jospaans@xs4all.nl

 

 

Home

Publications

 

Weduwen, wezen en vreemdelingen. Sociale zorg en tolerantie

Jo Spaans

Thimo de Nijs en Eelco Beukers, red., Geschiedenis van Holland 1572 tot 1795, Hilversum 2002, 255-286

Zorg voor het algemeen welvaren

Holland gold in deze periode internationaal als een voorbeeld van een welgereguleerde samenleving. Er werd dan vooral gekeken naar haar steden. Binnen het culturele klimaat van de Renaissance was een beeld ontworpen van een ideale stad. In bouwkundig opzicht hoorde dit een harmonieus ingerichte openbare ruimte te zijn, die een zekere schoonheid bezat, een duidelijk bestuurlijk centrum had en ook goed verdedigbaar was, waarbinnen ruimte was voor alle economische functies die een stad welvarend maakten, en waar ook oog was voor een gezond klimaat, met voldoende licht en lucht. Parallel aan dit architectonische ideaalbeeld kende deze tijd een ideaal beeld van een goed bestuur, dat zorg droeg voor het Ôgemene welvarenÕ. Een goed gebouwde omgeving droeg bij aan het gemene welvaren, maar daarnaast waren regulering van het economisch leven, een stelsel van sociale zorg, bescherming van de godsdienst, en het handhaven van orde en openbare zedelijkheid nodig.[1] In dit hoofdstuk zal de nadruk vooral liggen op de zorg voor de armen, maar die stond voor de tijdgenoot niet op zichzelf. Sociale zorg was een onderdeel van een veel breder geheel van zorg voor het algemeen welvaren. 

Naar het oordeel van buitenlandse bezoekers had Holland al deze zaakjes op voorbeeldige wijze op orde. Ook Italiaanse en Franse steden konden zich laten voorstaan op hun stedeschoon en ook zij hadden doorgaans monumentaal gehuisveste liefdadige instellingen en effectieve programmaÕs voor de disciplinering van werkloze armen. Maatregelen tegen pest en honger werden door overheden overal uitgevaardigd, en liefdadigheid overal in Europa bedreven. Toch benijdden de Engelsen de Hollanders hun schone, geplaveide straten en goed geoutilleerde havens en kaden.[2] De wijze waarop men in Holland probleemloos met een grote reigieuze diversiteit wist te leven wekte alom verwondering, evenals de goede organisatie van de armenzorg. Met enige afgunst vergeleek men de Engelse armenzorg, voor zijn tijd heel modern en gefinancierd uit een armenbelasting, met de Hollandse, die er met behulp van louter vrijwillige giften in slaagde royaler, effectiever en ook nog eens gunstiger voor de plaatselijke economie te zijn. Ook de Hollandse werkhuizen, waar armen gedeeltelijk vrijwillig werk vonden, slaagden er beter in de armen te disciplineren en aan te zetten een deel van hun onderhoud zelf te verdienen, dan de Engelse met hun gedwongen tewerkstelling en hun onaangenaam regime.[3] In het Duitse Rijk werden werkhuizen gesticht naar Hollands voorbeeld en Duitse pi‘tisten kwamen in Holland informeren naar de beste manier om een weeshuis in te richten.[4]

Parochie en armen

Het vroegmoderne systeem van ge•nstitutionaliseerde armenzorg bouwde in de Republiek, zoals overal elders, voort op een middeleeuwse erfenis. Christelijk Europa deelde traditioneel de armen in volgens bijbelse categorie‘n. Altijd waren er hongerigen die gevoed, dorstigen die gelaafd, naakten die gekleed en vreemdelingen die geherbergd moesten worden. Zieken en gevangenen behoefden troostrijk bezoek en doden een eerlijke begrafenis. Weduwen, wezen en vreemdelingen waren in de goede zorgen van overheden en individuen nadrukkelijk aanbevolen. Aalmoezen geven was een verdienstelijk werk. Voor meer dan incidentele giften konden armen bovendien een beroep doen op de parochie. Inwoners van de eigen parochie gingen daarbij voor. Dat wil niet zeggen dat deze middeleeuwse armenzorg per se een kerkelijk karakter droeg. Wie een omvangrijke gift, bij leven of bij testament, wilde bestemmen voor structurele, of zelfs ÔeeuwigdurendeÕ hulp aan de armen kon daarmee het best terecht bij de parochie, de kerkmeesters, een geestelijk gilde of een stadsbestuur. Alleen dergelijke colleges konden enige garantie bieden voor een permanent karakter van de liefdadige stichting.[5]

