vanrooden@xs4all.nl

 

 

Home

Publications

Artikelen in NRC/Handelsblad

J.I. Israel, European Jewry in the Age of Mercantilism, 1550-1750, Clarendon Press 1985

Peter van Rooden

NRC/Handelsblad 4.4.1987 

In 1696 overleed koning Johan Sobiescki van Polen. Alle belangrijke Europese staten meenden belang te hebben bij de verkiezing van zijn opvolger. De tegen Frankrijk gerichte coalitie tussen Engeland, de Republiek van de Verenigde Nederlanden en de Oostenrijkse Habsburgers besloot de kandidatuur van August II, de keurvorst van Saksen, te steunen. Om de verkiezing van een Fransgezinde kandidaat te verhinderen was op korte termijn veel geld nodig, waarmee agenten van de coalitie meer Poolse edelen om zouden kunnen kopen dan de Fransen. De taak het geld bijeen en op de juiste plaats te brengen werd aan de 35-jarige Behrend Lehmann toevertrouwd. Hij deed een beroep op zijn relaties, op de De Pinto's en Texeira's in Amsterdam en Hamburg, op familieleden en zakenvrienden in Noord- en Zuid-Duitsland, zelfs op de grote Samson Wertheimer uit Wenen. Hier konden de Fransen niet tegen op en August won de kroon van Polen.

Behrend Lehmann was een hofjood. Hofjoden verzorgden voor hun vorsten krediet, voorzagen in hun plotselinge behoeftes aan baar geld, financierden hun legers en rustten die uit. Ze bewezen onderhandse diplomatieke diensten en bevredigden de vorstelijke hang naar luxe door hun handel in diamanten. De functie was niet van gevaar ontbloot, maar bood de kans op aanzienlijke winsten. Anders dan de grote joodse bankiers van anderhalve eeuw later, waren de hofjoden tevens de leiders van de joodse gemeenschappen. Te midden van al hun luxe en rijkdom volgden ze, uit vroomheid en om hun banden met die gemeenschappen niet door te snijden, de traditionele joodse leefwijze. Behrend Lehmann woonde in het beste huis van Halberstadt, reed in een koets met zes paarden, en was de trotse bezitter van verschillende villaÕs op het platteland. Toch kleedde hij zich traditioneel en behield zijn baard. Het verhaal gaat dat dit de keurvorst van Saksen zo ergerde dat hij, toen Lehmann 5000 thaler geweigerd had om hem af te laten scheren, persoonlijk een schaar pakte en gebruikte.

Jonathan Israel beschouwt de periode van de hof joden, de tijd tussen het einde van de Dertigjarige Oorlog en dat van de Spaanse Successieoorlog, als het hoogtepunt van de geschiedenis van het jodendom in de vroegmoderne tijd. In de jaren tussen 1648 en 1713 oefenden de joden hun grootste invloed in de Europese geschiedenis uit, terwijl ze tegelijkertijd hun identiteit en onderlinge samenhang wisten te handhaven. Zijn European Jewry in the Age of Mercantilism biedt voor het eerst sinds lange tijd een algemeen overzicht van de geschiedenis van de joden tussen Reformatie en Verlichting. Het is in veel opzichten een mooi en hoogst origineel boek.

Zo legt Israel een zwaar accent op de verschillen tussen de door hem behandelde periode en de tijd die daaraan vooraf ging. In de middeleeuwen was West- en Midden-Europa het belangrijkste joodse vestigingsgebied geweest. Incidentele heftige en wrede vervolgingen Ñ de massaslachtingen in 1096 in de Rijnstreek en Bohemen tijdens de eerste Kruistocht, en die na de Zwarte Dood in het midden van de veertiende eeuw, de gedwongen doop van 100.000 van de Spaanse joden in 1381 Ñ waren altijd gevolgd door herstel. Engeland en Frankrijk hadden hun joden aan het einde van de

dertiende en veertiende eeuw verdreven, maar in Duitsland, in de Provence, in Itali‘ en op het Iberisch schiereiland bleven talrijke joodse gemeenschappen intact. De werkelijke verdrijving van de joden uit Europa vond plaats in de tweede helft van de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw. Deze jaren zagen de ondergang van het Spaanse jodendom en het einde van de joodse aanwezigheid in de meeste gebieden van Duitsland en Itali‘.

