|
Zorg voor het
algemeen welvaren
Holland gold in deze periode internationaal
als een voorbeeld van een welgereguleerde samenleving. Er werd dan vooral
gekeken naar haar steden. Binnen het culturele klimaat van de Renaissance
was een beeld ontworpen van een ideale stad. In bouwkundig opzicht hoorde
dit een harmonieus ingerichte openbare ruimte te zijn, die een zekere
schoonheid bezat, een duidelijk bestuurlijk centrum had en ook goed
verdedigbaar was, waarbinnen ruimte was voor alle economische functies die
een stad welvarend maakten, en waar ook oog was voor een gezond klimaat,
met voldoende licht en lucht. Parallel aan dit architectonische ideaalbeeld
kende deze tijd een ideaal beeld van een goed bestuur, dat zorg droeg voor
het Ôgemene welvarenÕ. Een goed gebouwde omgeving droeg bij aan het gemene
welvaren, maar daarnaast waren regulering van het economisch leven, een
stelsel van sociale zorg, bescherming van de godsdienst, en het handhaven
van orde en openbare zedelijkheid nodig. In dit hoofdstuk zal de nadruk vooral liggen op de zorg voor de
armen, maar die stond voor de tijdgenoot niet op zichzelf. Sociale zorg was
een onderdeel van een veel breder geheel van zorg voor het algemeen
welvaren.
Naar het oordeel van buitenlandse bezoekers
had Holland al deze zaakjes op voorbeeldige wijze op orde. Ook Italiaanse
en Franse steden konden zich laten voorstaan op hun stedeschoon en ook zij
hadden doorgaans monumentaal gehuisveste liefdadige instellingen en
effectieve programmaÕs voor de disciplinering van werkloze armen.
Maatregelen tegen pest en honger werden door overheden overal
uitgevaardigd, en liefdadigheid overal in Europa bedreven. Toch benijdden
de Engelsen de Hollanders hun schone, geplaveide straten en goed
geoutilleerde havens en kaden. De wijze waarop men in Holland probleemloos met een grote
reigieuze diversiteit wist te leven wekte alom verwondering, evenals de
goede organisatie van de armenzorg. Met enige afgunst vergeleek men de
Engelse armenzorg, voor zijn tijd heel modern en gefinancierd uit een
armenbelasting, met de Hollandse, die er met behulp van louter vrijwillige
giften in slaagde royaler, effectiever en ook nog eens gunstiger voor de
plaatselijke economie te zijn. Ook de Hollandse werkhuizen, waar armen
gedeeltelijk vrijwillig werk vonden, slaagden er beter in de armen te
disciplineren en aan te zetten een deel van hun onderhoud zelf te
verdienen, dan de Engelse met hun gedwongen tewerkstelling en hun
onaangenaam regime. In het Duitse Rijk werden werkhuizen gesticht naar Hollands
voorbeeld en Duitse pi‘tisten kwamen in Holland informeren naar de beste
manier om een weeshuis in te richten.
Parochie en armen
Het vroegmoderne systeem van
ge•nstitutionaliseerde armenzorg bouwde in de Republiek, zoals overal
elders, voort op een middeleeuwse erfenis. Christelijk Europa deelde
traditioneel de armen in volgens bijbelse categorie‘n. Altijd waren er
hongerigen die gevoed, dorstigen die gelaafd, naakten die gekleed en
vreemdelingen die geherbergd moesten worden. Zieken en gevangenen behoefden
troostrijk bezoek en doden een eerlijke begrafenis. Weduwen, wezen en
vreemdelingen waren in de goede zorgen van overheden en individuen
nadrukkelijk aanbevolen. Aalmoezen geven was een verdienstelijk werk. Voor
meer dan incidentele giften konden armen bovendien een beroep doen op de
parochie. Inwoners van de eigen parochie gingen daarbij voor. Dat wil niet
zeggen dat deze middeleeuwse armenzorg per se een kerkelijk karakter droeg.
Wie een omvangrijke gift, bij leven of bij testament, wilde bestemmen voor
structurele, of zelfs ÔeeuwigdurendeÕ hulp aan de armen kon daarmee het
best terecht bij de parochie, de kerkmeesters, een geestelijk gilde of een
stadsbestuur. Alleen dergelijke colleges konden enige garantie bieden voor
een permanent karakter van de liefdadige stichting.
In de Nederlanden waren al in de late
middeleeuwen de permanente instellingen voor de armen zelfstandige
stichtingen geworden, met een eigen bestuur. In dorpen waren de fondsen
voor het onderhoud van het kerkgebouw en de armen vaak samen in handen van
de kerkmeesters, in steden functioneerden aparte colleges van kerkmeesters
en huiszittenmeesters. De laatsten zorgden voor de armen die zelfstandig
woonden maar door ziekte, gebreken, ouderdom of een groot kindertal niet
voldoende konden verdienen om van rond te komen. Deze meesters werden
gerecruteerd uit de plaatselijke elite. Zij beheerden de inkomsten van het
armenfonds en ondersteunden daarmee, eventueel samen met de pastoor, de
armen van de parochie. Aangezien het fonds vaak werd begiftigd met legaten,
die niet alleen bestemd waren voor de armen, maar ook voor memoriemissen
voor de zielerust van de overledene, waren de huiszittenmeesters nauw aan
de parochiekerk verbonden.
De uitdelingen van de huiszittenmeesters
konden incidenteel zijn, bij ziekte of kraambed, of voor een langere tijd.
Sommige, bevoorrechte armen kregen levenslang recht op regelmatige
uitdelingen aan voedsel en kleding. Die uitdelingen werden wel ÔprovenÕ
genoemd, en de ontvangers heetten daarnaar ÔproveniersÕ. Voor hen was er,
naast de huiszittenmeesters, vaak een apart college van Heilige
Geest-meesters. Dezen hadden in veel plaatsen ook de zorg voor
weeskinderen, verlaten kinderen en vondelingen, die zij bij pleeggezinnen
uitbesteedden, of waarvoor zij in een enkel geval een eigen huis hadden.
Ook particuliere weldoeners konden ÔprovenÕ stichten. Rijke weldoeners
stichtten hofjes, bestaande uit kleine huisjes of ÔkamertjesÕ,
aaneengesloten in een rijtje of rond een bleekveldje, en afgesloten van de
publieke weg door een poort. De prove bestond dan uit kosteloze bewoning
van een huisje en vaak enige wintervoorraad of een wekelijkse gift, en van
de begunstigden werd verwacht dat ze deugdzaam zouden leven en voor de
zielenrust van de stichter zouden bidden. Sommige hofjes hadden daartoe een
eigen kapelletje, wat deze besloten woongemeenschappen een enigszins
kloosterachtig karakter gaf.
De zorg van huiszittenmeesters,
Heilige-Geestmeesters en hofjes was gereserveerd voor gevestigde inwoners. Doortrekkende
armen zoals pelgrims, soldaten, studenten en zwervende bedelaars waren
aangewezen op het bedelen van aalmoezen. Zij konden gratis overnachten in
het gasthuis, en wanneer zij ziek of gewond waren konden zij daar ook
verpleegd worden. Voor dat laatste doel namen gasthuizen behalve
vreemdelingen ook arme inwoners op, die zich geen zorg aan huis konden
veroorloven. Sommige gasthuizen specialiseerden zich in ziekenzorg, zoals
bijvoorbeeld het Leidse Katherijnegasthuis, en het Schiedamse Sint-Jacobs
gasthuis, maar dat was lang niet overal het geval. Sommige steden hadden
verschillende gasthuizen, die dan bijvoorbeeld, zoals in Alkmaar, de
mogelijkheid boden mannen en vrouwen apart onder te brengen. Voor melaatsen, pestlijders en krankzinnigen waren vaak
afzonderlijke ruimtes beschikbaar, waarin zij afgezonderd konden worden en
een elementaire verzorging konden krijgen. Soms waren deze ruimtes
verbonden aan het gasthuis, maar voor melaatsen of, zoals zij doorgaans
genoemd werden, leprozen, waren in sommige steden aparte leprozerie‘n
ingericht, buiten de stadsmuren.
Veel gasthuizen ontwikkelden zich al aan
het einde van de middeleeuwen tot proveniershuizen. Proveniers waren mensen
die enig vermogen hadden, en zich daarmee inkochten in een gasthuis. Voorwaarde
was dat zij, met enige hulp, nog zelfstandig konden wonen. Het
provenierschap bood hen levenslang de garantie van huisvesting, een
behoorlijk levensonderhoud en zonodig verzorging en een decente begrafenis.
De inkoopsommen van de proveniers, vermeerderd met giften en legaten,
stelden de gasthuizen in staat een kapitaal te vormen, uit de inkomsten
waarvan, naast de betalende proveniers vaak ook nog armen Ôpro deoÕ in het
huis onderhouden konden worden. Een enkele keer namen de gasthuizen ook
weeskinderen op. De zwervers en passanten hadden voor hun overnachting
overal een aparte ruimte, de baaierd, zodat de rust van de vaste bewoners
niet al te zeer verstoord werd door dit varende volk.
Huiszittenmeesters, Heilige-Geestmeesters,
hofjes en gasthuizen deelden de zorg voor verschillende soorten armen. De
precieze taakverdeling kon enigszins overlappen, en bovendien van plaats
tot plaats verschillen. Naast deze zelfstandige stichtingen bestonden er
ook nog allerlei uitdelingen waarvan armen incidenteel konden profiteren.
Kloosters deden regelmatige uitdelingen van voedsel aan zowel plaatselijke
als rondtrekkende armen. Gilden steunden hun leden wanneer die door ziekte
of ouderdom inkomsten derfden. Veel welgestelden bepaalden in hun testament
dat er bij hun begrafenis en bij de latere memoriediensten brood aan de
armen moest worden uitgedeeld. Van deze armen werd verwacht dat zij in ruil
voor deze gift voor de ziel van de overledene zouden bidden. Daarnaast was
elk christenmens verplicht aalmoezen te geven aan medemensen in nood, aan
familie, vrienden en buren, maar ook aan vreemdelingen. Dat maakt een strak
overzicht over de traditionele armenzorg wat rommelig, maar in principe
bestond er plaatselijk een min of meer samenhangend geheel van
voorzieningen voor de leniging van verschillende soorten armoede.
In de eerste decennia van de zestiende eeuw
begonnen vooral steden dit gaandeweg gegroeide systeem van
armenvoorzieningen steeds nadrukkelijker af te schermen tegen vreemde armen
en zwervende bedelaars. Vooral het geven van aalmoezen op straat, aan de
deuren en bij het uitgaan van kerken werd nauwer aan banden gelegd.