In de Nederlanden waren al in de late middeleeuwen de permanente instellingen voor de armen zelfstandige stichtingen geworden, met een eigen bestuur. In dorpen waren de fondsen voor het onderhoud van het kerkgebouw en de armen vaak samen in handen van de kerkmeesters, in steden functioneerden aparte colleges van kerkmeesters en huiszittenmeesters. De laatsten zorgden voor de armen die zelfstandig woonden maar door ziekte, gebreken, ouderdom of een groot kindertal niet voldoende konden verdienen om van rond te komen. Deze meesters werden gerecruteerd uit de plaatselijke elite. Zij beheerden de inkomsten van het armenfonds en ondersteunden daarmee, eventueel samen met de pastoor, de armen van de parochie. Aangezien het fonds vaak werd begiftigd met legaten, die niet alleen bestemd waren voor de armen, maar ook voor memoriemissen voor de zielerust van de overledene, waren de huiszittenmeesters nauw aan de parochiekerk verbonden.

De uitdelingen van de huiszittenmeesters konden incidenteel zijn, bij ziekte of kraambed, of voor een langere tijd. Sommige, bevoorrechte armen kregen levenslang recht op regelmatige uitdelingen aan voedsel en kleding. Die uitdelingen werden wel ÔprovenÕ genoemd, en de ontvangers heetten daarnaar ÔproveniersÕ. Voor hen was er, naast de huiszittenmeesters, vaak een apart college van Heilige Geest-meesters. Dezen hadden in veel plaatsen ook de zorg voor weeskinderen, verlaten kinderen en vondelingen, die zij bij pleeggezinnen uitbesteedden, of waarvoor zij in een enkel geval een eigen huis hadden. Ook particuliere weldoeners konden ÔprovenÕ stichten. Rijke weldoeners stichtten hofjes, bestaande uit kleine huisjes of ÔkamertjesÕ, aaneengesloten in een rijtje of rond een bleekveldje, en afgesloten van de publieke weg door een poort. De prove bestond dan uit kosteloze bewoning van een huisje en vaak enige wintervoorraad of een wekelijkse gift, en van de begunstigden werd verwacht dat ze deugdzaam zouden leven en voor de zielenrust van de stichter zouden bidden. Sommige hofjes hadden daartoe een eigen kapelletje, wat deze besloten woongemeenschappen een enigszins kloosterachtig karakter gaf.[6]

De zorg van huiszittenmeesters, Heilige-Geestmeesters en hofjes was gereserveerd voor gevestigde inwoners. Doortrekkende armen zoals pelgrims, soldaten, studenten en zwervende bedelaars waren aangewezen op het bedelen van aalmoezen. Zij konden gratis overnachten in het gasthuis, en wanneer zij ziek of gewond waren konden zij daar ook verpleegd worden. Voor dat laatste doel namen gasthuizen behalve vreemdelingen ook arme inwoners op, die zich geen zorg aan huis konden veroorloven. Sommige gasthuizen specialiseerden zich in ziekenzorg, zoals bijvoorbeeld het Leidse Katherijnegasthuis, en het Schiedamse Sint-Jacobs gasthuis,[7] maar dat was lang niet overal het geval. Sommige steden hadden verschillende gasthuizen, die dan bijvoorbeeld, zoals in Alkmaar, de mogelijkheid boden mannen en vrouwen apart onder te brengen.[8] Voor melaatsen, pestlijders en krankzinnigen waren vaak afzonderlijke ruimtes beschikbaar, waarin zij afgezonderd konden worden en een elementaire verzorging konden krijgen. Soms waren deze ruimtes verbonden aan het gasthuis, maar voor melaatsen of, zoals zij doorgaans genoemd werden, leprozen, waren in sommige steden aparte leprozerie‘n ingericht, buiten de stadsmuren.

