|
De noordelijke
provincies van de Nederlanden die in de jaren zeventig van de zestiende
eeuw in opstand kwamen tegen hun wettige landsheer, bezaten ondanks hun
verdeeldheid en onderlinge conflicten een grote vitaliteit en
scheppingsvermogen. De fundamentele instellingen die gedurende twee eeuwen
de kaders vormden waarbinnen het leven van de Republiek zich zou afspelen,
ontstonden toen de oorlog nog een felle strijd was rond om de opstandige
steden zelf, die niet het karakter bezat van de geordende campagnes, die
later ver van het hart van de Republiek plaatsvonden.
In die tijd kwam het aan op snelheid en
slagvaardigheid. De universiteit te Leiden werd vier maanden na de
opheffing van het beleg van die stad opgericht. Tien jaar later kreeg een
van de professoren in de theologie aan de zojuist opgerichte universiteit te
Franeker van een vriend de raad om zijn colleges te beginnen met de
behandeling van een van de kleinere brieven uit het Nieuwe Testament. Als
hij snel genoeg werkte, zou hij misschien zijn onderwerp kunnen voltooien
voor het einde van de opstand in Friesland, het einde wellicht van de
Friese universiteit.
Als een van de vierhonderdjarige
herdenkingsbundels die deze jaren gestaag verschijnen, wordt morgen de
artikelenbundel Universiteit te Franeker 1585-1811 aangeboden. Meer dan bij zijn pendant van tien jaar geleden, Leiden
University in the Seventeenth Century, an Exchange of Learning, heeft de redactie gestreefd naar thematische eenheid, en ondanks
het grote aantal artikelen (drie‘ndertig) is ze daar redelijk in geslaagd.
Vooral het eerste deel, dat de verhouding van universiteit en maatschappij
belicht, is zeer geslaagd en een stimulerend voorbeeld van moderne
universiteitsgeschiedschrijving. Een tweede deel bevat artikelen over de
wetenschapsgeschiedenis van de vier faculteiten: theologie, rechten, medicijnen
en vrije kunsten en letteren.
Franeker en Leiden waren deel van de golf
van nieuwe universiteiten van de vijftiende en zestiende eeuw, die niet
meer door de universele machten van Paus en Keizer, maar door de
territoriale staten gesticht werden. De nieuwe politieke machten hadden
voor de ontwikkeling en opbouw van hun politieke en kerkelijke
administratie een geschoold kader nodig. In de opstandige Noordelijke
Nederlanden was deze behoefte nog groter dan in de Duitse staten en
staatjes, die met de Vrede van Augsburg het recht verworven hadden hun
eigen landskerk op te bouwen en waarvoor de universiteit een instrumentum
dominationis, een middel tot heerschappij en
machtsuitoefening was.
In de vroegmoderne tijd sprak het vanzelf
dat de kerk een van de belangrijkste ordebewarende elementen was en iedere
overheid bekommerde zich om haar opbouw, inrichting en personeel. In de
Republiek leverde dat grote problemen op. De protestantse beweging in de
Nederlanden was verdeeld tussen een gematigde en een radicale vleugel. De
eerste, humanistisch en erasmiaans ge•nspireerd, stond een brede kerk voor,
met grote dogmatische vrijheid, waarin mensen met verschillende geestelijke
interessen zich thuis zouden voelen. De radicalen wilden een calvinistische
kerk, die het leven en de leer van de gelovigen zou organiseren en
disciplineren. Het conflict tussen beide stromingen, dat uiteindelijk de
gehele staatsinrichting tot inzet had, was in Holland het scherpst. Vrijwel
direct na de oprichting van de universiteit van Leiden ondernam de kerk een
poging de controle over de instelling te verwerven en tot 1620 botsten
staat en kerk met de universiteit als inzet.
In Friesland daarentegen werkten kerk staat
bij de oprichting van de universiteit nauw samen. Dat had verschillende
oorzaken. Leiden werd opgericht ten tijde van de voorbereidingen van de
Pacificatie van Gent, waarbij werd gestreefd naar een compromis tussen de
verschillende gewesten dat de Nederlanden tegen de landsheer (Philips II)
zou verenigen: de laatste grote poging van de gematigden om de vrede te
bewaren.
De stichting van Franeker vond plaats na de
mislukking van de Pacificatie en het Òverraad van RennenbergÓ, de
stadhouder van Groningen die die provincie terugbracht onder het bewind van
Spanje. De radicalen hadden de wind in de zeilen. Het tijdsverschil komt
sprekend naar voren in de formuleringen bij de oprichting. Leiden deed, met
een vrome leugen, nog een beroep op de naam van Philips II, Franeker werd
gesticht door de soevereine Staten van Friesland.