Stadsbesturen zagen het varende volk dat voor zijn onderhoud op het bedelen
van aalmoezen was aangewezen als een ordeprobleem, en bovendien zagen zij
de liefdadigheid van de burgerij liever ten goede komen aan de eigen,
gevestigde, armen. Verschillende steden experimenteerden met reglementen,
waarin bedelarij geheel verboden werd, niet alleen voor vreemdelingen, maar
ook voor de eigen armen. Voor de eigen armen moest op een structurele
manier gezorgd worden. Deze zorg moest gefinancierd worden uit de
opbrengsten van alle bestaande liefdadige fondsen gezamenlijk, die daartoe
werden samengevoegd in een centrale ÔarmenkistÕ. Een centraal fonds kon zuinig
en effici‘nt werken. Waar de inkomsten van de armenkist tekort schoot
organiseerde het stadsbestuur regelmatige collectes, in de kerkdiensten of
langs de deuren. Zo hoefden de plaatselijke armen ook niet meer te bedelen,
en konden vreemdelingen makkelijk van de straat geplukt en de stad uitgezet
worden, eventueel met een aalmoes voor onderweg.
Deze experimenten waren tamelijk
controversieel. Zij vormden een inbreuk op het traditionele recht van armen
om aalmoezen te vragen en de plicht van goede christenen om die aalmoezen
te geven waar ze nodig waren. Het nieuwe systeem sloot het geven aan de
armen niet uit, maar beperkte wel de vrijheid van armen om te bedelen. Het
werd hun onder het nieuwe systeem praktisch onmogelijk gemaakt hun eigen
parochie te verlaten. Dat was juist voor stadsbesturen, die orde en rust in
hun jurisdictie wensten te handhaven, bijzonder aantrekkelijk. De nieuwe
armenreglementen vonden dan ook een gunstig onthaal in plaatsen en streken
waar arbeidsmigratie van armen een zekere omvang bereikte.
De Zuidelijke Nederlanden waren zoÕn
streek. Verschillende steden voerden armenwetten volgens het nieuwe model
in, en in 1531 vaardigde de landsheer, keizer Karel V, een edict uit waarin
deze regelingen voor heel de Nederlanden werden voorgeschreven. Het edict
verbood arme mensen hun woonplaats te verlaten, behalve bij calamiteiten
als oorlog, overstroming of brand, en verplichtte de parochies om op een of
andere manier alle inwonende armen naar behoren te ondersteunen. Bestaande
fondsen moesten zo efficient mogelijk gebruikt worden, en schoot de
opbrengst ervan tekort, dan moesten plaatselijke besturen ervoor zorgen dat
het ontbrekende door de gegoede ingezetenen werd opgebracht. Mensen die
verhuisd waren naar een andere parochie en daar verarmden door ziekte of
andere oorzaken mochten pas een beroep op de armenzorg van hun nieuwe
woonplaats doen nadat ze er een jaar zelfstandig hadden gewoond. Wie zonder
noodzaak het land afschuimde en op de zak van de bevolking wilde leven
moest streng gestraft worden.
Liefdadigheid en burgerlijke trots
V——r Opstand en Reformatie lijkt in Holland
nauwelijks uitvoering gegeven te zijn aan het edict van 1531. Bedelverboden
zijn uit de eerste helft van de zestiende eeuw incidenteel bekend, maar
opzettelijke samenvoeging van armenfondsen nauwelijks. Veranderingen in het systeem van
armenzorg lijken op de meeste plaatsen pas gaandeweg te zijn ingevoerd, en
vaak niet veel eerder dan in de jaren 1595-1600, toen economische crisis
tot reorganisaties noopte. Praktische omstandigheiden waren hierbij waarschijnlijk van
doorslaggevend belang. Niet alleen in Holland, maar overal in West-Europa
lukte de reorganisatie van de armenzorg het gemakkelijkst waar, als gevolg
van de invoering van de Reformatie, stadsbesturen de beschikking hadden
over geconfisqueerd kerkelijke goederen. Hiermee konden liefdadige
instellingen en fondsen vergroot worden en werd een sluitende zorg voor
plaatselijke armen mogelijk. Ook de afwijzing van goede werken als
voorwaarde voor het zielenheil, die het geven van individuele aalmoezen een
religieuze waarde had gegeven zal een rol gespeeld hebben. In plaats van
een religieuze verplichting maakte men het geven van regelmatige giften in
door de huiszittenmeesters gehouden huis-aan-huiscollectes tot een
eenvoudige burgerplicht.
Opstand en Reformatie vormden in de
armenzorg in de Noordelijke Nederlanden dan ook geen scherpe cesuur. Veel
van de hierboven genoemde instellingen bleven gewoon bestaan, zij het dat
de memoriefunctie die aan bepaalde vormen van armenzorg verbonden was
geweest kwam te vervallen. Gast- en weeshuizen kregen van stadsbesturen
vaak de beschikking over ruimere behuizingen in de door opheffing van de
kloosters vrijgekomen gebouwencomplexen. Verschillende liefdadige
stichtingen en armvoogdijen kregen inkomsten uit geestelijke goederen
toegewezen Ñ welke instellingen dat waren verschilde weer per stad. Mede
daardoor versterkten lokale besturen hun controle over het geheel van de
armenzorg. Zij kregen niet alleen in de afzonderlijke instellingen vaak
meer te zeggen, maar namen ook een cošrdinerende taak op zich. Zij wierpen
zich nadrukkelijk op als opperste voogden van de armen. Dat vloeide voort
uit het vroegmoderne ideaal van een welgeordende samenleving. Armenzorg
werd in deze tijd steeds sterker verbonden met het bewaken van de openbare
orde. Met een vanaf het einde van de zestiende tot diep in de zeventiende
eeuw steeds uitbreidend scala aan armeninstellingen viel er ook steeds meer
te cošrdineren.
Diakenen en huiszittenmeesters
Een nieuwe armvoogdij die onmiddellijk bij
de Opstand op het toneel verscheen was de gereformeerde diaconie. De
gereformeerde kerk die na 1572 in Holland publieke kerk werd, had in de
voorliggende decennia haar kerkelijke organisatie ontwikkeld in vluchtelingengemeenten
in Engeland en het Duitse Rijk. Deze vluchtelingenkerken hadden in den
vreemde eigen armenvoorzieningen gevormd, de diaconie‘n, die lidmaten van
de kerkelijke gemeente in geval van armoede ondersteunden. De steden die de
vluchtelingenkerken binnen hun muren toelieten stelden het bezit van een
eigen diaconie dikwijls als voorwaarde, opdat de ballingen niet ten laste
zouden komen van de armenzorg ter plaatse, die in eerste instantie bestemd
was voor de eigen inwoners. Eenmaal gevestigd in Holland wist de
gereformeerde kerk slechts een minderheid van de bevolking tot het
lidmaatschap te trekken. De gereformeerde diaconie bleef aanvankelijk
bestemd voor deze lidmaten, en opereerde dus naast de plaatselijke
huiszittenmeesters. In een aantal steden werden huiszittenmeesters en
diakenen na verloop van tijd samengevoegd in een centraal armenbestuur. De
vorm waarin dat gebeurde was weer niet overal hetzelfde. In Leiden gingen
in 1582 de drie colleges van huiszittenmeesters van de voormalige drie
stadsparochies en de diaconie op in het Huiszittenhuis, dat gereformeerden
en niet-gereformeerde armen zonder aanzien van religie bedeelde. Ook in
Delft kwam het tot een volledige fusie in de Kamer van Charitate (1613). In
Rotterdam bedeelden de diakenen alle stedelijke armen. In Enkhuizen en
Schiedam daarentegen was slechts sprake van gedeeltelijke samenwerking, en
behielden diakenen en huiszittenmeesters elk een aparte administratie. In
een aantal steden, zoals bijvoorbeeld Amsterdam, bleven zij volledig
gescheiden. In de dorpen is eenzelfde variatie in samenwerkingsvormen te
zien. Lokale besturen hadden overal een beslissende stem in de onderlinge
verhouding van kerkelijke en algemene armenzorg en hielden ook toezicht op
de onderlinge taakafbakening.
Algemene en kerkelijke verzorgers van
huiszittende armen werden als vanouds gerecruteerd uit de plaatselijke
elite. Zij deden het werk van armbestuurder als een ereambt, zonder dat ze
ervoor werden betaald en voortvloeiend uit hun verantwoordelijkheid voor
het algemeen welzijn. Armbestuurder zijn was echter geen sinecure: zij
inden en administreerden de inkomsten van de onroerende goederen en moesten
regelmatig processen voeren over erfenissen of eigendommen. Graan, textiel
en turf kochten zij in het groot in, tegen een zo gunstig mogelijke prijs.
De voorraden moesten daarna opgeslagen en beheerd, er moesten contracten
worden gesloten met bakkers en naaisters om brood en kleding voor de armen
te maken, en op dit alles moest ook worden toegezien. Minstens wekelijks
was er spreekuur voor armen die bedeling kwamen vragen, en al die verzoeken
moesten woren beoordeeld. Zij registreerden alle bedeelden op lijsten, die
uiteraard regelmatig herzien en aangevuld moesten worden. Doorgaans waren
er geen standaard-uitdelingen, maar kreeg iedereen juist wat in zijn of
haar specifieke omstandigheden nodig was om het hoofd boven water te kunnen
houden. Armen moesten regelmatig bezocht worden om te controleren of ze de
hun toegezegde bedeling goed gebruikten en wel werkelijk nodig hadden, of
hun omstandigheden niet inmiddels verbeterd waren en ze dus geen
ondersteuning meer nodig hadden. Een deel van het werk kon worden
uitbesteed: zo was er voor het huisbezoek vaak een knecht en waren er
aparte collectanten voor de collectes, maar door alle moeite die er,
ondanks dat, aan verbonden bleef was het armbestuur bepaald niet het meest
begeerde publieke ambt. Het gold vaak wel als opstapje naar iets beters, en
gaf algemene armvoogden en gereformeerde diakenen in ieder geval het recht
op eenplaats in de prestigieuze ÔherenbankenÕ in de publieke kerk.
Aanzienlijker waren de bestuursfuncties in gast- en weeshuizen, waar iets
minder werk aan verbonden was, en die dan ook vaak door zittende regenten
en hun vrouwen bekleed werden.
Gevestigde arme inwoners die lid waren van
andere geloofsgemeenschappen dan de gereformeerde kerk konden een beroep
blijven doen op de huiszittenmeesters. Gaandeweg hebben echter ook de
getolereerde kerken eigen diaconie‘n gevormd. Aanvankelijk waren die niet
in staat al hun armen in voldoende mate te ondersteunen. Het was
getolereerde gezindheden niet toegestaan eigendommen te bezitten of fondsen
te vormen. Dat verbod werd wel ontdoken door onroerend goed of renten op
naam van particulieren te zetten, maar uiteindelijk bleven zij vergaand
afhankelijk van de liefdadigheid van rijkere particulieren van hun
gemeente. Dat veranderde rond het midden van de zeventiende eeuw.
Stadsbesturen begonnen er toen op aan te dringen dat kerkelijke gemeenten
voor hun eigen armen zouden zorgen. Dat kon aanvankelijk niet in de vorm
van een geheel zelfstandige, en officieel erkende, confessionele
armvoogdij. Instellingen van getolereerde kerken hadden geen
rechtspersoonlijkheid. In 1623 werd bijvoorbeeld de doopsgezinden van
Haarlem en Alkmaar nog het recht ontzegd een erfenis en behoeve van hun
armen te aanvaarden, omdat ze Ôonwettige vergaderingenÕ waren.