Veel gasthuizen ontwikkelden zich al aan het einde van de middeleeuwen tot proveniershuizen. Proveniers waren mensen die enig vermogen hadden, en zich daarmee inkochten in een gasthuis. Voorwaarde was dat zij, met enige hulp, nog zelfstandig konden wonen. Het provenierschap bood hen levenslang de garantie van huisvesting, een behoorlijk levensonderhoud en zonodig verzorging en een decente begrafenis. De inkoopsommen van de proveniers, vermeerderd met giften en legaten, stelden de gasthuizen in staat een kapitaal te vormen, uit de inkomsten waarvan, naast de betalende proveniers vaak ook nog armen Ôpro deoÕ in het huis onderhouden konden worden. Een enkele keer namen de gasthuizen ook weeskinderen op. De zwervers en passanten hadden voor hun overnachting overal een aparte ruimte, de baaierd, zodat de rust van de vaste bewoners niet al te zeer verstoord werd door dit varende volk.[9]

Huiszittenmeesters, Heilige-Geestmeesters, hofjes en gasthuizen deelden de zorg voor verschillende soorten armen. De precieze taakverdeling kon enigszins overlappen, en bovendien van plaats tot plaats verschillen. Naast deze zelfstandige stichtingen bestonden er ook nog allerlei uitdelingen waarvan armen incidenteel konden profiteren. Kloosters deden regelmatige uitdelingen van voedsel aan zowel plaatselijke als rondtrekkende armen. Gilden steunden hun leden wanneer die door ziekte of ouderdom inkomsten derfden. Veel welgestelden bepaalden in hun testament dat er bij hun begrafenis en bij de latere memoriediensten brood aan de armen moest worden uitgedeeld. Van deze armen werd verwacht dat zij in ruil voor deze gift voor de ziel van de overledene zouden bidden. Daarnaast was elk christenmens verplicht aalmoezen te geven aan medemensen in nood, aan familie, vrienden en buren, maar ook aan vreemdelingen. Dat maakt een strak overzicht over de traditionele armenzorg wat rommelig, maar in principe bestond er plaatselijk een min of meer samenhangend geheel van voorzieningen voor de leniging van verschillende soorten armoede.

In de eerste decennia van de zestiende eeuw begonnen vooral steden dit gaandeweg gegroeide systeem van armenvoorzieningen steeds nadrukkelijker af te schermen tegen vreemde armen en zwervende bedelaars. Vooral het geven van aalmoezen op straat, aan de deuren en bij het uitgaan van kerken werd nauwer aan banden gelegd. Stadsbesturen zagen het varende volk dat voor zijn onderhoud op het bedelen van aalmoezen was aangewezen als een ordeprobleem, en bovendien zagen zij de liefdadigheid van de burgerij liever ten goede komen aan de eigen, gevestigde, armen. Verschillende steden experimenteerden met reglementen, waarin bedelarij geheel verboden werd, niet alleen voor vreemdelingen, maar ook voor de eigen armen. Voor de eigen armen moest op een structurele manier gezorgd worden. Deze zorg moest gefinancierd worden uit de opbrengsten van alle bestaande liefdadige fondsen gezamenlijk, die daartoe werden samengevoegd in een centrale ÔarmenkistÕ. Een centraal fonds kon zuinig en effici‘nt werken. Waar de inkomsten van de armenkist tekort schoot organiseerde het stadsbestuur regelmatige collectes, in de kerkdiensten of langs de deuren. Zo hoefden de plaatselijke armen ook niet meer te bedelen, en konden vreemdelingen makkelijk van de straat geplukt en de stad uitgezet worden, eventueel met een aalmoes voor onderweg.

Deze experimenten waren tamelijk controversieel. Zij vormden een inbreuk op het traditionele recht van armen om aalmoezen te vragen en de plicht van goede christenen om die aalmoezen te geven waar ze nodig waren. Het nieuwe systeem sloot het geven aan de armen niet uit, maar beperkte wel de vrijheid van armen om te bedelen. Het werd hun onder het nieuwe systeem praktisch onmogelijk gemaakt hun eigen parochie te verlaten. Dat was juist voor stadsbesturen, die orde en rust in hun jurisdictie wensten te handhaven, bijzonder aantrekkelijk. De nieuwe armenreglementen vonden dan ook een gunstig onthaal in plaatsen en streken waar arbeidsmigratie van armen een zekere omvang bereikte.

