vanrooden@xs4all.nl

 

 

Home

Publications

Artikelen in NRC/Handelsblad

G.T. Jensma e.a. (red.), Universiteit te Franeker 1585-1811. Bijdragen tot de geschiedenis van de Friese Hogeschool, Leeuwarden 1985

Peter van Rooden

NRC/Handelsblad 26.9.1985 

De noordelijke provincies van de Nederlanden die in de jaren zeventig van de zestiende eeuw in opstand kwamen tegen hun wettige landsheer, bezaten ondanks hun verdeeldheid en onderlinge conflicten een grote vitaliteit en scheppingsvermogen. De fundamentele instellingen die gedurende twee eeuwen de kaders vormden waarbinnen het leven van de Republiek zich zou afspelen, ontstonden toen de oorlog nog een felle strijd was rond om de opstandige steden zelf, die niet het karakter bezat van de geordende campagnes, die later ver van het hart van de Republiek plaatsvonden.

In die tijd kwam het aan op snelheid en slagvaardigheid. De universiteit te Leiden werd vier maanden na de opheffing van het beleg van die stad opgericht. Tien jaar later kreeg een van de professoren in de theologie aan de zojuist opgerichte universiteit te Franeker van een vriend de raad om zijn colleges te beginnen met de behandeling van een van de kleinere brieven uit het Nieuwe Testament. Als hij snel genoeg werkte, zou hij misschien zijn onderwerp kunnen voltooien voor het einde van de opstand in Friesland, het einde wellicht van de Friese universiteit.

Als een van de vierhonderdjarige herdenkingsbundels die deze jaren gestaag verschijnen, wordt morgen de artikelenbundel Universiteit te Franeker 1585-1811 aangeboden. Meer dan bij zijn pendant van tien jaar geleden, Leiden University in the Seventeenth Century, an Exchange of Learning, heeft de redactie gestreefd naar thematische eenheid, en ondanks het grote aantal artikelen (drie‘ndertig) is ze daar redelijk in geslaagd. Vooral het eerste deel, dat de verhouding van universiteit en maatschappij belicht, is zeer geslaagd en een stimulerend voorbeeld van moderne universiteitsgeschiedschrijving. Een tweede deel bevat artikelen over de wetenschapsgeschiedenis van de vier faculteiten: theologie, rechten, medicijnen en vrije kunsten en letteren.

Franeker en Leiden waren deel van de golf van nieuwe universiteiten van de vijftiende en zestiende eeuw, die niet meer door de universele machten van Paus en Keizer, maar door de territoriale staten gesticht werden. De nieuwe politieke machten hadden voor de ontwikkeling en opbouw van hun politieke en kerkelijke administratie een geschoold kader nodig. In de opstandige Noordelijke Nederlanden was deze behoefte nog groter dan in de Duitse staten en staatjes, die met de Vrede van Augsburg het recht verworven hadden hun eigen landskerk op te bouwen en waarvoor de universiteit een instrumentum dominationis, een middel tot heerschappij en machtsuitoefening was.

In de vroegmoderne tijd sprak het vanzelf dat de kerk een van de belangrijkste ordebewarende elementen was en iedere overheid bekommerde zich om haar opbouw, inrichting en personeel. In de Republiek leverde dat grote problemen op. De protestantse beweging in de Nederlanden was verdeeld tussen een gematigde en een radicale vleugel. De eerste, humanistisch en erasmiaans ge•nspireerd, stond een brede kerk voor, met grote dogmatische vrijheid, waarin mensen met verschillende geestelijke interessen zich thuis zouden voelen. De radicalen wilden een calvinistische kerk, die het leven en de leer van de gelovigen zou organiseren en disciplineren. Het conflict tussen beide stromingen, dat uiteindelijk de gehele staatsinrichting tot inzet had, was in Holland het scherpst. Vrijwel direct na de oprichting van de universiteit van Leiden ondernam de kerk een poging de controle over de instelling te verwerven en tot 1620 botsten staat en kerk met de universiteit als inzet.

In Friesland daarentegen werkten kerk staat bij de oprichting van de universiteit nauw samen. Dat had verschillende oorzaken. Leiden werd opgericht ten tijde van de voorbereidingen van de Pacificatie van Gent, waarbij werd gestreefd naar een compromis tussen de verschillende gewesten dat de Nederlanden tegen de landsheer (Philips II) zou verenigen: de laatste grote poging van de gematigden om de vrede te bewaren.

De stichting van Franeker vond plaats na de mislukking van de Pacificatie en het Òverraad van RennenbergÓ, de stadhouder van Groningen die die provincie terugbracht onder het bewind van Spanje. De radicalen hadden de wind in de zeilen. Het tijdsverschil komt sprekend naar voren in de formuleringen bij de oprichting. Leiden deed, met een vrome leugen, nog een beroep op de naam van Philips II, Franeker werd gesticht door de soevereine Staten van Friesland.