De Duitse joden, de Asjkenazim, vertrokken naar Oost-Europa, vooral naar Polen; de Spaanse, de Sefardim, naar Noord-Afrika, Itali‘, en vooral naar de Balkan en andere delen van het Ottomaanse rijk. (Het lot van de Spaanse joden die naar Portugal vertrokken is een verhaal apart). In deze gebieden werden de joden vanwege hun in de hoger ontwikkelde westerse maatschappijen opgedane economische vaardigheden verwelkomd. Ze vestigden zich in relatief dunbevolkte, economisch onderontwikkelde streken, waar steden en een inheemse, krachtige burgerij ontbraken. Hier vonden ze ongekende mogelijkheden tot bevolkingsgroei  en economische ontplooiing. In beide gebieden waren ze economisch meer verweven met hun omgeving dan ooit tevoren; tegelijkertijd vormden ze een hechtere, meer op zichzelf gerichte en homogenere gemeenschap.  (Israel is op zijn best bij de beschrijving van dergelijke dubbelzinnigheden). In de nieuwe landen waren de joden ÔvreemdÕ op een manier zoals ze dat in de Middeleeuwen in West- en Midden-Europa niet geweest waren. In Polen en het Ottomaanse rijk slaagden de immigranten er zelfs in hun eigen talen, het Duits en Spaans, op te leggen aan de inheemse joden, die Grieks, Arabisch, Hongaars en verschillende Slavische talen gesproken hadden.

Zo ontstond voor het eerst naast een joodse religie een echte joodse maatschappij, met een nieuw historisch bewustzijn en een eigen seculiere cultuur. Deze maatschappij was, ondanks haar wijde verspreiding, verbazend homogeen. De joden vormden een eigen groep, en het eigenlijke  onderwerp van Israel's boek is de  collectieve emancipatie die deze groep in de zeventiende eeuw bereikte.

Hij presenteert het Ñ terecht Ñ als een succesverhaal. Na 1570 begonnen  joden uit Oost-Europa en de Levant terug te keren naar West- en Midden-Europa. Ook uit Portugal kwamen joden. In 1492 waren de joden in Spanje voor de keus gesteld om zich te laten dopen of in ballingschap te gaan. De overgrote meerderheid van de nakomelingen van hen die zich lieten dopen Ñ de Ônieuwe christenenÕ Ñ verloren hun joodse identiteit en werden gechristianiseerd.  Zo'n 70.000 Spaanse joden vertrokken naar Portugal, waar zij in 1497 onder dwang gedoopt werden. Veel van hun nakomelingen  pasten zich uiterlijk aan het christendom aan, maar handhaafden binnen de familie hun joodse identiteit.

Voor dit verschil tussen de Spaanse en Portugese nieuwe christenen zijn verschillende redenen te geven. De in Portugal gedoopte joden waren al in Spanje bereid geweest ter wille van hun identiteit in ballingschap te gaan. Anders dan in het zestiende-eeuwse Spanje werden zij in Portugal ook na hun doop buitengesloten van alle burgerlijke, kerkelijke  en militaire ambten, wat, zoals Spinoza al opmerkte, hun assimilatie verhinderde. Tenslotte werd de Portugese inquisitie pas in 1540 opgericht en was ze de eerste decennia veel minder effectief in het opsporen van crypto-juda•sme dan de Spaanse. Rond 1570 was er waarschijnlijk een crypto-joodse subcultuur van zo'n 50.000 zielen in Portugal. Toen de vervolging van joodse praktijken in deze jaren feller  werd, weken leden van deze groep uit en keerden soms terug tot het openlijk belijden van hun jodendom.

De mogelijkheid  daartoe werd geboden, toen aan het einde van de zestiende eeuw verschillende gebieden in West- en Midden-Europa de vestiging van joden weer toestonden. Dat gebeurde voornamelijk op economische gronden. Van de joden werd verwacht dat ze zouden bijdragen aan de welvaart van de gemeenschap. Toen in sommige  gevallen bleek dat dit inderdaad het geval was, volgden andere overheden het voorbeeld. De basis voor het joodse economische succes werd gelegd  in de eerste helft van de zeventiende eeuw, ten tijde van de Dertigjarige  Oorlog en de hervatting van de oorlog tussen de Republiek en Spanje. De Sefardim hadden in de handel op Portugal al een groot voordeel boven hun christelijke concurrenten, omdat ze nauwe contacten onderhielden met hun familie- en geloofsverwanten die in Portugal waren achtergebleven. Hun aandeel in deze handel werd tot een monopolie toen na de hervatting van de Tachtigjarige Oorlog in 1618 de Spaanse kroon een handelsembargo  afkondigde tegen de Republiek. Ook de Amsterdamse Sefardische joden