Van de getolereerde gezindheden werd wel
eens verwacht dat zij uit kerkcollectes of anderszins een bijdrage aan de
algemene armenzorg zouden leveren, die immers ook hun armen bedeelde. In
het overwegend katholieke Heemstede werd apart gecollecteerd onder
katholieken en onder de rest van de dorpsbevolking, en de opbrengst van
beide collectes werd in de kas van de algemene armvoogdij gestort. Zo kon
men erop toezien dat de katholieken naar vermogen bijdroegen. Rond het
midden van de zeventiende eeuw lijken stadsbesturen er overal op
aangedrongen te hebben dat getolereerde kerkelijke gemeenten de gehele zorg
over al hun armen op zich namen. Vanaf de jaren 1650 moesten de Haarlemse
katholieken gaan bijdragen aan het onderhoud dat de aalmoezeniers aan hun
armen verschaften. Geleidelijkaan werd deze bijdrage in mindering gebracht
op de recognitiegelden die zij in ruil voor tolerantie aan de schout afdroegen.
In Amsterdam dreigde het stadsbestuur met het uitzetten van arme bejaarde
lutheranen wanneer de gemeente niet zelf aan hun onderhoud bijdroeg. Naarmate de getolereerde kerken meer bereid en in staat waren de
zorg voor hun eigen armen geheel te dragen werd plaatselijk toestemming
gegeven voor het oprichten van eigen fondsen en instellingen. Al in de
jaren 1670 verrezen de eerste lutherse en doopsgezinde weeshuizen, en vanaf
1715 werd het openlijk vormen van eigen armenfondsen zelfs toegestaan aan
katholieke gemeenten, die altijd aan de strengste beperkingen waren
onderworpen.
De zorg voor de huiszittende armen werd zo
in de loop van de zeventiende eeuw verdeeld over algemene en kerkelijke
armvoogdijen, waarbij de grenzen duidelijk getrokken waren. Kerklidmaatschap,
of het ontbreken daarvan, bepaalde waar iemand kon aankloppen voor hulp.
Tegen het einde van de achttiende eeuw blijkt dat deze kerkelijke
diaconie‘n ook binnen een en dezelfde plaats, zeer ongelijk bedeelden. Er
was een sociale hi‘rarchie ontstaan, waarvan de top gevormd werd door
deftige kerkgenootschappen als de Schots- en Waals-gereformeerden, de
remonstranten en vaak ook de doopsgezinden, die hun armen royaal konden
ondersteunen. Onderaan deze rangorde stonden de kerken die vooral door de
trek van eenvoudige arbeidsmigranten naar het rijke Holland waren gegroeid,
zoals de lutheranen, de katholieken en de joden. Hun armen kwamen er in
verhouding bekaaid vanaf. De gereformeerde diaconie‘n en de algemene
armenzorg stonden tussen de twee uitersten. Hoe deze verschillen gegroeid waren is nog grotendeels onbekend.
Gasthuizen, oude mannen- en
vrouwenhuizen, hofjes
Eenzelfde diversificatie is in deze periode
te zien in de ontwikkeling van de gasthuizen. De misschien wel oudste
functie van het gasthuis, het verschaffen van onderdak aan arme reizigers,
verdween geheel. Had aanvankelijk elk stadsgasthuis wel een ÔbayertÕ, een
eenvoudige ruimte waar mensen gratis konden overnachten, al in de eerste
helft van de zeventiende eeuw verdwenen deze ÔbaaierdsÕ ongemerkt. Verscherpt toezicht op bedelaars, en de uitreiking van passantengeld aan bona-fide arme
reizigers maakten ze wellicht overbodig. Ook vond men de altijd rommelige
en rumoerige baaierds misschien niet meer passen bij een gasthuis.
Gasthuizen legden zich meer en meer toe op het opvangen van arme zieken en
proveniers.
Gasthuizen waren geen ziekenhuizen zoals
wij ze nu kennen. Zieken en kraamvrouwen werden in principe thuis verzorgd,
door familie of buren, bijgestaan door een dokter, chirurgijn of
vroedvrouw. Dat gold ook voor armen. In geval van nood betaalde de
armenzorg de kosten van de geboden hulp, medicijnen, versterkend voedsel en
eventueel een waakster voor onrustige nachten. Ook in het gasthuis kwamen
dokters en chirurgijns langs, maar de zorg was er niet automatisch beter of
vollediger dan thuis. Vooral arme zieken die niet thuis verzorgd konden
worden kwamen naar het gasthuis. In havensteden waren dat bijvoorbeeld
gewonde of zieke zeelieden en soldaten, elders waarschijnlijk ook zieken die
ter plaatse niemand hadden die voor ze kon zorgen, of die hun familie
teveel tot last waren. Onhoudbare geesteszieken werden soms een tijdje
ingesloten in speciale cellen aan of bij een gasthuis. Zij kwamen er niet
om genezen, maar om in toom gehouden te worden. Rustige krankzinnigen en
Down-kinderen, de zogeheten innocenten, bleven gewoon thuis.
Voor veel gasthuizen lijkt de nadruk
gelegen te hebben op de opvang van proveniers of kostkopers. Tegen betaling
van een inkoopsom kregen deze mensen in een gasthuis levenslang een eigen
kamertje, vuur en licht, gezamenlijke maaltijden, en verzorging in geval
van ziekte. Voor huisraad voor de eigen kamer en kleding moesten zij zelf
zorgen, en zij moesten naar vermogen meehelpen bij het schoonhouden van het
huis en de verzorging van zieken en zwakken. Naar deze vorm van opvang was
veel vraag. Men kocht op deze wijze de zorg over de oude dag met zijn
onvermijdelijke gebreken af. Inmiddels zal het duidelijk zijn dat een
dergelijk arrangement niet was weggelegd voor de armsten.
De taak van de gasthuizen lag zo dicht bij
die van de proveniershuizen en de hofjes. Proveniers- of Oude Mannen- en
Oude Vrouwenhuizen waren doorgaans iets duurder en sjieker dan gasthuizen.
Hofjes onderscheidden zich doordat plaatsen daarin geschonken werden.
Hofjes waren doorgaans gesticht door een particuliere weldoener. Het
reglement bepaalde wie kon worden opgenomen. Dikwijls waren dat mensen die
een of andere band met de stichter of zijn familie hadden, of lid waren van
de kerk waartoe deze bij leven behoord had. Sommige stichters bepaalden
echter juist dat de woninkjes van hun hofje in een vaste verdeelsleutel aan
bejaarde mannen of vrouwen uit verschillende kerkelijke richtingen begeven
moesten worden. Ook hier moesten bewoners en bewoonsters dikwijls enig
eigen huisraad meebrengen, maar er werd geen inkoopsom betaald. Zowel de
doorgaans stedelijke gast- en proveniershuizen als de hofjes waren
doorgaans monumentaal gehuisvest, en werden bestuurd door leden van de
plaatselijke elite. Ook hier bepaalde het prestige van stad en stichters
het aanbod van Ôbeschermd wonenÕ. Veel Hollandse steden waren rijk voorzien
van hofjes: Leiden telde er dertig, Amsterdam vijfentwintig, Haarlem bezit
nu nog achttien hoven met ruim 250 plaatsen, maar er zijn ongeveer
vijfentwintig namen van, deels zeer kleine, hofjes bekend die inmiddels
verdwenen zijn. Alkmaar had in totaal honderd hofjeswoningen. Algemeen was
die rijkdom echter niet: Rotterdam had er maar enkele.
Weeshuizen
Nieuw in de vroegmoderne tijd waren de
weeshuizen. Ook in de middeleeuwen namen lokale overheden wezen in
bescherming. Zij regelden vaak de voogdij over wezen van inwoners, zowel
armen als rijken. Heilige-geestmeesters zorgden ervoor dat onvermogende wezen,
vondelingen en verlaten kinderen ergens werden ondergebracht, hetzij bij
particulieren, als bestedelingen, of in een eigen huis. Deze middeleeuwse
wezenzorg hield dikwijls rond het tiende jaar op, omdat kinderen dan geacht
werden hun eigen kostje te kunnen opscharrelen. Zowel tijdens hun verblijf
onder de hoede van armenzorg als daarna waren zij vaak aangewezen op het
bedelen van aalmoezen. De wezen uit de vroegmoderne weeshuizen daarentegen
mochten niet bedelen. Zij werden gevoed, gekleed en gehuisvest in het huis,
kregen er elementair onderwijs en volgden vervolgens, op kosten van het
weeshuis, een vakopleiding. Ze verlieten het huis pas wanneer ze volledig Ñ
en dus alweer: zonder te hoeven bedelen Ñ voor zichzelf konden zorgen, als
ambachtslieden of als dienstpersoneel.
Deze weeshuizen pasten daarmee volledig in
de zestiende-eeuwse opvattingen over armoede en zorg: armen mochten niet
bedelen, maar moesten met hun eigen handen de kost verdienen. Die
ideologische achtergrond was belangrijker voor de opkomst van deze nieuwe
weeshuizen dan het aantal arme wezen dat een stad of dorp telde. Toegang
tot stedelijke weeshuizen was beperkt tot wezen waarvan de ouders het
burgerrecht hadden bezeten, soms was het zelfs vereist dat zij een
vastgesteld aantal jaren burger geweest waren voordat hun kinderen in
aanmerking konden komen voor opname in het weeshuis. Was een weeshuis
gesticht door een particuliere weldoener, dan hadden verweesde
bloedverwanten vrijwel altijd voorrang. Bovendien golden meestal
leeftijdsgrenzen. De kleintjes die nog niet zindelijk waren moesten eerst
bij pleegmoeders worden uitbesteed, eventueel op kosten van een armvoogdij,
en was een kind al groot genoeg om als leerling bij een ambachtsman of
-vrouw, of in een dienstbetrekking geplaatst te worden, dan moest verdere
ondersteuning eveneens buiten het weeshuis om gezocht worden. Fysieke
gezondheid en geestelijke volwaardigheid waren ook absolute vereisten: het
weeshuis nam alleen kinderen op die het tot volledige zelfstandigheid kon
opleiden. Zelfs van de kinderen die aan al deze voorwaarden voldeden konden
slechts zoveel kinderen worden opgenomen als de middelen van het huis
toelieten. De volledige opvoeding die een weeshuis bood was duur, en daarom
niet voor alle hulpbehoevende kinderen weggelegd.
