|
In 1696 overleed
koning Johan Sobiescki van Polen. Alle belangrijke Europese staten meenden
belang te hebben bij de verkiezing van zijn opvolger. De tegen Frankrijk
gerichte coalitie tussen Engeland, de Republiek van de Verenigde
Nederlanden en de Oostenrijkse Habsburgers besloot de kandidatuur van
August II, de keurvorst van Saksen, te steunen. Om de verkiezing van een
Fransgezinde kandidaat te verhinderen was op korte termijn veel geld nodig,
waarmee agenten van de coalitie meer Poolse edelen om zouden kunnen kopen
dan de Fransen. De taak het geld bijeen en op de juiste plaats te brengen
werd aan de 35-jarige Behrend Lehmann toevertrouwd. Hij deed een beroep op
zijn relaties, op de De Pinto's en Texeira's in Amsterdam en Hamburg, op
familieleden en zakenvrienden in Noord- en Zuid-Duitsland, zelfs op de
grote Samson Wertheimer uit Wenen. Hier konden de Fransen niet tegen op en
August won de kroon van Polen.
Behrend Lehmann was een hofjood. Hofjoden
verzorgden voor hun vorsten krediet, voorzagen in hun plotselinge behoeftes
aan baar geld, financierden hun legers en rustten die uit. Ze bewezen
onderhandse diplomatieke diensten en bevredigden de vorstelijke hang naar
luxe door hun handel in diamanten. De functie was niet van gevaar ontbloot,
maar bood de kans op aanzienlijke winsten. Anders dan de grote joodse
bankiers van anderhalve eeuw later, waren de hofjoden tevens de leiders van
de joodse gemeenschappen. Te midden van al hun luxe en rijkdom volgden ze,
uit vroomheid en om hun banden met die gemeenschappen niet door te snijden,
de traditionele joodse leefwijze. Behrend Lehmann woonde in het beste huis
van Halberstadt, reed in een koets met zes paarden, en was de trotse
bezitter van verschillende villaÕs op het platteland. Toch kleedde hij zich
traditioneel en behield zijn baard. Het verhaal gaat dat dit de keurvorst
van Saksen zo ergerde dat hij, toen Lehmann 5000 thaler geweigerd had om
hem af te laten scheren, persoonlijk een schaar pakte en gebruikte.
Jonathan Israel beschouwt de periode van de
hof joden, de tijd tussen het einde van de Dertigjarige Oorlog en dat van
de Spaanse Successieoorlog, als het hoogtepunt van de geschiedenis van het
jodendom in de vroegmoderne tijd. In de jaren tussen 1648 en 1713 oefenden
de joden hun grootste invloed in de Europese geschiedenis uit, terwijl ze
tegelijkertijd hun identiteit en onderlinge samenhang wisten te handhaven.
Zijn European Jewry in the Age of Mercantilism
biedt voor het eerst sinds lange tijd een algemeen overzicht van de
geschiedenis van de joden tussen Reformatie en Verlichting. Het is in veel
opzichten een mooi en hoogst origineel boek.
Zo legt Israel een zwaar accent op de
verschillen tussen de door hem behandelde periode en de tijd die daaraan
vooraf ging. In de middeleeuwen was West- en Midden-Europa het
belangrijkste joodse vestigingsgebied geweest. Incidentele heftige en wrede
vervolgingen Ñ de massaslachtingen in 1096 in de Rijnstreek en Bohemen
tijdens de eerste Kruistocht, en die na de Zwarte Dood in het midden van de
veertiende eeuw, de gedwongen doop van 100.000 van de Spaanse joden in 1381
Ñ waren altijd gevolgd door herstel. Engeland en Frankrijk hadden hun joden
aan het einde van de
dertiende en veertiende eeuw verdreven,
maar in Duitsland, in de Provence, in Itali‘ en op het Iberisch
schiereiland bleven talrijke joodse gemeenschappen intact. De werkelijke
verdrijving van de joden uit Europa vond plaats in de tweede helft van de
vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw. Deze jaren zagen de
ondergang van het Spaanse jodendom en het einde van de joodse aanwezigheid
in de meeste gebieden van Duitsland en Itali‘.