leden onder deze economische oorlogsvoering, maar zij konden uitwijken naar Hamburg en slaagden er in het embargo deels te ontduiken. De belangrijkste  vrucht van het embargo was echter dat hun gevaarlijkste  concurrenten, de Hollandse kooplieden, in de handel op Portugal en daarmee op het Spaans-Portugese koloniale rijk geheel werden uitgeschakeld.

In Duitsland verwierven de Asjkenazim tijdens de Dertigjarige  Oorlog de positie die hun opbloei in de tweede helft van de eeuw mogelijk , maakte. Hier wijkt Israel wel het radicaalst af van de traditionele historische interpretatie. Hij geeft de nazistische historici tegen de Duitse joodse geleerden van de negentiende en twintigste eeuw gelijk: de joden leden veel minder onder de Dertigjarige  Oorlog dan de Duitsers. Zij werden gebruikt als leveranciers van krediet en oorlogsmateriaal, en werden daarom zowel door de keizerlijke troepen als door de verschillende invallende legers van Zweden, Fransen en Hollanders gespaard. In ruil voor hun diensten voorzag men hun van steeds meer privileges en rechten. In schril contrast met het lot van de Duitse bevolking namen de joden in aantal toe. Ze verspreidden zich over meer gebieden en betraden nieuwe economische sectoren.

In de Oost-Europese gebieden vond de grootste joodse bevolkingstoename plaats. Daar, met name in de Oekra•ne, vervulden de joden vrijwel de gehele rol van een middenklasse. De massamoorden bij de kozakkenopstand tegen de Poolse kroon in 1648 Ñ de verschrikkelijkste gebeurtenis in de joodse geschiedenis tussen 1492 en 1933-45 Ñ betekenden volgens Israel geen keerpunt. Buiten de Oekra•ne overleefde de grote meerderheid van de joden de slachtingen. Na 1650 ging wel de algemene economische toestand van Polen en Litouwen achteruit, maar niet de rol of welvaart van de joden.

In deze tijd werden de fundamenten gelegd waarop de joden in de periode na 1648, vooral tussen 1672 en 1713, de tijd van de grote oorlogen om de Europese hegemonie  tussen Frankrijk en haar tegenstanders, hun vooraanstaande positie konden bereiken. Zij beheersten verschillende cruciale routes tussen het oosten en het westen, waarlangs overslaghandel en handel in kostbare metalen en koloniale producten plaatsvond. Zo verbonden ze de Spaanse en Portugese koloniale rijken met het handelsbereik van Duitsland, Polen en de Levant. De unieke en nauwe samenwerking tussen de wijd verspreide joodse gemeenschappen verschafte de grote joodse financiers een effectiviteit en snelheid die door geen andere groep of concurrerend netwerk ge‘venaard kon worden. De joodse welvaart ging gepaard met een snelle bevolkingsgroei, terwijl de Europese bevolking als geheel stagneerde of achteruitging. De joodse gemeenschappen bezaten overal  vergaande autonomie. Ze hieven

belasting, kondigden eigen wetten en regels af en oefenden hun eigen rechtspraak uit. Het bestuur van de joodse gemeenschappen was oligarchisch en autoritair, soms despotisch. De joodse overheden, die bestonden uit leden van de rijkste families en een enkele universitair geschoolde arts, regeerden hun gemeenschappen met een ijzeren hand. Ze oefenden censuur uit op te verschijnen boeken, grepen vergaand  in ieders persoonlijk leven in, en dwongen bij gelegenheid  arme leden van de gemeenschap te emigreren. Toch stuitte hun macht op weinig verzet. De trots op het behoren tot een eigen gemeenschap die werkelijke  macht bezat, de noodzaak zich in een vijandige  omgeving  aaneen te sluiten, de effectieve eigen armenzorg en uitstekende andere sociale voorzieningen, het goed geregelde onderwijssysteem, hielden de interne samenhang van de gemeenschap in stand. Symbool van de kracht en  het zelfgevoel van de joodse gemeenschappen zijn de schitterende synagogen die de Amsterdamse joden in de zeventiger jaren van de zeventiende eeuw lieten bouwen.