Veel van de weeshuizen die in de zestiende
of vroeg in de zeventiende eeuw werden gesticht waren burgerweeshuizen. Ze
weerspiegelden het zelfgevoel van stadsbestuurders of de vrome intenties
van particuliere stichters. Ze werden bestuurd door colleges van regenten
en regentessen uit de plaatselijke elite of de nakomelingen van de
stichters, en bedoeld om te voorkomen dat verweesde kinderen van burgerij
of familie beneden hun stand terecht zouden komen. Regenten en regentessen lieten zich
portretteren als patroons van de onmondige kinderen. Ostentatieve
liefdadigheid verhoogde het persoonlijk of collectief prestige. De gebouwen
werden voorzien van imposante gevelversieringen, die, met behulp van
toepasselijke opschriften en de afbeelding van weeskinderen, niet alleen
opriepen tot ruimhartige financi‘le ondersteuning van het gesticht, maar
met hun heraldische symbolen ook nadrukkelijk de eer van stad of stichters
hooghielden. De wezen droegen vaak opvallend gekleurd uniform. Dat was niet
alleen praktisch omdat het het toezicht op de kinderen buitenshuis en het
opsporen van weglopers vergemakkelijkte en voorkwam dat weeshuiskleding
naar de lommerd verdween, maar tekende de kinderen ook als beschermelingen
van de stad of het huis.
Aangezien echter de plaatselijke besturen
verantwoordelijk waren voor de ondersteuning van alle plaatselijke armen,
moest er ook overal opvang geregeld worden voor onverzorgd achtergebleven
kinderen die niet in aanmerking kwamen voor een burgerweeshuis. In een
enkel geval richtte een stadsbestuur een weeshuis op waarin alle wezen,
verlaten kinderen en vondelingen konden worden opgenomen, voorzover ze
natuurlijk gezond waren en in de leeftijd dat de dure verzorgings- en
onderwijsfaciliteiten van een weeshuis een maximaal effect konden sorteren.
Delft lijkt hiervan een voorbeeld: het in 1579 opgerichte weeshuis nam
volle en halve wezen, verlaten kinderen, soldatenkinderen en in de stad
achtergelaten vondelingen op. In de meeste grotere plaatsen richtte men naast een burgerweeshuis
een meer algemeen kindertehuis op, onder benamingen als arme-kinderhuis of
aalmoezeniershuis. Veel van die arme-kinderhuizen verschenen rond het
midden van de zeventiende eeuw, toen de welvaart een hoogtepunt bereikte.
Het scala aan weeshuistypen werd nog vergroot doordat ook kerkelijke
gemeenten een groeiend aandeel namen in de ondersteuning van hun arme
lidmaten. Dat gold met name voor de getolereerde kerken, die, ook meestal
vanaf het midden van de zeventiende eeuw, huizen voor wezen van de eigen
gezindte oprichtten. De algemene weeshuizen, ook wanneer zij kinderen
opnamen ongeacht religie, voedden hun pupillen gereformeerd op. Dikwijls
maakte de gereformeerde diaconie daarom voor haar wezen gebruik van een
algemeen weeshuis, maar waar de diaconie rijk was kon ze ook een eigen
diaconieweeshuis oprichten. Van de getolereerde gezindten moesten de
katholieken het langst op eigen weeshuizen wachten. Op grond van de
plakkatenwetgeving was het hun verboden bezit en fondsen op naam van de
kerk te hebben. Pas nadat deze belemmeringen waren opgeheven konden
katholieke weeshuizen worden gebouwd, meestal pas laat in de achttiende of
in de negentiende eeuw.
Kinderen konden aanzienlijk goedkoper
worden grootgebracht dan in een weeshuis. Waar de middelen om een weeshuis
op te richten en te onderhouden niet aanwezig waren, werden wezen en andere
onverzorgd achtergebleven kinderen door armvoogdijen uitbesteed. De
spreiding van weeshuizen laat dit goed zien. Nergens in vroeg-modern Europa
waren zoveel weeshuizen als in de Republiek, en binnen de Republiek was het
welvarende Holland er het dichtst mee bezaaid. Waar in elke stad van enige
betekenis een weeshuis was, waren ze op het platteland zeldzamer. Ook hier
was Holland uitzonderlijk: het telde 34 dorpsweeshuizen, waarvan maar liefst
acht in de Zaanstreek, alle andere provincies samen slechts negen. Uiteraard spande Amsterdam de kroon: met een burgerweeshuis uit
1520, een aalmoezeniersweeshuis uit 1666 en een scala aan weeshuizen
bestemd voor de leden van verschillende kerkgenootschappen: de Waals
gereformeerden (1631), de Engelse presbyterianen (1651), de Nederduits
gereformeerden (1657),de katholieken (ŽŽn voor meisjes en ŽŽn voor jongens
1664), de Rijnsburger Collegianten (1675), de Evangelisch luthersen (1678)
en, na 1800, ook de remonstranten, de sefardische en askenazische joodse
gemeenschappen, de Hersteld evangelisch luthersen en de gereformeerden.
Het niveau van verzorging in een weeshuis
was uiteraard sterk afhankelijk van de beschikbare middelen. Kleding,
voeding, huisvesting en opleidingsmogelijkheden waren het best in de wat
elitaire burgerweeshuizen. Armekinderhuizen en ook de grotere diaconiehuizen konden erg
massaal zijn. Een klein weeshuis bood de kinderen een min of meer
huiselijke omgeving, waar een persoonlijk contact bestond met de
binnenouders en de nog in huis wonende kinderen naar hun vermogen een
steentje aan de gezamenlijke huishouding bijdroegen. In een groot weeshuis
werd dat moeilijk. Bij grote aantallen kinderen werden tucht en discipline
strakker Ñ en kwamen meer kinderen in de verleiding weg te lopen. Grote
weeshuizen ÔverhuurdenÕ groepen kinderen in de leeftijd tussen 10 en 14
jaar aan plaatselijke ondernemers, meestal in de textielindustrie. Deze
kinderen hadden, voor hun stand, lang genoeg op school gezeten, maar waren
nog niet oud genoeg om een vak te leren of in een dienstbetrekking te gaan.
Voor de ondernemers waren de kinderen goedkope arbeidskrachten.
Stadsbesturen stonden vierkant achter dergelijke overeenkomsten, omdat die
industrie Ñ en daarmee werkgelegenheid en welvaart Ñ aan de stad bond. Het
voordeel voor het weeshuis was uiteraard financieel, maar bestond er ook in
dat de kinderen van de straat gehouden werden en arbeidsdiscipline leerden.
Een echte vakopleiding bood het werken in de industrie doorgaans niet.
Omdat de armekinderhuizen, evenals de burgerweeshuizen, de taak hadden de
wezen tot volledige zelfstandigheid op te voeden werden ook zij, zodra zij
er de leeftijd voor hadden, onderwezen in een ambacht of uitbesteed in een
betrekking. Anders dan burgerwezen waren de wezen uit armekinderhuizen
echter aangewezen op los werk, buiten de bescherming van de gilden.
Weeshuizen belichaamden een aspect van het
stedelijk ideaal van zorg voor het algemeen welvaren. Kinderen die
ouderloos achterbleven werden door de stedelijke gemeenschap als het ware
geadopteerd, en opgevoed tot het soort inwoners dat elke stad graag zag:
gedisciplineerd en in staat voor zichzelf de kost te verdienen. Vooral in
de armekinderhuizen zal dat niet altijd gelukt zijn, maar dat veranderde
niets aan de ideologie. Particuliere stichters en kerkelijke gemeenten
sloten zich bij dit opvoedingsideaal aan. Meer dan enige andere vorm van
liefdadigheid waren de weeshuizen een uitdrukkingsvorm van groepstrots en
groepsidentiteit, die diende om het prestige van stadsbesturen, stichters
en kerken uit te dragen en te verhogen. Het is dan ook niet toevallig dat
de weeshuizen in de geschiedschrijving over armenzorg de meeste aandacht
hebben gekregen.
Een Hollands beleid?
De plaatselijke armenzorg, gedragen door
lokale besturen, kerken en particuliere liefdadigheid, werd beschermd door
bovenlokale regelgeving die bepaalde welke armvoogdij voor welke armen
verantwoordelijk was. Deze voorkwam dat parochies hun armen konden afschuiven
of dat parochies die relatief welvoorzien waren overstroomd werden met
armen die niet konden werken of voor wie daar geen werk was. Hoewel ook hiervoor eerdere voorbeelden niet geheel ontbreken, is het grootste deel van dit soort regelgeving in de Noordelijke
Nederlanden in de late zestiende eeuw tot stand gekomen. Elke soevereine
provincie vaardigde hiertoe eigen plakkaten of ordonnanties uit.
In Holland, zoals overal elders werd de
basis voor deze plakkaten gevormd door het edict van Keizer Karel V uit
1531. Dat edict was bedoeld om te voorkomen dat arme mensen lukraak op zoek
naar een beter bestaan door het land zouden gaan zwerven, bedelend of
noodgedwongen stelend. In 1595 werden de regels die armen aan hun
woonplaats moesten binden verfijnd. Klaarblijkelijk hadden ze armen er niet
van weerhouden op zoek te gaan naar een beter bestaan, en een zekere mate
van mobiliteit zal voor de groeiende Hollandse steden ook noodzakelijk
geweest zijn. Een nieuw plakkaat schiep dan ook de mogelijkheid om slecht
volk Ñ niet alleen landlopers en luie bedelaars, maar ook en vooral
verspieders voor de vijand en dieven Ñ te kunnen onderscheiden van mensen
zonder middelen van bestaan die elders werk wilden zoeken, en van bonafide
ambulante neringdoenden en genezers. Zij kregen de mogelijkheid zich te
voorzien van een soort paspoorten, waarmee ze zich onderweg konden
legitimeren. Aanvankelijk werd het arme werkzoekenden nog toegestaan hier
en daar te bedelen, maar in een verscherpt plakkaat van 1614 werd dit
verboden. Doortrekkende armen kregen wat geld van de huiszittenmeesters of
diakenen, waarmee ze een dag ter plaatse konden blijven en vervolgens
verder reizen.
De verbodsbepalingen tegen bedelarij werden
in de loop van deze jaren voortdurend verder uitgebreid. Aanvankelijk had
men het vragen van aalmoezen niet willen verbieden aan duidelijk herkenbare
groepen, die geen andere mogelijkheid van bestaan hadden, zoals leprozen
die niet konden werken, arme leerjongens bij ambachtsmeesters die gedurende
hun leertijd geacht werden van aalmoezen te leven, gevangenen aan wie de
cipier doorgaans hun kost en wat ze verder nodig in rekening bracht en die
uiteraard niets konden verdienen en Ñ voor de invoering van de Reformatie Ñ
bedelaars en pelgrims. Leprozen werd in 1586 verboden de leprozerie‘n waar
ze ondergebracht waren te verlaten. De meester van het huis mocht hen zelfs
niet bij wijze van straf het huis uitzetten. Melaatsheid was gemakkelijk
voor te wenden, en verspieders en dieven misbruikten de voorgeschreven
leprozenkleding en de certificaten die leprozen bij zich droegen om hun
recht op aalmoezen te bewijzen. Vanaf 1597 mochten ook de ambachtsjongens niet langer bedelen.