De Duitse joden, de Asjkenazim, vertrokken
naar Oost-Europa, vooral naar Polen; de Spaanse, de Sefardim, naar
Noord-Afrika, Itali‘, en vooral naar de Balkan en andere delen van het
Ottomaanse rijk. (Het lot van de Spaanse joden die naar Portugal vertrokken
is een verhaal apart). In deze gebieden werden de joden vanwege hun in de
hoger ontwikkelde westerse maatschappijen opgedane economische vaardigheden
verwelkomd. Ze vestigden zich in relatief dunbevolkte, economisch
onderontwikkelde streken, waar steden en een inheemse, krachtige burgerij
ontbraken. Hier vonden ze ongekende mogelijkheden tot bevolkingsgroei en economische ontplooiing. In
beide gebieden waren ze economisch meer verweven met hun omgeving dan ooit
tevoren; tegelijkertijd vormden ze een hechtere, meer op zichzelf gerichte
en homogenere gemeenschap.
(Israel is op zijn best bij de beschrijving van dergelijke
dubbelzinnigheden). In de nieuwe landen waren de joden ÔvreemdÕ op een
manier zoals ze dat in de Middeleeuwen in West- en Midden-Europa niet
geweest waren. In Polen en het Ottomaanse rijk slaagden de immigranten er
zelfs in hun eigen talen, het Duits en Spaans, op te leggen aan de inheemse
joden, die Grieks, Arabisch, Hongaars en verschillende Slavische talen
gesproken hadden.
Zo ontstond voor het eerst naast een joodse
religie een echte joodse maatschappij, met een nieuw historisch bewustzijn
en een eigen seculiere cultuur. Deze maatschappij was, ondanks haar wijde
verspreiding, verbazend homogeen. De joden vormden een eigen groep, en het
eigenlijke onderwerp van
Israel's boek is de collectieve
emancipatie die deze groep in de zeventiende eeuw bereikte.
Hij presenteert het Ñ terecht Ñ als een
succesverhaal. Na 1570 begonnen
joden uit Oost-Europa en de Levant terug te keren naar West- en
Midden-Europa. Ook uit Portugal kwamen joden. In 1492 waren de joden in
Spanje voor de keus gesteld om zich te laten dopen of in ballingschap te
gaan. De overgrote meerderheid van de nakomelingen van hen die zich lieten
dopen Ñ de Ônieuwe christenenÕ Ñ verloren hun joodse identiteit en werden
gechristianiseerd. Zo'n 70.000
Spaanse joden vertrokken naar Portugal, waar zij in 1497 onder dwang
gedoopt werden. Veel van hun nakomelingen pasten zich uiterlijk aan het christendom aan, maar
handhaafden binnen de familie hun joodse identiteit.
Voor dit verschil tussen de Spaanse en
Portugese nieuwe christenen zijn verschillende redenen te geven. De in
Portugal gedoopte joden waren al in Spanje bereid geweest ter wille van hun
identiteit in ballingschap te gaan. Anders dan in het zestiende-eeuwse
Spanje werden zij in Portugal ook na hun doop buitengesloten van alle
burgerlijke, kerkelijke en
militaire ambten, wat, zoals Spinoza al opmerkte, hun assimilatie
verhinderde. Tenslotte werd de Portugese inquisitie pas in 1540 opgericht
en was ze de eerste decennia veel minder effectief in het opsporen van
crypto-juda•sme dan de Spaanse. Rond 1570 was er waarschijnlijk een
crypto-joodse subcultuur van zo'n 50.000 zielen in Portugal. Toen de
vervolging van joodse praktijken in deze jaren feller werd, weken leden van deze groep
uit en keerden soms terug tot het openlijk belijden van hun jodendom.