Bovendien waren de leiders van kerk en
staat in Friesland door familiebanden, vriendschap en gedeelde ervaringen
als balling veel nauwer verbonden dan in Holland. Zij vormden een resolute
minderheid met dezelfde idealen. De universiteit van Franeker werd gesticht
als ŽŽn van de middelen in een beschavingsoffensief, dat de snelle
protestantisering van Friesland en de disciplinering en rationalisering van
het leven van het volk beoogde. In dit streven konden humanisme en
calvinisme uitstekend samenwerken.
De kerk wilde voor haar predikanten een
moderne, wetenschappelijke opleiding, met bestudering van de Bijbel in de
grondtalen. De universiteit van Franeker had dan ook, zoals die te Leiden,
een uitgesproken humanistisch karakter. De artes-faculteit, die een
verplichte vooropleiding voor de drie hogere faculteiten vormde, was de
kern. Daar werden, met een sterk praktisch en utilitaire opzet, talen en
filosofie onderwezen. Alle studenten moesten hier gevormd worden om taal en
teksten actief te beheersen, zodat ze speciale problemen konden analyseren
en verwerken in een betoog, dat op overtuiging gericht was. Zo toegerust
konden ze het onderwijs van de hogere faculteiten volgen om daarna,
welbespraakt en erudiet, de maatschappij te dienen.
Omgekeerd kon het humanisme veel van zijn
idealen bij het calvinisme terugvinden. Beide stromingen deelden een
afschuw van uiterlijke religieuze handelingen, bijgelovige godsdienstige
voorstellingen en de ongeregelde aspecten van de volkscultuur. Het mengsel
van humanistische en calvinistische elementen en de samenwerking van de
kerkelijke en politieke elite verleende het ideaal dat aan de oprichting
van de Franeker universiteit ten grondslag lag zijn kracht. Bij een
verzoekschrift aan de Staten van Friesland in 1603 kon de hoogleraar Auletius
dit ideaal zo samenvatten: ÒTegelijk wilde u bewerkstelligen dat de Staat
zelf door het volkomen uitroeien van alle misbruiken in zijn luister de
schoonheid van Christus' Kerk nabij zou komenÓ. Zo nauw was de samenwerking
dat de mogelijkheid van uiteengroeien van kerk en staat zelfs niet in het
oog kwam en in de statuten van de universiteit niets geregeld werd over
invloed van de kerk.
Toch was juist de opleiding van predikanten
een van de belangrijkste taken van de jonge universiteit. Aangezien, zoals
men in de tijd zelf goed wist, "niemant die van sijne eigen goet
studeert de Kercken te dienen begeert", vereiste deze taak een stelsel
van studiebeurzen en een mensa, waarin arme studenten gratis of voor een
kleine vergoeding gevoed werden. Deze instellingen waren ook van belang
voor het aantrekken van buitenlandse studenten: in de ogen van de tijd een
essentieel onderdeel van iedere universiteit. De opleiding die de student
aan de universiteit verwierf maakte hem lid van een internationale geleerde
gemeenschap en moest bij voorkeur worden afgesloten door een rondreis langs
verschillende buitenlandse universiteiten.
De eerste anderhalve eeuw van haar bestaan
slaagde de Franeker universiteit erin een dergelijk internationaal karakter
te verwerven. Van de ongeveer 15.000 studenten die zich gedurende de bijna
250 jaar dat de universiteit bestond lieten inschrijven was een derde
afkomstig uit het buitenland en een kwart uit andere provincies van de
Republiek. De buitenlandse studenten kwamen vooral uit het Duitse Rijk, de
landen rond de Baltische Zee en de Noordzee en uit Hongarije en
Transsylvani‘. Geografische nabijheid en Ñ speciaal in het geval van de
Hongaren Ñ geloofsverwantschap waren daarbij bepalende factoren. Ook de
herkomst van de honderdzevenenzeventig professoren die de.
universiteit hebben gediend bevestigt het
internationale element. Meer dan honderd waren van buiten Friesland
afkomstig en ongeveer een derde van buiten de Republiek.
Uit de statistieken van studenten en
professoren spreekt echter ook het verval. Tot 1660 groeide de
universiteit. Daarna ging het, slechts onderbroken door een korte opleving
rond 1700, gestaag bergaf. De studenten namen af, er kwamen minder
buitenlanders, en de kwaliteit van de opleiding daalde. Pogingen het verval
te stuiten bestonden vooral uit het aanstellen van beroemde docenten. Al te
vaak vertrokken die naar elders. In de tweede helft van de achttiende eeuw
was Franeker nog slechts een provinciale instelling.