Magistraten en officieren moesten ervoor zorgen dat er contracten gesloten
werden tussen de ambachtsmeester en de verzorgers van de armen. In die
contracten moesten de jongens aan een zodanige leertijd gebonden worden dat
zij niet alleen het vak behoorlijk onder de knie konden krijgen, maar ook
met hun werk een redelijke vergoeding verdienden voor de kost en inwoning,
die de meester dan verplicht was hen gedurende de looptijd van het contract
te verschaffen. De meeste van deze
regels werden in andere provincies overgenomen.
Alle armen die zichzelf niet konden redden
moesten zich laten registreren bij de armbesturen en door hen behoorlijk
verzorgd worden. Alle andere bedelaars moesten zoveel mogelijk verjaagd
worden. Brederode heeft in zijn Spaanse Brabander een afkondiging van de
Amsterdamse stadspui opgenomen, waarin bekendgemaakt wordt dat alle Ôbedelaars,
lantloopers, bayert-boeven, troggelsacken, huyckevaken, Ôt sy out ofte
jong, blint, kreupel, manck, melaats ofte andersÕ de stad moeten verlaten,
en de Ôrechte armenÕ zich moeten laten registreren. Het stuk is fictief, en
aanmerkelijk kleurrijker in zijn bewoordingen dan historische keuren van
gelijke strekking, maar wijkt daar inhoudelijk niet van af. Degenen die in
het toneelstuk deze afkondiging aanhoren leveren commentaar bij dergelijke
maatregelen. De Hollander Jan Knol betreurt de toegenomen criminaliteit en
overlast van al die arme gelukzoekers die door de grote stad worden
aangetrokken, maar zijn uit de oostelijker gewesten afkomstige
gesprekspartners repliceren: ÔWie brocht hier de neeringh en koophandel als
wy?Õ en: ÔWie brocht hier de scherpheyt in u onbeslepen sinnen?Õ De nieuwe
inwoners droegen aanzienlijk bij aan de groeiende welvaart van de stad. Dat
maakte hen het inburgeren ook gemakkelijk. Immigranten die het in Amsterdam
ÔgemaaktÕ hadden, gingen op gelijke voet om met de gezeten burgerij:
vroeger trouwde een geboren Amsterdammer liever geen Zeeuw of Hagenaar,
maar nu zijn de tijden veranderd: Ôal waer ick Turck of Jood, ick worde wel
gevrijdt.Õ
Erkenning van de voordelen van immigratie
maakte echter niet zonder meer tolerant. Alleen produktieve vreemdelingen
waren welkom, en alleen mensen op zoek naar werk konden over het platteland
trekken. Officieren van justitie werden gemaand om regelmatige
ÔboevenjachtenÕ over het platteland te houden om landlopers en vagebonden
op te pakken, en gewapende zwervers en dievenbendes op te pakken. Hen
wachtten verhoor onder tortuur, lijfstraffen en verbanning, of in ernstige
gevallen de galg. In de steden en dorpen moesten zij Ôsuspecte plaatsenÕ
waar bedelaars zich gewoonlijk ophielden Ñ herbergen, gasthuizen, en in de
drukte op markten, kermissen, feesten en bruiloften en rond kerken Ñ
dikwijls controleren. Zij kregen steeds uitgebreidere bevoegdheden om
tegenstribbelende bedelaars en landlopers te vangen, desnoods met de hulp
van toevallige voorbijgangers, en wanneer de arrestant gewapend bleek,
desnoods ten koste van diens lijf of zelfs leven. Hoe veilig hierdoor het platteland was, verdient nader onderzoek.
De Noordelijke gewesten beschermden de
armenfondsen van plaatsen waar werkzoekende armen zich wilden vestigen door
de termijn van inwoning, waarna iemand op de armenzorg van de nieuwe
woonplaats een beroep mocht doen, te verlengen, naar vier of vijf jaar.
Binnen die tijd kon een arme naar zijn vorige woonplaats teruggestuurd
worden. In Holland werd de termijn van een jaar, die al in het plakkaat
van 1531 gesteld werd, nooit officieel veranderd. In 1682 waarschuwden de
Staten van Holland dat armen een jaar na vertrek niet meer teruggestuurd
konden worden naar hun vorige woonplaats. Mogelijk was deze waarschuwing nodig geworden omdat allerlei
armvoogdijen de drempel voor toegang tot bedeling steeds hoger optrokken.
Vanouds hadden steden een zekere periode van burgerschap of inwoning
verlangd voordat iemand aanspraak op bedeling kon maken, of in aanmerking
kwam voor een plaatsje in een ÔgodshuisÕ. Diaconie‘n konden een bepaalde
periode van lidmaatschap verlangen. Het lijkt erop dat in de loop van de
zeventiende en achttiende eeuw die perioden steeds langer gesteld werden.
De Amsterdamse huiszittenmeesters waren al in de middeleeuwen pas bereid
een arme te ondersteunen wanneer zij minimaal drie jaar burger of vier tot
vijf jaar inwoner waren geweest. In de zeventiende eeuw konden arme
gereformeerden er bedeeld worden nadat ze twee jaar lidmaat waren geweest,
vanaf 1701 pas na vier jaar. In Rotterdam gold voor kerkelijke diaconie‘n
en armhuizen een termijn van twee jaar. Alkmaar bedeelde alleen armen die
minstens drie jaar in de stad gewoond hadden, Alkmaarse gereformeerden
konden pas aankloppen bij de diaconie nadat zij minstens twee jaar lidmaat
waren geweest, en wanneer zij van buiten de stad waren gekomen nam de
diaconie hen pas aan nadat zij er zes, later vier jaar gewoond hadden. Het
Alkmaarse mannengasthuis was zelfs slechts toegankelijk voor wie 25 jaar in
de stad had gewoond. De Staten vonden het wellicht nodig stads- en dorpsbesturen erop
te wijzen dat immigranten die na een jaar armlastig werden toch op de een
of andere manier in hun nieuwe woonplaats ondersteund moesten worden, omdat
niemand anders voor hen aansprakelijk kon worden gehouden.
Steden en dorpen begonnen daarop van nieuwe
inwoners formele garanties te eisen. Zij werden pas in de stad toegelaten
als zij van de bestuurders van hun vorige woonplaats een bewijs van goed
gedrag konden tonen, en een persoon of instelling Ñ meestal een armvoogdij
of diaconie Ñ zich garant stelde voor hun onderhoud voor het geval zij tot
armoede zouden vervallen, of overlijden en wezen nalaten. Zonder deze
borgstellingen, akten van cautie of akten van indemniteit mochten
nieuwelingen zich niet vestigen, en niemand mocht hen woonruimte verhuren.
Begrijpelijkerwijs waren armenfondsen voorzichtig met het verstrekken van
dergelijke akten, en zij beperkten dan ook de mobiliteit van armen en de op
sommige plaatsen de beschikbaarheid van werkkrachten. Het belang van de
nieuwe woonplaats werd echter vooropgesteld. In de loop van de achttiende
eeuw namen steden en regioÕs buiten Holland de regelingen rond de akten van
indemniteit over om ook hun armenfondsen af te schermen tegen inkomende
arme vreemdelingen. Regels over de tijd dat men ergens gewoond moest hebben alvorens
een beroep op de armenfondsen te kunnen doen bestonden naast de
verplichting een akte van indemniteit te tonen alvorens men zich ergens
Ÿberhaupt kon vestigen. Hoe dit alles in de praktijk gewerkt heeft is nog
grotendeels onbekend.
Tuchthuizen
Sluitstuk van de wetgeving tegen bedelarij en landloperij
werd in verschillende provincies de oprichting van een tuchthuis, doorgaans
nauw verbonden aan het Provinciaal Gerechtshof, waarin deze mensen
ÔgecorrigeerdÕ konden worden. Waar alle andere provincies van de Republiek
een provinciaal tuchthuis oprichtten, kende Holland alleen stedelijke
tuchthuizen. Er was in 1599 wel even sprake van een gewestelijk tuchthuis,
dat te Hoorn gevestigd zou worden, maar dat is er niet gekomen. Tuchthuizen waren in eerste instantie bedoeld voor het
disciplineren en rehabiliteren van bedelaars en landlopers, van mensen die
wel konden werken, maar dat niet deden.
Voor het besef van de tijdgenoot speelden
onwil en luiheid daar een niet te onderschatten rol in, maar kwam het ook
voor dat mensen buiten hun schuld geen andere mogelijkheden hadden om aan
de kost te komen dan hun hand op te houden. Een van de vurigste pleitbezorgers
voor disciplinering van Ôsterke lediggangersÕ, Dirck Volckertsz. Coornhert,
zag het in zijn Boeventucht dan ook als een
eerste verantwoordelijkheid van overheden om werk te verschaffen aan armen
voor wie niet voldoende werkgelegenheid bestond, en die daarom van hun
arbeid niet bestaan konden. Wie zich op die manier niet wilde laten helpen,
moest echter streng gestraft worden, liefst met dwangarbeid waar de
samenleving nog enig profijt van trok. Coornhert stelde voor zowel
plaatselijke als gewestelijke gevangenissen te bouwen, waarin bedelaars en
landlopers voor de kost moesten werken, eventueel nadat zij enigerlei
vakopleiding in het huis genoten hadden. Dwangarbeid moest ervoor zorgen
dat iedereen met zijn eigen handen de kost verdiende en uiteindelijk Ôalle
rabbauwen dit land, niet anders dan de duyvel tkruys, myden ende vlieden
zoudenÕ.
De eerste tuchthuizen in de Republiek, die
van Amsterdam (1596) en Leiden (1597), waren geen gewestelijke, maar
stedelijke instellingen. Bij de oprichting van deze tuchthuizen lag, meer
dan in de voorstellen van Coornhert, de nadruk op rehabilitatie, op
elementair onderwijs, godsdienstige vorming en het aanleren van een vak
voor wie daar niet anderszins gelegenheid voor had gehad, naast het
inscherpen van een fatsoenlijke, burgerlijke levenswijze. Het waren
aanvankelijk niet louter strafinstellingen. Naast onvrijwillig ingesloten
bedelaars en veroordeelde misdadigers konden ook werkwillige armen er
vrijwillig een tijdje heen voor een vakopleiding. De eerste tuchthuizen
werden dan ook onder de liefdadige instellingen gerekend, en een verblijf
in een dergelijk huis leidde evenmin tot verlies van eer als opname in een
gasthuis. De bewoners van het tuchthuis zouden hun tijd verdelen tussen
werk, scholing en recreatie, zoals wandelen en lezen. Een deel van de uit
hun werk voortkomende verdiensten kwam ten goede aan het huis, maar zelf
kregen zij daar ook een deel van, zodat de ijverigen onder hen aan het eind
van hun verblijf enig startkapitaal voor een nieuw, zelfstandig bestaan
hadden opgebouwd.