De Zuidelijke Nederlanden waren zoÕn streek. Verschillende steden voerden armenwetten volgens het nieuwe model in, en in 1531 vaardigde de landsheer, keizer Karel V, een edict uit waarin deze regelingen voor heel de Nederlanden werden voorgeschreven. Het edict verbood arme mensen hun woonplaats te verlaten, behalve bij calamiteiten als oorlog, overstroming of brand, en verplichtte de parochies om op een of andere manier alle inwonende armen naar behoren te ondersteunen. Bestaande fondsen moesten zo efficient mogelijk gebruikt worden, en schoot de opbrengst ervan tekort, dan moesten plaatselijke besturen ervoor zorgen dat het ontbrekende door de gegoede ingezetenen werd opgebracht. Mensen die verhuisd waren naar een andere parochie en daar verarmden door ziekte of andere oorzaken mochten pas een beroep op de armenzorg van hun nieuwe woonplaats doen nadat ze er een jaar zelfstandig hadden gewoond. Wie zonder noodzaak het land afschuimde en op de zak van de bevolking wilde leven moest streng gestraft worden.[10]

Liefdadigheid en burgerlijke trots

V——r Opstand en Reformatie lijkt in Holland nauwelijks uitvoering gegeven te zijn aan het edict van 1531. Bedelverboden zijn uit de eerste helft van de zestiende eeuw incidenteel bekend, maar opzettelijke samenvoeging van armenfondsen nauwelijks.  Veranderingen in het systeem van armenzorg lijken op de meeste plaatsen pas gaandeweg te zijn ingevoerd, en vaak niet veel eerder dan in de jaren 1595-1600, toen economische crisis tot reorganisaties noopte.[11] Praktische omstandigheiden waren hierbij waarschijnlijk van doorslaggevend belang. Niet alleen in Holland, maar overal in West-Europa lukte de reorganisatie van de armenzorg het gemakkelijkst waar, als gevolg van de invoering van de Reformatie, stadsbesturen de beschikking hadden over geconfisqueerd kerkelijke goederen. Hiermee konden liefdadige instellingen en fondsen vergroot worden en werd een sluitende zorg voor plaatselijke armen mogelijk. Ook de afwijzing van goede werken als voorwaarde voor het zielenheil, die het geven van individuele aalmoezen een religieuze waarde had gegeven zal een rol gespeeld hebben. In plaats van een religieuze verplichting maakte men het geven van regelmatige giften in door de huiszittenmeesters gehouden huis-aan-huiscollectes tot een eenvoudige burgerplicht.

Opstand en Reformatie vormden in de armenzorg in de Noordelijke Nederlanden dan ook geen scherpe cesuur. Veel van de hierboven genoemde instellingen bleven gewoon bestaan, zij het dat de memoriefunctie die aan bepaalde vormen van armenzorg verbonden was geweest kwam te vervallen. Gast- en weeshuizen kregen van stadsbesturen vaak de beschikking over ruimere behuizingen in de door opheffing van de kloosters vrijgekomen gebouwencomplexen. Verschillende liefdadige stichtingen en armvoogdijen kregen inkomsten uit geestelijke goederen toegewezen Ñ welke instellingen dat waren verschilde weer per stad. Mede daardoor versterkten lokale besturen hun controle over het geheel van de armenzorg. Zij kregen niet alleen in de afzonderlijke instellingen vaak meer te zeggen, maar namen ook een cošrdinerende taak op zich. Zij wierpen zich nadrukkelijk op als opperste voogden van de armen. Dat vloeide voort uit het vroegmoderne ideaal van een welgeordende samenleving. Armenzorg werd in deze tijd steeds sterker verbonden met het bewaken van de openbare orde. Met een vanaf het einde van de zestiende tot diep in de zeventiende eeuw steeds uitbreidend scala aan armeninstellingen viel er ook steeds meer te cošrdineren.[12]