De mogelijkheid daartoe werd geboden, toen aan het einde van de
zestiende eeuw verschillende gebieden in West- en Midden-Europa de
vestiging van joden weer toestonden. Dat gebeurde voornamelijk op
economische gronden. Van de joden werd verwacht dat ze zouden bijdragen aan
de welvaart van de gemeenschap. Toen in sommige gevallen bleek dat dit inderdaad het geval was, volgden
andere overheden het voorbeeld. De basis voor het joodse economische succes
werd gelegd in de eerste helft
van de zeventiende eeuw, ten tijde van de Dertigjarige Oorlog en de hervatting van de
oorlog tussen de Republiek en Spanje. De Sefardim hadden in de handel op
Portugal al een groot voordeel boven hun christelijke concurrenten, omdat
ze nauwe contacten onderhielden met hun familie- en geloofsverwanten die in
Portugal waren achtergebleven. Hun aandeel in deze handel werd tot een
monopolie toen na de hervatting van de Tachtigjarige Oorlog in 1618 de
Spaanse kroon een handelsembargo
afkondigde tegen de Republiek. Ook de Amsterdamse Sefardische joden
leden onder deze economische
oorlogsvoering, maar zij konden uitwijken naar Hamburg en slaagden er in
het embargo deels te ontduiken. De belangrijkste vrucht van het embargo was echter dat hun
gevaarlijkste concurrenten, de
Hollandse kooplieden, in de handel op Portugal en daarmee op het
Spaans-Portugese koloniale rijk geheel werden uitgeschakeld.
In Duitsland verwierven de Asjkenazim
tijdens de Dertigjarige Oorlog
de positie die hun opbloei in de tweede helft van de eeuw mogelijk ,
maakte. Hier wijkt Israel wel het radicaalst af van de traditionele
historische interpretatie. Hij geeft de nazistische historici tegen de
Duitse joodse geleerden van de negentiende en twintigste eeuw gelijk: de
joden leden veel minder onder de Dertigjarige Oorlog dan de Duitsers. Zij werden gebruikt als
leveranciers van krediet en oorlogsmateriaal, en werden daarom zowel door
de keizerlijke troepen als door de verschillende invallende legers van
Zweden, Fransen en Hollanders gespaard. In ruil voor hun diensten voorzag
men hun van steeds meer privileges en rechten. In schril contrast met het
lot van de Duitse bevolking namen de joden in aantal toe. Ze verspreidden
zich over meer gebieden en betraden nieuwe economische sectoren.
In de Oost-Europese gebieden vond de
grootste joodse bevolkingstoename plaats. Daar, met name in de Oekra•ne,
vervulden de joden vrijwel de gehele rol van een middenklasse. De
massamoorden bij de kozakkenopstand tegen de Poolse kroon in 1648 Ñ de
verschrikkelijkste gebeurtenis in de joodse geschiedenis tussen 1492 en
1933-45 Ñ betekenden volgens Israel geen keerpunt. Buiten de Oekra•ne
overleefde de grote meerderheid van de joden de slachtingen. Na 1650 ging
wel de algemene economische toestand van Polen en Litouwen achteruit, maar
niet de rol of welvaart van de joden.
In deze tijd werden de fundamenten gelegd
waarop de joden in de periode na 1648, vooral tussen 1672 en 1713, de tijd
van de grote oorlogen om de Europese hegemonie tussen Frankrijk en haar tegenstanders, hun
vooraanstaande positie konden bereiken. Zij beheersten verschillende
cruciale routes tussen het oosten en het westen, waarlangs overslaghandel
en handel in kostbare metalen en koloniale producten plaatsvond. Zo
verbonden ze de Spaanse en Portugese koloniale rijken met het handelsbereik
van Duitsland, Polen en de Levant. De unieke en nauwe samenwerking tussen
de wijd verspreide joodse gemeenschappen verschafte de grote joodse
financiers een effectiviteit en snelheid die door geen andere groep of
concurrerend netwerk ge‘venaard kon worden. De joodse welvaart ging gepaard
met een snelle bevolkingsgroei, terwijl de Europese bevolking als geheel
stagneerde of achteruitging. De joodse gemeenschappen bezaten overal vergaande autonomie. Ze hieven
belasting, kondigden eigen wetten en regels
af en oefenden hun eigen rechtspraak uit. Het bestuur van de joodse
gemeenschappen was oligarchisch en autoritair, soms despotisch. De joodse
overheden, die bestonden uit leden van de rijkste families en een enkele
universitair geschoolde arts, regeerden hun gemeenschappen met een ijzeren
hand. Ze oefenden censuur uit op te verschijnen boeken, grepen
vergaand in ieders persoonlijk
leven in, en dwongen bij gelegenheid
arme leden van de gemeenschap te emigreren. Toch stuitte hun macht
op weinig verzet. De trots op het behoren tot een eigen gemeenschap die
werkelijke macht bezat, de
noodzaak zich in een vijandige
omgeving aaneen te
sluiten, de effectieve eigen armenzorg en uitstekende andere sociale
voorzieningen, het goed geregelde onderwijssysteem, hielden de interne
samenhang van de gemeenschap in stand. Symbool van de kracht en het zelfgevoel van de joodse
gemeenschappen zijn de schitterende synagogen die de Amsterdamse joden in
de zeventiger jaren van de zeventiende eeuw lieten bouwen.