In de loop van hun bestaan zijn de
tuchthuizen meer en meer strafgevangenissen geworden, waar niemand
vrijwillig heen ging, al bleef in theorie het liefdadige aspect altijd
behouden. Buiten Holland is overal in de Republiek de bouw van stedelijke
tuchthuizen door het gewestelijk Hof tegengewerkt ten gunste van centrale,
provinciale tuchthuizen, bedoeld als strafinstelling. Bedelaars en
landlopers, die vooral het platteland overlast bezorgden, werden er
ingesloten, naast andere veroordeelden. Steden konden hun ergerlijkste
lastpakken Ñ bedelaars, maar ook dronkelappen, straatschenders,
herrieschoppers en kruimeldieven Ñ die met straffen als op water en brood
zetten, aan de kaak stellen of lijfstraffen niet afdoende te disciplineren waren,
op hun kosten in een provinciaal tuchthuis uitbesteden. De Hollandse
stadstuchthuizen bedienden in principe ook de omliggende regio, maar naar
het oordeel van de Staten schoten zij hierin te kort. In de loop van de
zeventiende en achttiende eeuw wezen de Staten van Holland herhaaldelijk op
de noodzaak van een strenger optreden tegen bedelarij en landloperij, en
het nut van de oprichting van een provinciaal tuchthuis, maar het is er
nooit van gekomen.
Werkhuizen en verbeterhuizen
In de zeventiende eeuw ontstonden naast de
tuchthuizen ook aparte werkhuizen en verbeterhuizen. Aanvankelijk waren
alle tuchthuizen bedoeld geweest om bedelaars en onaangepasten te
rehabiliteren door hen werkervaring te laten opdoen en eventueel een vak te
laten leren, maar dat bleek in de praktijk toch niet zo te werken. Al vroeg
had men in de plannen voor tuchthuizen bovendien het oog gehad op de
disciplinering van jonge mensen van goede komaf, die hun familie door
alcoholische, financi‘le of seksuele uitspattingen in verlegenheid
brachten. Voor hen scheidde het Amsterdamse tuchthuis al in 1603 een aparte
afdeling voor zogeheten ÔwittebroodskinderenÕ af. In 1650 volgde de
plaatsing werklozen, bedelaars en ÔgewoneÕ lastpakken in een van het
tuchthuis onderscheiden werkhuis. De drie functies : strafgevangenis,
werkverschaffing en heropvoeding, raakten in de loop van de zeventiende
eeuw steeds verder gescheiden en leidden tot de oprichting van
gespecialiseerde instellingen voor elke taak. Tuchthuizen gingen zich
toeleggen op gevangenisstraffen, verzwaard met dwangarbeid, voor
veroordeelde misdadigers.
De werkhuizen kregen een gemengde taak,
waartoe werkverschaffing en het aanleren van een vak evenzeer behoorden als
de mogelijkheid om bedelaars, dronkelappen, ruzieschoppers en andere
lastpakken door middel van regelmatig werk Ôher-op te voedenÕ of op zijn
minst hun zonden te laten overdenken. In de loop van de zeventiende eeuw
verschenen alom dergelijke werkhuizen. Dikwijls ging het initiatief uit van
de plaatselijke armenzorg. Bij deze instellingen moeten we ons een vaak
bescheiden opzet voorstellen. Ze huisden niet in monumentale panden en
hadden geen eigen fondsen. Het is waarschijnlijk dat ze wijdverspreid
waren, maar slechts van een klein aantal werkhuizen is iets bekend. Amsterdam had er in de zeventiende eeuw in ieder geval naast het
werkhuis in het tuchthuis, nog twee: het Armekinderenwerkhuis uit ca. 1650
en het Zijdewindhuis uit 1682. Beide instellingen boden kinderen van
bedeelden, en, in de slappe wintertijd ook wel arme volwassenen, werk en
daarmee inkomsten. Misschien meer nog dan voor werkverschaffing waren de
huizen ook bedoeld om de kinderen van de straat te houden. Kinderen van
bedeelden waren meestal verplicht ofwel naar school of naar het werkhuis te
gaan, omdat stadsbesturen ervan overtuigd waren dat de kinderen anders door
hun ouders uit bedelen gestuurd zouden worden. Het Zijdewindhuis was
bovendien bedoeld om de Amsterdamse zijdeindustrie aan werkkrachten te
helpen.
Hetzelfde trio aan redenen voor de oprichting
van werkhuizen vinden we in de omgeving van Krommenie. Hier was al sinds de
zestiende eeuw een bloeiende zeildoekindustrie gevestigd. In de zeventiende
eeuw werden in Krommenie en Assendelft ook wezen en de kinderen van
bedeelden in deze industrie ingeschakeld. In beide plaatsen waren
werkhuizen waar de kinderen moesten spinnen, en in het weeshuis van
Krommenie werd ook zeildoek geweven. De zeildoekreders besteedden hun
spinwerk echter bij voorkeur uit aan de overkant van de Zuiderzee, in
Gelderland, Overijssel, Drenthe en Friesland, waar de lonen lager waren dan
in Holland, en waar dan ook een aantal spin- of werkhuizen bekend zijn.
Doorgaans waren het ruimtes, ter beschikking gesteld door stadsbesturen of
armvoogdijen, waar de kinderen het spinnen geleerd werd en waar ze
vervolgens onder toezicht werkten. De armvoogdijen zorgden voor de
spinnewielen, de ondernemers leverden de grondstof en betaalden de lonen
uit. Volwassenen konden ook wel werk mee naar huis nemen. Plaatselijke
besturen konden de werkhuizen ook gebruiken om er volwassen bedelaars en
andere lastpakken een tijdje gedwongen te werk te stellen.
Ook op andere plaatsen bestonden dergelijke
fabriekjes, gezamenlijk door armenzorg en plaatselijke ondernemers opgezet.
In Alkmaar was rond 1650 een draperiewerkplaats voor bedeelden, die na
enige tijd ter ziele is gegaan. De aalmoezeniers richtten een nieuw
werkhuis op in 1698 dat tot 1713 dweil- en zakkendoek maakte. In 1753 nam
de diaconie de werkverschaffing ter hand en startte voor zowel de diaconie-
als de aalmoezeniersbedeelden een spinnerij en weverij waar hennep, katoen
en wol verwerkt werden. In 1759 ging de onderneming over op aangenomen werk
voor de zeildoekrederij in Krommenie, en in 1763 verhuisde de onderneming
naar het Tuchthuis. Het Alkmaarse voorbeeld is waarschijnlijk representatief voor
andere steden: werkhuizen bestonden vaak maar een paar jaar. Even
gemakkelijk als ze verdwenen werden ze een tijdje later, in een iets andere
vorm, weer opgericht. Voor het tegengaan van kinderbedelarij en verschaffen
van werk aan volwassen armen gedurende slappe tijden werden ze kennelijk
telkens weer nuttig geacht. Ook op dit gebied waren zij een goedkoop
altrnatief voor de oorspronkelijke opzet van de tuchthuizen.
Ook voor het soort mensen dat in het
Amsterdamse tuchthuis de afdeling voor ÔwittebroodskinderenÕ bevolkte
ontwikkelde zich vanaf ongeveer 1660 een apart soort instelling: het
verbeterhuis. Hierin werden onhandelbare telgen uit de betere families door
hun families onder curatele gesteld. Deze verbeterhuizen waren particuliere
ondernemingen, waarin deze Ôzwarte schapenÕ tegen kostprijs voorzien werden
van alles waarop zij volgens hun stand aanspraak maakten. Het toezicht op
en disciplineren van deze niet-gestraften was zodoende geprivatiseerd. Soms
legden gerechtshoven veroordeelden uit de beter standen in plaats van
ÔgewoneÕ tuchthuisstraf ook opsluiting in een verbeterhuis op.
Geesteszieken uit welgestelde families die thuis moeilijk te handhaven
waren konden er eveneens terecht voor verzorging op een niveau dat bij hun
stand paste. In het huis werd ervoor gewaakt dat hen niets overkwam en dat
zij anderen niet in gevaar brachten. Families die hun zwarte schapen en
krankzinnige verwanten op deze manier wilden laten insluiten en onder curatele
stellen hadden hiervoor toestemming van het plaatselijke gerecht nodig.
Aparte verbeterhuizen zijn tot nu toe
alleen bekend uit Holland, en, hoewel ze in verschillende plaatsen
voorkwamen, lijken ze vooral een Delftse specialiteit. Uit alle delen van
het land werden onhandelbare lieden naar de Delftse huizen opgestuurd.
Verschillende tuchthuizen hielden overigens hun afdeling voor
wittebroodskinderen, die ze soms ook als verbeterhuis aanduidden. Waarschijnlijk waren de Delftse particuliere huizen de sjiekere in
hun soort. Minder welgestelden konden een provenierscontract sluiten met
gasthuizen, liefst een beetje uit de buurt van de eigen woonplaats, om een
lastige verwant decent maar veilig achter slot en grendel op te bergen. Minvermogende families hadden deze mogelijkheden uiteraard niet.
Hun zwarte schapen werden, als de overlast te gek werd, veroordeeld tot
ÔtaakstraffenÕ in de werkhuizen. Arme onhandelbare geesteszieken werden
ingesloten in daarvoor bestemde cellen in de gasthuizen of in dolhuizen. Het
oorspronkelijke liefdadige oogmerk van de tuchthuizen werd zo het meest
benaderd door de eenvoudige werkhuizen. Deze behielden echter altijd
disciplinaire trekjes, die hun verwantschap met tucht- en verbeterhuizen
verraadt.
De achttiende eeuw: filantropie en
bevoogding
Grote bloeiperiode van armengestichten was
de Ôlange zeventiende eeuwÕ. Het is niet toevallig dat dit de periode is
die ook wel de Gouden Eeuw genoemd wordt. Niet armoede bepaalde het aanbod
in de armenzorg, maar rijkdom. De goedkoopste, effici‘ntste zorg werd
geboden door de fondsen voor de huiszittende armen. De grote massa van de
armen was daarop aangewezen. De Hollandse steden konden echter meer bieden
dan de broodnodige, maar enigszins proza•sche uitdelingen van eerste
levensbehoeften als brood, turf en kinderhemdjes. De stichting van de
verschillende soorten tehuizen toonde de rijkdom, het prestige en de zorg
voor het gemeen welvaren van de regentenstand. Zij boden onderdak aan de
armen in armengasthuizen en armekinderhuizen, tucht- en werkhuizen, terwijl
verarmde mensen van goede afkomst een bij hun stand behorend onderhoud
vonden in burgerweeshuizen, proveniershuizen en, in het geval van zwarte
schapen, verbeterhuizen.
De bestaande instellingen bleven in de
achttiende eeuw in functie, maar er werden, in vergelijking met de eerdere
periode, weinig nieuwe soorten armenzorg ontwikkeld. Dat is enigszins
bevreemdend, als we de situatie in de Republiek vergelijken met Engeland,
waar juist in de achttiende eeuw de filantropie bloeide en aanleiding gaf
tot de oprichting van nieuwe gespecialiseerde tehuizen. Filantropie was een
nieuwe variant van de idee van het Ôgemene welvarenÕ. Waar dit laatste in
de zestiende en zeventiende eeuw de verantwoordelijkheid van overheden was,
zagen in de achttiende eeuw ook particulieren hier voor zichzelf een schone
taak weggelegd. Zij stichtten nieuwe vormen van liefdadigheid, die er op
gericht waren de bevolking te vergroten en haar levenskracht te versterken.
