar bewaard heeft. Het werk is de neerslag van onderzoek en onderwijs in de eerste eeuwen van onze jaartelling, waarbij de bijbel werd uitgelegd met behulp van subtiele exegetische technieken, die voor een buitenstaander niet van inlegkunde te onderscheiden zijn. Het geeft een verslag van discussies over de juiste manieren van handelen: juridisch, ethisch, cultisch en ritueel. Het is niet theoretisch ge•nteresseerd. Het gaat om de praktijk, niet om speculatie. Gegeven enkele simpele noties, zoals dat God ˇˇn is, zich heeft geopenbaard en Israel heeft uitverkoren, zijn verdere speculaties over deze onderwerpen vrij. Het jodendom wordt dan ook eerder gekenmerkt door een bepaalde manier van handelen dan door het aanhangen van een leer, en de enige grote scheuring die het heeft meegemaakt Ń die van het Kara•tisme Ń ging niet over een theoretisch punt, maar over de autoriteit van de Talmud voor het handelen.

De Talmud is op geen enkele wijze systematisch, en een groot deel van de intellectuele inspanning van het jodendom in de middeleeuwen werd gestoken in het ordenen van de verschillende beslissingen op het gebied van het handelen die erin worden aangetroffen. Ook daarbij ging het bovenal om de praktijk. Benveniste gaf tal van dergelijke werken uit. Voor deze productie, en de eigenlijke aard van het jodendom die eruit spreekt, hadden de christelijke humanisten en theologen geen enkele interesse.

 

Ook de belangrijkste religieuze ontwikkeling binnen het zeventiende-eeuwse jodendom merkten ze niet op. Vanaf 1648 verschenen bij Benveniste en andere drukkers werken over de luriaanse kabbala. Dat was het resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling. De kabbala, de belangrijkste joodse vorm

van mystiek, was in de Middeleeuwen ontwikkeld in kringen van het Spaanse jodendom. Na de verdrijving van de joden uit Spanje, in 1492, werd het van een esoterische doctrine, bekend aan, en bedreven door een kleine groep religieuze virtuozen, gaandeweg tot een massabeweging die alle aspecten en groepen van het jodendom doordrong.

Dat was vooral het gevolg van de veranderingen die de zestiende-eeuwse mysticus Isaac Luria in de kabbalistische denkwereld aanbracht. Luria verhief de ballingschap en verstrooiing van de joden tot een metafysisch beginsel. Zoals Israel verspreid is onder, en gevangen door de volkeren, zo zijn de vonken van het goddelijke licht sinds een catastrofe bij de schepping gevangen in de materie. De hele geschiedenis, hier op aarde maar ook die van het Zijn als geheel, is een proces waarbij deze vonken weer verzameld worden en terugkeren in het goddelijk licht. De mens kan bijdragen aan dit proces van verlossing door bepaalde handelingen, intenties en meditaties, en Isra‘l is verstrooid om alle vonken te bevrijden. De luriaanse kabbala heeft een buitengewoon sterk messiaans karakter, omdat volgens Luria de Messias dit proces van verlossing zal voltooien.

Eerst in handschriften, later in gedrukte werken als die van Benveniste verspreidde de luriaanse kabbala zich over de hele joodse wereld, van Amsterdam tot Turkije, en van Jemen tot Noord-Afrika. Het messiaanse verlangen naar de uiteindelijke verlossing werd steeds sterker, en kreeg een sterke impuls door de verschrikkelijke pogroms in Polen en de UkraIne in 1648-49, die een diepe indruk maakten. Ook in Amsterdam werden verschillende klaagliederen en gebeden voor de slachtoffers van deze vervolgingen, waarbij tienduizenden joden gedood werden, gedrukt. De door de luriaanse kabbala opgewekte eschatologische verwachting zou zich in 1666 ontladen in de opwinding rond Shabbatai Zwi, die tot zijn bekering tot de Islam door een meerderheid van de joden als Messias erkend werd.

Deze verwachting van het einde der tijden en de uiteindelijke verlossing was in wezen een religieuze beweging, opgewekt door de indrukwekkendheid van de luriaanse mystiek en verspreid door geschriften en boeken. De messiaanse verwachting is zeker niet alleen te verklaren als een gevolg van de ellendige sociale positie van de joden. Nergens werden de joden getolereerd als in de Republiek; nergens werden ze zo in staat gesteld hun brood te verdienen en hun eigen leefwijze te volgen. Menasseh ben Israel voorzag ˇˇn van de eerste werken die hij drukte van het motto "en Israel woonde veilig" (Deut 33,28), en gaf daarmee uitdrukking aan een bij de Amsterdamse joden wijd verspreid gevoel. Toch zouden ook zij de messianistische hoop en verwachting rond Shabbatai Zwi volop delen.

 

 

 

 

Related articles:

Yosef Kaplan, From Christianity to Judaism: The Story of Isaac Orobio de Castro

R.G Fuks-Mansfeld, De Sefardim in Amsterdam tot 1795. Aspecten van een joodse minderheid in een Hollandse stad

De leermeester  van Spinoza

J.I. Israel, European Jewry in the Age of Mercantilism, 1550-1750