De oorzaken van het verval waren
verschillend van aard. Alle vroegmoderne universiteiten leden in de
achttiende eeuw onder een achteruitgang. Niet alleen Franeker, ook de
andere universiteiten van de Republiek werden minder door buitenlandse
studenten bezocht. De internationale ori‘ntatie werd niet meer bereikt door
persoonlijke contacten en een academische rondreis, maar met behulp van de
nieuwe wetenschappelijke tijdschriften, het lidmaatschap van
wetenschappelijke academies en geleerde genootschappen. In heel Europa
studeerde men meer in eigen land. De nationalisering van de geleerdheid
ging gepaard met een afname van het gebruik van het Latijn.
Deze ontwikkelingen markeren de teloorgang
van het humanistisch onderwijsideaal. De onderdelen van de artes-faculteit,
oorspronkelijk een samenhangend geheel om een algemene eruditie over te
brengen, verzelfstandigden zich tot bijzondere disciplines, die vooral door
technisch meesterschap gekenmerkt werden. De faculteit verloor vergaand
haar karakter van een propedeuse voor de hogere
faculteiten, die alle studenten van
opleiding voorzag.
Deze verandering, die een geheel ander
soort universiteit vereiste, werd in Franeker door de bestuurders van de
universiteit niet opgemerkt. Dat was geen toeval. De achteruitgang van de
Franeker universiteit werd versterkt door bijzondere omstandigheden die
eigen waren aan de Republiek en aan Friesland. De organische opvatting van
staat, kerk en universiteit, die aan de oprichting van Franeker ten
grondslag had gelegen verviel toen de verschillende maatschappelijke
bewegingen die de jonge Republiek vormden zich verzelfstandigden. De grote
verliezer daarbij was de kerk.
De laatste poging om de universiteit in
dienst te stellen van het oorspronkelijke maatschappij hervormende ideaal
kwam van de hoogleraren Ames en Amama, aan het eind van de twintiger jaren
van de zeventiende eeuw. Hun poging mislukte: de kerk ontwikkelde zich in
leerstellige richting en bezag de ontwikkelingen aan de universiteit met
zorg. In 1639 nam ze de examens van de predikanten in eigen hand. Tot dan
toe had de kerk ze overgelaten aan de theologische faculteit, waarop ze
geen enkele formele invloed had.
Uiteraard had die vrijheid voor de
universiteit goede gevolgen. De ontwikkeling van de letteren faculteit werd
minder dan elders gekenmerkt door conflicten met de orthodoxie. De kerk in
Friesland stond na 1672 onder ferme controle van de staat en de regenten
voerden een tolerante politiek, die de positie van de heersende kerk verder
verzwakte. Nieuwere stromingen, zoals de filosofie van Descartes, konden
aan de universiteit vaste voet krijgen. Na 1660 was Franeker de meest
cartesiaanse van de Nederlandse universiteiten. Empirische invloeden
zorgden in de achttiende eeuw zelfs voor een theoretisch geformuleerd
natuurwetenschappelijk onderzoeksprogramma.
De organisatie van de universiteit bleef
echter bij deze ontwikkeling achter. De macht van de regenten, die door de
kerkelijke invloed te breidelen de universitaire vrijheid mogelijk maakte,
leidde tot een maatschappelijke verstarring en culturele verschraling die
een aanpassing van de universiteit verhinderden. Meer nog dan elders raakte
in Friesland de politieke macht in de handen van steeds minder families
geconcentreerd, die zich afsloten van de rest van de maatschappij. De culturele
nadruk kwam meer te liggen op status en decorum en het in stand houden van
het bestaande. Het universitaire onderwijs werd bevestiging van status en
minder een mogelijkheid tot sociale mobiliteit.
De curatoren Ñ afkomstig uit de kring der
regenten Ñ stelden in de achttiende eeuw geen geld ter beschikking voor een
instrumentarium, dat de theoretische aanzet voor modern
natuurwetenschappelijk onderzoek had kunnen verwerkelijken. Het aantal
docenten aan de letterenfaculteit, waar de werkelijke vernieuwing
plaatsvond, werd verminderd. Ook hun overig beleid, dat gericht was op het
in stand houden van de humanistisch-protestantse signatuur van de
universiteit, was weinig slagvaardig. Vacatures werden traag vervuld door
de zeer formalistische benoemingsprocedures.
De bundel geeft een uitstekend beeld van
een universiteit die lange tijd een internationaal intellectueel en
cultureel centrum was en die uiteindelijk teloorging in een verstarrende
maatschappij. Zelfs de keizerlijke gecommitteerde Cuvier erkende de
voorbije roem in zijn rapport over de staat van het Nederlandse onderwijs,
dat tot de opheffing zou leiden: ÒComment les sciences et les lettres
auraient-elles pŽnŽtrŽ jusqu'aux bords marŽcageux et brumeux de la Mer du
Nord, isolŽs de tout le reste du continent, sans les Žtablissements de
FranŽker et de Groningue?Ó
|