Op die manier zou de kracht van de natie als geheel toenemen, en daarmee de
welvaart voor iedereen. Engelse filantropen hielden zich niet bezig met bedeling en
werkverschaffing, aangezien die al door de overheid verzorgdwerden . Zij
stichtten tussen 1740 en 1780 huizen waarin vondelingen en straatkinderen
opgeleid werden tot zeelieden of ander nuttige leden van de maatschappij,
kraamvrouwenhospitalen, om de sterfte onder kraamvrouwen en pasgeborenen
terug te dringen, hospitalen voor de behandeling van geslachtsziekten en
huizen voor de rehabilitatie van prostituees. Deze nieuwe initiatieven
werden niet, zoals de traditionele liefdadigheid, gefinancierd vanuit de
opbrengsten van vaste fondsen, maar uit intekening door particulieren of
aandeelhouders en giften. Zo bleven de sponsors betrokken bij het wel en wee
van hun filantropische onderneming. Na 1780 kwam de klad
in deze beweging, omdat nieuwe economische theorie‘n twijfel zaaiden over
de relatie tussen bevolkingsgroei en het nationale welvaartspeil.
De filantropie was ook in Nederland sterk,
maar uitte zich in andere vormen. Filantropie dreef ook hier op particulier
initiatief. Men richtte maatschappijen op, die tot doel hadden de burger te
verheffen en de welvaart van het land te vergroten. Deze schreven
prijsvragen uit voor verhandelingen over specifieke vraagstukken op dit
terrein, loofden premies uit voor loffelijke initiatieven en bevorderden
ook daadwerkelijk de al wat binnen hun hun doelstelling lag. De eerste
daarvan was de Maatschappij tot redding van drenkelingen, opgericht in
Amsterdam in 1767. Deze richtte zich niet zozeer op het uit het water
vissen van te water geraakten, want dat was men vanouds al wel gewoon te
doen. Nieuw was de aandacht voor het opnieuw opwekken van de levensgeest in
schijndode drenkelingen. De Maatschappij beijverde zich ervoor dat
hulpmiddelen voor hulp aan drenkelingen op centrale plaatsen aanwezig waren
en loofde prijzen uit voor geslaagde reddingsacties. De in 1777 gestichte Oeconomische Tak van de al oudere Hollandse
Maatschappij der Weetenschappen (1751) stelde zich het herstel van de
inlandse nijverheid, bevordering van de welvaart en een oplossing van het
armoedevraagstuk ten doel. Door middel van prijsvragen en premies
stimuleerde zij de al veel oudere werkhuisbeweging. Ze bepleitte gebruik
van inlandse grondstoffen en consumptie van produkten van vaderlandse
bodem, om de welvaart in het land te houden. Armen, en vooral weer hun
kinderen, werden tot zelfwerkzaamheid en vlijt aangespoord met
spinwedstrijden waarmee geldprijzen te winnen waren.
Meer specifiek gericht op armen waren de
inspanningen voor het volksonderwijs van de in 1784 te Edam, door de
doopsgezinde predikant J. Nieuwenhuysen, opgerichte Maatschappij tot Nut
van Ôt Algemeen. Deze Maatschappij richtte zich op de vorming en beschaving
van de burgers. De Maatschappij ontplooide hiertoe een veelheid aan
initiatieven, waaronder armenonderwijs en elementair onderwijs in het
algemeen. Binnen de Maatschappij werden nieuwe pedagogische inzichten
ontwikkeld, die ook direct werden toegepast in nieuwe leerboeken voor
elementair onderwijs. Daarnaast stimuleerde de Maatschappij ook de
stichting van armenscholen. Al voordat de Maatschappij op het toneel
verscheen hadden stadsbesturen, diaconie‘n of armvoogdijen, al dan niet in
samenwerking, hier en daar armenscholen opgericht, zo bijvoorbeeld in
Rotterdam vanaf de jaren 1650, en in Amsterdam in 1741. De werkzaamheden
van de Maatschappij ondersteunden dit werk. De Nutsscholen waren, anders
dan de eerdere diaconiescholen, bestemd voor alle kinderen ongeacht
religie.
Filantropie was ook de drijfveer achter de
Vaderlandse Maatschappij voor Rederij en Koophandel. Deze Maatschappij werd
opgericht in Hoorn, door de doopsgezind predikant Cornelis Ris, samen met
een armenschool en een werkhuis. De Maatschappij richtte zich op
walvisvaart en houthandel, maar stond met de andere onderdelen onder ŽŽn
directie. Het was uitdrukkelijk de bedoeling dat de winstgevende
activiteiten de liefdadige, waaronder weer vooral werkverschaffing aan
armen, zouden subsidi‘ren, en dat het geheel het welvaren van de Hollandse
Natie zou bevorderen. Het kapitaal voor de onderneming werd gefourneerd
door aandeelhouders. De fabriek produceerde uit inlandse vlas, hennep,
koehaar en wol een veelvoud aan textielsoorten, van vloer- en tafelzeil,
paardedekens en zakken, tot kledingstoffen en gebreide kousen en
handschoenen, maar ook uiterst modieus beschilderd behang. Dit artistieke
aspect, dat aan de oudere werkhuizen geheel vreemd was geweest, is ook
terug te vinden in de vanuit Oud Loosdrecht, ook weer door een predikant,
ds. J. de Mol, in 1774 gestichte en in 1784 naar Ouder-Amstel verplaatste,
porseleinfabriek. Deze fabriek verwerkte vermalen kwartskeitjes van de
Gooise hei tot porseleinen serviezen van een goede kwaliteit, die door
vakmensen kunstzinnig werden beschilderd. Een laatste vorm van filantropie vormden de gaar- of soepkeukens,
die rond 1800 in verschillende steden werden ingericht. Ze werden
gefinancierd door intekening van gegoede burgers, en boden de armen in de
winter voedsel dat warm, gezond en voedzaam was. De effectiviteit van al
deze filantropische initiatieven wordt over het algemeen niet zeer hoog
aangeslagen. Dit oordeel rust grotendeels op de kritiek van tijdgenoten,
die vaak een hoog studeerkamergehalte had. De energie en vindingrijkheid
die in deze ondernemingen werd gestopt doet vermoeden dat de praktijk
kennelijk aanleiding gaf tot enig optimisme.
Een ander nieuw type liefdadig gesticht dat
typisch was voor de achttiende eeuw was het armhuis, of ook wel
gecombineerd arm- en weeshuis. Deze ontwikkeling bouwde voort op de oudere
liefdadige tradities, maar had met de filantropie het verheffingsideaal
gemeen. Armvoogdijen gingen er in de loop van de achttiende eeuw op
verschillende plaatsen toe over om arme bejaarden in een armhuis onder te
brengen, in plaats van de vanouds gebruikelijke uitbesteding bij
particulieren. Anders dan in de gasthuizen, proveniershuizen en hofjes
woonden de bejaarden hier niet min of meer op zichzelf in eigen kamertjes,
maar sliepen zij met meerderen tegelijk op, naar sekse gescheiden,
slaapkamers en -zalen, soms zelfs met twee in een bed. Zij leefden in een
volledig gezamenlijk huishouden onder leiding van een binnenvader en
-moeder, zoals dat in de weeshuizen gebruikelijk was Ñ daardoor was het
onderbrengen van bejaarden en wezen in een dergelijk huis ook niet
bezwaarlijk. Zij hadden een vaste dagindeling, die geopend en afgesloten
werd met gemeenschappelijk gebeden en waren verplicht de kerkdiensten bij
te wonen. Religie was belangrijk in deze huizen, waarin de bejaarden geacht
werden zich op de dood voor te bereiden. In het armhuis van Heemstede, waar
katholieken en gereformeerden samen woonden waren er afzonderlijke gebeden
voor beide religies. De katholieken moesten dagelijks ter kerke, de
gereformeerden zovaak als er in de kerk gepreekt werd. De bestedelingen moesten meehelpen in de huishouding, en Ôter
recreatieÕ uitgaan mocht slechts op bepaalde dagen. De bedeelden lijken
vergaand als kinderen behandeld te zijn, tot en met straffen als
kamerarrest, voor straf aan een apart tafeltje moeten zitten en minder of
minder lekker eten krijgen, of blokken aan het been gebonden krijgen.
Dit type armhuizen kon door een algemene
armvoogdij gesticht worden, zoals in Heemstede, of door een diaconie, zoals
het gereformeerd diaconiehuis in Alkmaar of het Luthers diaconiehuis in
Amsterdam. De reden die dikwijls opgegeven werd voor de stichting van een
dergelijk huis was besparing. Vooral voor de bestedelingen met het hoogste
kostgeld zou een gezamenlijke huishouding, waarbij de binnenouders toezagen
op matigheid aan tafel, en de kleding tijdig versteld werd, effici‘nter en
zuiniger zijn. Bovendien kon wat de bedeelden eventueel nog bijverdienden
aan het huis ten goede komen. Dit was echter niet de enige, en misschien zelfs
niet de belangrijkste reden. Met en armhuis kon men als armvoogdij eer
inleggen, zeker als het gevestigd was in een aanzienlijk gebouw, en de
armen er netjes en gedisciplineerd bijliepen. Vooral dat laatste lijkt bij
uitbestede armen nogal eens te wensen overgelaten te hebben. Armhuizen
waren in de praktijk niet goedkoper dan uitbesteding, maar dat woog op
tegen de winst aan decorum. Voor deze arme bestedelingen werd een
goedkopere versie van het proveniershuis of het hofje geschapen.
Tegelijkertijd werd de zorg voor deze groep gemodelleerd op de weeshuizen,
waarin ook het prestige van de regenten, en het plaatselijk bestuur als
oppervoogd van de armen, een grote rol speelde.
Besluit
Veel van de vormen van goed bestuur en zorg
voor het algemeen welzijn, waarin Holland volgens tijdgenoten zo uitblonk,
waren niet uniek. Dat gold niet alleen in het algemeen, maar ook in het
bijzonder voor de armenzorg. Wat buitenlanders in Holland opviel was het
grote aantal instellingen en tehuizen, hun prestigieus karakter, en de
goede orde die er heerste. De grote verscheidenheid aan liefdadige
instellingen die de Republiek kenmerkte was slechts mogelijk door de
rijkdom van de Nederlandse samenleving en de burgerlijke trots, die zich in
de voogdij over liefdadige instellingen kon uiten. De Ôgoede ordeÕ was een
trek die de gehele Nederlandse maatschappij van die dagen kenmerkte. De
Republiek was een uitermate gereguleerde en gedisciplineerde samenleving.