Tegen deze achtergrond van zeventiende-eeuwse collectieve emancipatie  tekent Israel de achttiende eeuw als een tijd van verval. Niet, zoals doorgaans gebeurt, als de tijd van toenemende integratie en tolerantie die uitliep op de individuele emancipatie. De basis van de joodse welvaart werd door structurele economische veranderingen aangetast en de joodse bevolkingsgroei bleef bij de algemeen Europese ten achter. De samenhang van de gemeenschappen verviel, zodat het respect voor de traditionele leefwijze afnam en het aantal overgangen  naar het christendom snel groeide. Naast de economische veranderingen oppert hij hiervoor twee verklaringen. .

De overheden, die in de zestiende en zeventiende eeuw de joodse aanwezigheid tegen het traditionele verzet van hun onderdanen hadden doorgezet, waren verder in macht gegroeid en nu minder geneigd  om onafhankelijke en autonome gemeenschappen te tolereren. Ze ondersteunden de samenhang van de joodse gemeenschappen niet meer, of ontbonden deze zelfs, zodat de individuele jood een gewone burger of onderdaan zou kunnen worden.

Een tweede verklaring berust op een interne ontwikkeling. De joodse maatschappij die in de zestiende en zeventiende eeuw ontstond, was homogener, maar ook meer op zichzelf gericht dan ooit tevoren. De homogeniteit blijkt uit de manier waarop haar belangrijkste spirituele ontwikkeling, de groei en verspreiding van een nieuwe vorm van de Spaans-joodse mystiek, zich ontlaadde in de door vrijwel alle joden gedeelde aanvaarding  van de als Messias voorgestelde Sabbatai Zwi in 1666. Toen deze afviel van het jodendom was de teleurstelling enorm. Rond 1700 begon men de prijs te betalen voor het in zichzelf gekeerde karakter van de eigen cultuur, die door de autonomie, de censuur en het eigen onderwijssysteem slechts in geringe  mate open stond voor nieuwe idee‘n. De intellectuele dynamiek en vitaliteit namen af.

Dit innerlijk cultureel verval werd versterkt door de invloed van de geest van de Verlichting. Haar nadruk op het algemeen-menselijke  en redelijke was in felle tegenspraak met het particuliere en op de vervulling van specifiek religieuze plichten gerichte karakter van de joodse godsdienst. In het jodendom zagen de radicale philosophes een symbool van al het negatieve dat zij aan de openbaringsgodsdiensten toeschreven. Maar ook verlichte christenen, die de overeenstemming tussen hun geloof en de natuurwet beklemtoonden, hadden een vanzelfsprekende animositeit tegen het traditionele jodendom als godsdienst. Ook onder de joden zelf, en allang voor het einde van de achttiende eeuw, verspreidde zich een dergelijke  mentaliteit. In 1762 verdedigde Isaac de Pinto het jodendom tegen de aanvallen van Voltaire. Zo'n verdediging was inmiddels een traditioneel genre, maar De Pinto verdedigde niet meer alle joden. Hij gaf toe dat alleen de beschaafde, baardloze Portugese joden respect verdienen. De massa van de Asjeknazim vertoont ook in zijn ogen een betreurenswaardig gebrek aan verfijning, cultuur en intelligentie. Hij wijt dit alles aan de onderdrukkende christelijke samenlevingen, maar ieder begrip voor het traditionele jodendom is bij hem verdwenen.

Israel beoordeelt deze achttiende-eeuwse ontwikkeling, wellicht terecht, in harde woorden als verval. Wie aan de oprechte vreugde, het enthousiasme en het gevoel in een nieuwe wereld te leven denkt, zoals sommige joden dat aan het begin van de negentiende eeuw in Berlijn ondervonden toen ze meenden deel te kunnen nemen aan een algemene  menselijke maatschappij, oordeelt misschien barmhartiger .

 

 

 

 

Related articles:

Yosef Kaplan, From Christianity to Judaism: The Story of Isaac Orobio de Castro

R.G Fuks-Mansfeld, De Sefardim in Amsterdam tot 1795. Aspecten van een joodse minderheid in een Hollandse stad

De leermeester  van Spinoza

L. Fuks, R. Fuks-Mansfeld, Hebrew Typography in the Northern Netherlands 1585-1815