Bovendien waren de leiders van kerk en staat in Friesland door familiebanden, vriendschap en gedeelde ervaringen als balling veel nauwer verbonden dan in Holland. Zij vormden een resolute minderheid met dezelfde idealen. De universiteit van Franeker werd gesticht als ŽŽn van de middelen in een beschavingsoffensief, dat de snelle protestantisering van Friesland en de disciplinering en rationalisering van het leven van het volk beoogde. In dit streven konden humanisme en calvinisme uitstekend samenwerken.

De kerk wilde voor haar predikanten een moderne, wetenschappelijke opleiding, met bestudering van de Bijbel in de grondtalen. De universiteit van Franeker had dan ook, zoals die te Leiden, een uitgesproken humanistisch karakter. De artes-faculteit, die een verplichte vooropleiding voor de drie hogere faculteiten vormde, was de kern. Daar werden, met een sterk praktisch en utilitaire opzet, talen en filosofie onderwezen. Alle studenten moesten hier gevormd worden om taal en teksten actief te beheersen, zodat ze speciale problemen konden analyseren en verwerken in een betoog, dat op overtuiging gericht was. Zo toegerust konden ze het onderwijs van de hogere faculteiten volgen om daarna, welbespraakt en erudiet, de maatschappij te dienen.

Omgekeerd kon het humanisme veel van zijn idealen bij het calvinisme terugvinden. Beide stromingen deelden een afschuw van uiterlijke religieuze handelingen, bijgelovige godsdienstige voorstellingen en de ongeregelde aspecten van de volkscultuur. Het mengsel van humanistische en calvinistische elementen en de samenwerking van de kerkelijke en politieke elite verleende het ideaal dat aan de oprichting van de Franeker universiteit ten grondslag lag zijn kracht. Bij een verzoekschrift aan de Staten van Friesland in 1603 kon de hoogleraar Auletius dit ideaal zo samenvatten: ÒTegelijk wilde u bewerkstelligen dat de Staat zelf door het volkomen uitroeien van alle misbruiken in zijn luister de schoonheid van Christus' Kerk nabij zou komenÓ. Zo nauw was de samenwerking dat de mogelijkheid van uiteengroeien van kerk en staat zelfs niet in het oog kwam en in de statuten van de universiteit niets geregeld werd over invloed van de kerk.

Toch was juist de opleiding van predikanten een van de belangrijkste taken van de jonge universiteit. Aangezien, zoals men in de tijd zelf goed wist, "niemant die van sijne eigen goet studeert de Kercken te dienen begeert", vereiste deze taak een stelsel van studiebeurzen en een mensa, waarin arme studenten gratis of voor een kleine vergoeding gevoed werden. Deze instellingen waren ook van belang voor het aantrekken van buitenlandse studenten: in de ogen van de tijd een essentieel onderdeel van iedere universiteit. De opleiding die de student aan de universiteit verwierf maakte hem lid van een internationale geleerde gemeenschap en moest bij voorkeur worden afgesloten door een rondreis langs verschillende buitenlandse universiteiten.

De eerste anderhalve eeuw van haar bestaan slaagde de Franeker universiteit erin een dergelijk internationaal karakter te verwerven. Van de ongeveer 15.000 studenten die zich gedurende de bijna 250 jaar dat de universiteit bestond lieten inschrijven was een derde afkomstig uit het buitenland en een kwart uit andere provincies van de Republiek. De buitenlandse studenten kwamen vooral uit het Duitse Rijk, de landen rond de Baltische Zee en de Noordzee en uit Hongarije en Transsylvani‘. Geografische nabijheid en Ñ speciaal in het geval van de Hongaren Ñ geloofsverwantschap waren daarbij bepalende factoren. Ook de herkomst van de honderdzevenenzeventig professoren die de.

universiteit hebben gediend bevestigt het internationale element. Meer dan honderd waren van buiten Friesland afkomstig en ongeveer een derde van buiten de Republiek.

Uit de statistieken van studenten en professoren spreekt echter ook het verval. Tot 1660 groeide de universiteit. Daarna ging het, slechts onderbroken door een korte opleving rond 1700, gestaag bergaf. De studenten namen af, er kwamen minder buitenlanders, en de kwaliteit van de opleiding daalde. Pogingen het verval te stuiten bestonden vooral uit het aanstellen van beroemde docenten. Al te vaak vertrokken die naar elders. In de tweede helft van de achttiende eeuw was Franeker nog slechts een provinciale instelling.

De oorzaken van het verval waren verschillend van aard. Alle vroegmoderne universiteiten leden in de achttiende eeuw onder een achteruitgang. Niet alleen Franeker, ook de andere universiteiten van de Republiek werden minder door buitenlandse studenten bezocht. De internationale ori‘ntatie werd niet meer bereikt door persoonlijke contacten en een academische rondreis, maar met behulp van de nieuwe wetenschappelijke tijdschriften, het lidmaatschap van wetenschappelijke academies en geleerde genootschappen. In heel Europa studeerde men meer in eigen land. De nationalisering van de geleerdheid ging gepaard met een afname van het gebruik van het Latijn.