Daarin paste een houding ten opzichte van de
armen die niet in de eerste plaats gekenmerkt werd door barmhartigheid en
naastenliefde. Weliswaar was er een zeer breed draagvlak voor de
ge•nstitutionaliseerde armenzorg. Deze werd immers grotendeels gedragen
door vrijwillige giften, legaten en schenkingen, en bij wijze van ereambt
geadministreerd door de maatschappelijke bovenlaag Ñ maar deze
vrijwilligheid was tamelijk nadrukkelijk onderdeel van de algemene
burgerplicht. Het is bovendien zeer waarschijnlijk dat individuen daarnaast
armen in hun omgeving stilzwijgend wel eens wat toestopten, en uit het feit
dat de bedelarij onuitroeibaar was, blijkt dat mensen bereid bleven ook de
bedelaar op straat of aan de deur een aalmoes te geven. Deze goedgeefsheid,
al dan niet bepaald door de sociale norm, gold echter nadrukkelijk de arme
van wiens hulpbehoeftigheid men overtuigd was en die zich bovendien
fatsoenlijk gedroeg en de juiste mate van dankbaarheid ten toon spreidde.
Tegen armen die de nauwe fatsoensnormen
overtraden, door zich niet te willen inspannen om hun eigen brood te kunnen
verdienen, door hun verdiensten te verjubelen of door zich liever in leven
te houden met prostitutie, diefstal, fraude en aanverwante activiteiten aan
gene zijde van de wet, werd over het algemeen streng opgetreden. Het systeem
bood in de werk- en tuchthuizen in principe wel de kans zich te
rehabiliteren, maar wie zich daar niet vatbaar voor toonde liep het risico
van lijfstraf, verbanning of de galg. Alle vormen van liefdadigheid werden
bovendien zorgvuldig afgeschermd tegen vreemde armen, ook als het ging om
bona-fide arbeidsmigranten. Slechts onder bepaalde, welomschreven,
condities konden zij een beroep doen op ondersteuning door een van de vele
instanties van armenzorg. ÔWelgereguleerdÕ omschrijft de samenleving van de
Republiek beter dan ÔtolerantÕ, ook waar het gaat om de houding ten
opzichte van armen.
Kaderteksten:
Wie waren de armen?
Armoede was in de vroeg-moderne tijd een
relatief begrip. Arm was wie onvoldoende kon beschikken over de
noodzakelijkheden van het dagelijks bestaan, zoals men dat aan zijn stand
verplicht was. Daaronder viel de armoede van een weduwe met kleine kinderen
die het aan voldoende inkomsten ontbrak om haar gezin onder dak, gevoed,
gekleed en in de winter warm te houden, maar ook de armoede van een
ambachtsmeester of koopman die door economische tegenslag of zwakke
gezondheid verarmde, zodat hij beneden zijn stand moest gaan leven. Zo
opgevat waren ook in de rijke Republiek veel mensen arm.
De grootste groep armen bestond uit gewone
gezinnen, waarin ouders en kinderen werkten maar het gezinsinkomen toch
niet voldoende was om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien.
Vooral jonge ouders met kleine kinderen en ouderen konden vaak moeilijk
rondkomen. Wie al langere tijd op ŽŽn plaats woonde beschikte doorgaans
over een netwerk van familie, vrienden, werkgevers, collegaÕs en buren,
waarbinnen men elkaar over en weer hielp. Bij tegenslag, als perioden van
duurte, ziekte, lichamelijke gebreken, een extra mond te voeden of de dood
van een van de ouders, was vaak meer structurele ondersteuning nodig. Het
is waarschijnlijk dat omstreeks een kwart van de bevolking van de Hollandse
steden gedurende bepaalde perioden in het leven, soms voor kortere tijd,
vaak ook jaren achtereen, een beroep op bedeling moest doen.
Doorgaans werd tien tot vijftien procent
van de bevolking bedeeld door de huiszittenmeesters en diaconie‘n. Zij
kregen een aanvulling op wat zij zelf, met werken en uiteenlopende vormen
van onderlinge hulp en bijstand, bij elkaar konden scharrelen Ñ men spreekt
voor deze groepen dan ook wel van een scharrel-economie. De armverzorgers
kenden doorgaans de omstandigheden van de bedeelden goed en gaven hulp op
maat, het nodige, maar niets te veel. Zij bedeelden doorgaans met brood,
wat geld, turf in de winter en af en toe kleding en andere
gebruiksgoederen. De laatsten waren vaak tweedehands, afkomstig van
overleden bedeelden. Ook schoolgeld, medicijnen voor zieken, uitbesteding
van hulpbehoevenden bij particulieren en begrafeniskosten werden wel vergoed.
Van de bedeelden werd verwacht dat zij spaarzaam en vooral dankbaar van
deze hulp gebruik zouden maken.
Naar het zich laat aanzien bestond de groep
bedeelden voor het overgrote deel inderdaad uit gedisciplineerde
hardwerkende gezinnen en eerzame hulpbehoevenden. Wie ondankbaar was,
misbruik maakte van de ondersteuning of een ongedisciplineerd leven leidde
kwam niet voor bedeling in aanmerking. Ook mensen zonder vaste woon- of
verblijfplaats waren moeilijk in te passen in dit systeem. Men kende hen niet,
en toezicht op een in de ogen van de armvoogden juist gebruik van de
ondersteuning was onmogelijk. Arme gezinnen van soldaten en zeevarenden
dreigden zo vaak buiten de boot te vallen. Omdat deze mannen een grote
bijdrage leverden aan de veiligheid en welvaart van het land kwamen hun
vrouwen en kinderen meestal wel voor ondersteuning in aanmerking, al ging
dat niet altijd van harte. Andere arme vreemdelingen, en armen die zich
niet wensten te schikken in het soort leven dat armvoogden van hun bedeelden
eisten, werden vergaand
uitgesloten. Er bestond daardoor waarschijnlijk een scherpe scheiding
tussen ÔeerlijkeÕ armen en de ÔonderwereldÕ van prostitutie, zwendel,
bedelarij, landloperij en, al dan niet georganiseerde, misdaad.
Aan het andere uiterste van het
armoedebegrip bevonden zich de mensen die als arm golden omdat zij beneden
hun stand dreigden te moeten gaan leven, ook al waren zij niet werkelijk
behoeftig. Discrete bedeling, die hen in staat stelde hun armoede te
verbergen en hun stand op te houden, werd dan als gepast beschouwd. In de
achttiende eeuw groeiden de mogelijkheden om zich tegen verarming te
verzekeren, bijvoorbeeld in de weduwenbeurzen. Werden deze verarmden
hulpbehoevend, dan hadden zij toegang tot de nettere verzorgingstehuizen. De
armenzorg hield op deze manier de maatschappelijke orde, in deze periode
gekenmerkt door grote ongelijkheid, in stand.
Netwerken en patronage
Om voor ondersteuning in aanmerking te
komen waren armen vergaand aangewezen op netwerken. Sommige van die netwerken
hadden een juridische status. De stedelijke gemeenschap beschermde haar
burgers en langdurig ingezetenen, gilden, kerken, buurtverenigingen en families hun leden. In al
deze gevallen was sprake van formele rechten en plichten. Individuen
dienden de belangen van de groep te verdedigen. In ruil daarvoor konden zij
verwachten dat de groep voor hun belangen zou opkomen. In geval van
verarming betekende dit dat men een beroep kon doen op de materi‘le
ondersteuning zoals die door stadsbesturen, gilden en kerken werd
georganiseerd, en allerlei vriendendiensten binnen de gebuurten en de kring
van verwanten Ñ en dat deze ook minstens moreel gehouden waren hulp te
bieden. Uiteraard was ook in vrijwillig aangegane relaties tussen vrienden
en kennissen dikwijls sprake van een dergelijke wederkerigheid. Netwerken
waren voor armen van levensbelang. Wie nergens bijhoorde kon ook nergens op
terugvallen.
De meeste sociale netwerken bestonden in
deze tijd niet zozeer uit kringen van gelijken, maar uit rijken en armen,
vooraanstaande en eenvoudige mensen. Eer en aanzien berustten in een
vroegmoderne samenleving uiteraard op afkomst en welstand, maar daarnaast
ook op de mate waarin rijken en aanzienlijken patronage uitoefenden. Het
succes van de vroegmoderne Hollandse armenzorg berustte voor een niet
gering deel op de kracht van deze lokale patronageverhoudingen. Lokale
regenten en notabelen zetten zich in voor de ondersteuning van de armen van
hun stad of hun kerk, zonder enige bezoldiging, als een ereambt, en droegen
via collectes, giften, legaten en belastingen ook nog eens een aanzienlijk
deel van de kosten. Zij eisten daarvoor in ruil werk respect, dankbaarheid
en een nette levenswijze van hun cli‘nten. Alleen de ondersteuning van
ÔeerlijkeÕ armen vergrootte het prestige van hun patroon. Armen die zich
hieraan onttrokken konden zij op hun beurt verdere ondersteuning weigeren.
Binnen deze lokale patronagenetwerken was de afstand tussen patroon en
cli‘nt klein, en effectief toezicht op de gewenste levenswijze van de ondersteunden
gemakkelijk. Liefdadigheid en tucht waren zo twee kanten van dezelfde
medaille. In de Republiek lijkt de relatief royale bedeling van de armen
dan ook onlosmakelijk van een voor Europese begrippen zeer strikte sociale
discipline.
Loyaliteit aan een patroon kon omgekeerd
voor armen en andere afhankelijken zeer lonend blijken. Een goed voorbeeld
daarvoor is de positie van inwonend huispersoneel bij de betere standen.
Knechten en meiden verdienden geen hoge lonen, maar genoten toch dikwijls
een hogere levensstandaard dan loonarbeiders met een vergelijkbaar inkomen
in andere beroepen. Wanneer zij deel uitmaakten van een rijke huishouding
waren zij beter gehuisvest en gevoed, en kregen dikwijls tweedehands
kleding van hun werkgevers. Wanneer blijkt dat veel weesmeisjes geen
vakopleiding kregen, zoals de jongens, maar voorbereid werden op een
bestaan als dienstmeisje, hoeft dat dus niet opgevat te worden als een teken dat de regenten aan hun
toekomstperspectief minder gelegen was.
Ook was voor de toegang tot een sommige
liefdadige instellingen de voorsprak van aanzienlijke patroons nodig.
Alleen echt kapitaalkrachtigen konden met een gerust hart hun oude dag
tegemoet zien. Hofjes en proveniershuizen boden hun bewoners niet alleen
onderdak maar ook levenslang een gegarandeerd levensonderhoud. In de meeste
hofjes zorgde een door liefdadige stichters nagelaten kapitaal voor de
kosten van huisvesting en een geregelde ÔproveÕ aan levensmiddelen,
brandstof en soms ook zaken als kleding en schoeisel. De regenten van een
dergelijke stichting waren dikwijls vergaand vrij hun huisjes te begeven
aan wie het hun beliefde. Uiteraard hadden mensen die als cli‘nt tot hun
patronagenetwerk behoorden, zoals verarmde verwanten en in trouwe dienst
vergrijsd personeel, dan een
streepje voor.
|