Diakenen en huiszittenmeesters

Een nieuwe armvoogdij die onmiddellijk bij de Opstand op het toneel verscheen was de gereformeerde diaconie. De gereformeerde kerk die na 1572 in Holland publieke kerk werd, had in de voorliggende decennia haar kerkelijke organisatie ontwikkeld in vluchtelingengemeenten in Engeland en het Duitse Rijk. Deze vluchtelingenkerken hadden in den vreemde eigen armenvoorzieningen gevormd, de diaconie‘n, die lidmaten van de kerkelijke gemeente in geval van armoede ondersteunden. De steden die de vluchtelingenkerken binnen hun muren toelieten stelden het bezit van een eigen diaconie dikwijls als voorwaarde, opdat de ballingen niet ten laste zouden komen van de armenzorg ter plaatse, die in eerste instantie bestemd was voor de eigen inwoners. Eenmaal gevestigd in Holland wist de gereformeerde kerk slechts een minderheid van de bevolking tot het lidmaatschap te trekken. De gereformeerde diaconie bleef aanvankelijk bestemd voor deze lidmaten, en opereerde dus naast de plaatselijke huiszittenmeesters. In een aantal steden werden huiszittenmeesters en diakenen na verloop van tijd samengevoegd in een centraal armenbestuur. De vorm waarin dat gebeurde was weer niet overal hetzelfde. In Leiden gingen in 1582 de drie colleges van huiszittenmeesters van de voormalige drie stadsparochies en de diaconie op in het Huiszittenhuis, dat gereformeerden en niet-gereformeerde armen zonder aanzien van religie bedeelde. Ook in Delft kwam het tot een volledige fusie in de Kamer van Charitate (1613). In Rotterdam bedeelden de diakenen alle stedelijke armen. In Enkhuizen en Schiedam daarentegen was slechts sprake van gedeeltelijke samenwerking, en behielden diakenen en huiszittenmeesters elk een aparte administratie. In een aantal steden, zoals bijvoorbeeld Amsterdam, bleven zij volledig gescheiden. In de dorpen is eenzelfde variatie in samenwerkingsvormen te zien. Lokale besturen hadden overal een beslissende stem in de onderlinge verhouding van kerkelijke en algemene armenzorg en hielden ook toezicht op de onderlinge taakafbakening.[13]

Algemene en kerkelijke verzorgers van huiszittende armen werden als vanouds gerecruteerd uit de plaatselijke elite. Zij deden het werk van armbestuurder als een ereambt, zonder dat ze ervoor werden betaald en voortvloeiend uit hun verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn. Armbestuurder zijn was echter geen sinecure: zij inden en administreerden de inkomsten van de onroerende goederen en moesten regelmatig processen voeren over erfenissen of eigendommen. Graan, textiel en turf kochten zij in het groot in, tegen een zo gunstig mogelijke prijs. De voorraden moesten daarna opgeslagen en beheerd, er moesten contracten worden gesloten met bakkers en naaisters om brood en kleding voor de armen te maken, en op dit alles moest ook worden toegezien. Minstens wekelijks was er spreekuur voor armen die bedeling kwamen vragen, en al die verzoeken moesten woren beoordeeld. Zij registreerden alle bedeelden op lijsten, die uiteraard regelmatig herzien en aangevuld moesten worden. Doorgaans waren er geen standaard-uitdelingen, maar kreeg iedereen juist wat in zijn of haar specifieke omstandigheden nodig was om het hoofd boven water te kunnen houden. Armen moesten regelmatig bezocht worden om te controleren of ze de hun toegezegde bedeling goed gebruikten en wel werkelijk nodig hadden, of hun omstandigheden niet inmiddels verbeterd waren en ze dus geen ondersteuning meer nodig hadden. Een deel van het werk kon worden uitbesteed: zo was er voor het huisbezoek vaak een knecht en waren er aparte collectanten voor de collectes, maar door alle moeite die er, ondanks dat, aan verbonden bleef was het armbestuur bepaald niet het meest begeerde publieke ambt. Het gold vaak wel als opstapje naar iets beters, en gaf algemene armvoogden en gereformeerde diakenen in ieder geval het recht op eenplaats in de prestigieuze ÔherenbankenÕ in de publieke kerk. Aanzienlijker waren de bestuursfuncties in gast- en weeshuizen, waar iets minder werk aan verbonden was, en die dan ook vaak door zittende regenten en hun vrouwen bekleed werden.[14]

Gevestigde arme inwoners die lid waren van andere geloofsgemeenschappen dan de gereformeerde kerk konden een beroep blijven doen op de huiszittenmeesters. Gaandeweg hebben echter ook de getolereerde kerken eigen diaconie‘n gevormd. Aanvankelijk waren die niet in staat al hun armen in voldoende mate te ondersteunen. Het was getolereerde gezindheden niet toegestaan eigendommen te bezitten of fondsen te vormen. Dat verbod werd wel ontdoken door onroerend goed of renten op naam van particulieren te zetten, maar uiteindelijk bleven zij vergaand afhankelijk van de liefdadigheid van rijkere particulieren van hun gemeente. Dat veranderde rond het midden van de zeventiende eeuw. Stadsbesturen begonnen er toen op aan te dringen dat kerkelijke gemeenten voor hun eigen armen zouden zorgen. Dat kon aanvankelijk niet in de vorm van een geheel zelfstandige, en officieel erkende, confessionele armvoogdij. Instellingen van getolereerde kerken hadden geen rechtspersoonlijkheid. In 1623 werd bijvoorbeeld de doopsgezinden van Haarlem en Alkmaar nog het recht ontzegd een erfenis en behoeve van hun armen te aanvaarden, omdat ze Ôonwettige vergaderingenÕ waren.[15]