Deze ontwikkelingen markeren de teloorgang van het humanistisch onderwijsideaal. De onderdelen van de artes-faculteit, oorspronkelijk een samenhangend geheel om een algemene eruditie over te brengen, verzelfstandigden zich tot bijzondere disciplines, die vooral door technisch meesterschap gekenmerkt werden. De faculteit verloor vergaand haar karakter van een propedeuse voor de hogere

faculteiten, die alle studenten van opleiding voorzag.

Deze verandering, die een geheel ander soort universiteit vereiste, werd in Franeker door de bestuurders van de universiteit niet opgemerkt. Dat was geen toeval. De achteruitgang van de Franeker universiteit werd versterkt door bijzondere omstandigheden die eigen waren aan de Republiek en aan Friesland. De organische opvatting van staat, kerk en universiteit, die aan de oprichting van Franeker ten grondslag had gelegen verviel toen de verschillende maatschappelijke bewegingen die de jonge Republiek vormden zich verzelfstandigden. De grote verliezer daarbij was de kerk.

De laatste poging om de universiteit in dienst te stellen van het oorspronkelijke maatschappij hervormende ideaal kwam van de hoogleraren Ames en Amama, aan het eind van de twintiger jaren van de zeventiende eeuw. Hun poging mislukte: de kerk ontwikkelde zich in leerstellige richting en bezag de ontwikkelingen aan de universiteit met zorg. In 1639 nam ze de examens van de predikanten in eigen hand. Tot dan toe had de kerk ze overgelaten aan de theologische faculteit, waarop ze geen enkele formele invloed had.

Uiteraard had die vrijheid voor de universiteit goede gevolgen. De ontwikkeling van de letteren faculteit werd minder dan elders gekenmerkt door conflicten met de orthodoxie. De kerk in Friesland stond na 1672 onder ferme controle van de staat en de regenten voerden een tolerante politiek, die de positie van de heersende kerk verder verzwakte. Nieuwere stromingen, zoals de filosofie van Descartes, konden aan de universiteit vaste voet krijgen. Na 1660 was Franeker de meest cartesiaanse van de Nederlandse universiteiten. Empirische invloeden zorgden in de achttiende eeuw zelfs voor een theoretisch geformuleerd natuurwetenschappelijk onderzoeksprogramma.

De organisatie van de universiteit bleef echter bij deze ontwikkeling achter. De macht van de regenten, die door de kerkelijke invloed te breidelen de universitaire vrijheid mogelijk maakte, leidde tot een maatschappelijke verstarring en culturele verschraling die een aanpassing van de universiteit verhinderden. Meer nog dan elders raakte in Friesland de politieke macht in de handen van steeds minder families geconcentreerd, die zich afsloten van de rest van de maatschappij. De culturele nadruk kwam meer te liggen op status en decorum en het in stand houden van het bestaande. Het universitaire onderwijs werd bevestiging van status en minder een mogelijkheid tot sociale mobiliteit.

De curatoren Ñ afkomstig uit de kring der regenten Ñ stelden in de achttiende eeuw geen geld ter beschikking voor een instrumentarium, dat de theoretische aanzet voor modern natuurwetenschappelijk onderzoek had kunnen verwerkelijken. Het aantal docenten aan de letterenfaculteit, waar de werkelijke vernieuwing plaatsvond, werd verminderd. Ook hun overig beleid, dat gericht was op het in stand houden van de humanistisch-protestantse signatuur van de universiteit, was weinig slagvaardig. Vacatures werden traag vervuld door de zeer formalistische benoemingsprocedures.

De bundel geeft een uitstekend beeld van een universiteit die lange tijd een internationaal intellectueel en cultureel centrum was en die uiteindelijk teloorging in een verstarrende maatschappij. Zelfs de keizerlijke gecommitteerde Cuvier erkende de voorbije roem in zijn rapport over de staat van het Nederlandse onderwijs, dat tot de opheffing zou leiden: ÒComment les sciences et les lettres auraient-elles pŽnŽtrŽ jusqu'aux bords marŽcageux et brumeux de la Mer du Nord, isolŽs de tout le reste du continent, sans les Žtablissements de FranŽker et de Groningue?Ó

 

 

 

 

Related articles:

Anthony Grafton, New Worlds, Ancient Texts. The Power of Tradition and the Shock of Discovery

F.A. Wolf, Prolegomena to Homer (1795)

Paolo Rossi, The Dark Abyss of Time. The History of the Earth and the History of Nations from Hooke to Vico

G.T. Jensma e.a. (red.), Universiteit te Franeker 1585-1811. Bijdragen tot de geschiedenis van de Friese Hogeschool

A. Hamilton, William Bedwell the Arabist 1563-1632