Tegen deze achtergrond van
zeventiende-eeuwse collectieve emancipatie tekent Israel de achttiende eeuw als een tijd van
verval. Niet, zoals doorgaans gebeurt, als de tijd van toenemende
integratie en tolerantie die uitliep op de individuele emancipatie. De
basis van de joodse welvaart werd door structurele economische
veranderingen aangetast en de joodse bevolkingsgroei bleef bij de algemeen
Europese ten achter. De samenhang van de gemeenschappen verviel, zodat het
respect voor de traditionele leefwijze afnam en het aantal overgangen naar het christendom snel groeide.
Naast de economische veranderingen oppert hij hiervoor twee verklaringen. .
De overheden, die in de zestiende en
zeventiende eeuw de joodse aanwezigheid tegen het traditionele verzet van
hun onderdanen hadden doorgezet, waren verder in macht gegroeid en nu
minder geneigd om
onafhankelijke en autonome gemeenschappen te tolereren. Ze ondersteunden de
samenhang van de joodse gemeenschappen niet meer, of ontbonden deze zelfs,
zodat de individuele jood een gewone burger of onderdaan zou kunnen worden.
Een tweede verklaring berust op een interne
ontwikkeling. De joodse maatschappij die in de zestiende en zeventiende
eeuw ontstond, was homogener, maar ook meer op zichzelf gericht dan ooit
tevoren. De homogeniteit blijkt uit de manier waarop haar belangrijkste
spirituele ontwikkeling, de groei en verspreiding van een nieuwe vorm van
de Spaans-joodse mystiek, zich ontlaadde in de door vrijwel alle joden
gedeelde aanvaarding van de
als Messias voorgestelde Sabbatai Zwi in 1666. Toen deze afviel van het
jodendom was de teleurstelling enorm. Rond 1700 begon men de prijs te
betalen voor het in zichzelf gekeerde karakter van de eigen cultuur, die
door de autonomie, de censuur en het eigen onderwijssysteem slechts in
geringe mate open stond voor
nieuwe idee‘n. De intellectuele dynamiek en vitaliteit namen af.
Dit innerlijk cultureel verval werd
versterkt door de invloed van de geest van de Verlichting. Haar nadruk op
het algemeen-menselijke en
redelijke was in felle tegenspraak met het particuliere en op de vervulling
van specifiek religieuze plichten gerichte karakter van de joodse
godsdienst. In het jodendom zagen de radicale philosophes een symbool van al het negatieve dat zij aan de
openbaringsgodsdiensten toeschreven. Maar ook verlichte christenen, die de
overeenstemming tussen hun geloof en de natuurwet beklemtoonden, hadden een
vanzelfsprekende animositeit tegen het traditionele jodendom als
godsdienst. Ook onder de joden zelf, en allang voor het einde van de
achttiende eeuw, verspreidde zich een dergelijke mentaliteit. In 1762 verdedigde Isaac de Pinto het
jodendom tegen de aanvallen van Voltaire. Zo'n verdediging was inmiddels
een traditioneel genre, maar De Pinto verdedigde niet meer alle joden. Hij
gaf toe dat alleen de beschaafde, baardloze Portugese joden respect
verdienen. De massa van de Asjeknazim vertoont ook in zijn ogen een
betreurenswaardig gebrek aan verfijning, cultuur en intelligentie. Hij wijt
dit alles aan de onderdrukkende christelijke samenlevingen, maar ieder
begrip voor het traditionele jodendom is bij hem verdwenen.
Israel beoordeelt deze achttiende-eeuwse
ontwikkeling, wellicht terecht, in harde woorden als verval. Wie aan de
oprechte vreugde, het enthousiasme en het gevoel in een nieuwe wereld te
leven denkt, zoals sommige joden dat aan het begin van de negentiende eeuw
in Berlijn ondervonden toen ze meenden deel te kunnen nemen aan een algemene menselijke maatschappij, oordeelt
misschien barmhartiger .
|