Van de getolereerde gezindheden werd wel eens verwacht dat zij uit kerkcollectes of anderszins een bijdrage aan de algemene armenzorg zouden leveren, die immers ook hun armen bedeelde. In het overwegend katholieke Heemstede werd apart gecollecteerd onder katholieken en onder de rest van de dorpsbevolking, en de opbrengst van beide collectes werd in de kas van de algemene armvoogdij gestort. Zo kon men erop toezien dat de katholieken naar vermogen bijdroegen. Rond het midden van de zeventiende eeuw lijken stadsbesturen er overal op aangedrongen te hebben dat getolereerde kerkelijke gemeenten de gehele zorg over al hun armen op zich namen. Vanaf de jaren 1650 moesten de Haarlemse katholieken gaan bijdragen aan het onderhoud dat de aalmoezeniers aan hun armen verschaften. Geleidelijkaan werd deze bijdrage in mindering gebracht op de recognitiegelden die zij in ruil voor tolerantie aan de schout afdroegen. In Amsterdam dreigde het stadsbestuur met het uitzetten van arme bejaarde lutheranen wanneer de gemeente niet zelf aan hun onderhoud bijdroeg.[16] Naarmate de getolereerde kerken meer bereid en in staat waren de zorg voor hun eigen armen geheel te dragen werd plaatselijk toestemming gegeven voor het oprichten van eigen fondsen en instellingen. Al in de jaren 1670 verrezen de eerste lutherse en doopsgezinde weeshuizen, en vanaf 1715 werd het openlijk vormen van eigen armenfondsen zelfs toegestaan aan katholieke gemeenten, die altijd aan de strengste beperkingen waren onderworpen.[17]

De zorg voor de huiszittende armen werd zo in de loop van de zeventiende eeuw verdeeld over algemene en kerkelijke armvoogdijen, waarbij de grenzen duidelijk getrokken waren. Kerklidmaatschap, of het ontbreken daarvan, bepaalde waar iemand kon aankloppen voor hulp. Tegen het einde van de achttiende eeuw blijkt dat deze kerkelijke diaconie‘n ook binnen een en dezelfde plaats, zeer ongelijk bedeelden. Er was een sociale hi‘rarchie ontstaan, waarvan de top gevormd werd door deftige kerkgenootschappen als de Schots- en Waals-gereformeerden, de remonstranten en vaak ook de doopsgezinden, die hun armen royaal konden ondersteunen. Onderaan deze rangorde stonden de kerken die vooral door de trek van eenvoudige arbeidsmigranten naar het rijke Holland waren gegroeid, zoals de lutheranen, de katholieken en de joden. Hun armen kwamen er in verhouding bekaaid vanaf. De gereformeerde diaconie‘n en de algemene armenzorg stonden tussen de twee uitersten.[18] Hoe deze verschillen gegroeid waren is nog grotendeels onbekend.

Gasthuizen, oude mannen- en vrouwenhuizen, hofjes

Eenzelfde diversificatie is in deze periode te zien in de ontwikkeling van de gasthuizen. De misschien wel oudste functie van het gasthuis, het verschaffen van onderdak aan arme reizigers, verdween geheel. Had aanvankelijk elk stadsgasthuis wel een ÔbayertÕ, een eenvoudige ruimte waar mensen gratis konden overnachten, al in de eerste helft van de zeventiende eeuw verdwenen deze ÔbaaierdsÕ ongemerkt.[19] Verscherpt toezicht op bedelaars,  en de uitreiking van passantengeld aan bona-fide arme reizigers maakten ze wellicht overbodig. Ook vond men de altijd rommelige en rumoerige baaierds misschien niet meer passen bij een gasthuis. Gasthuizen legden zich meer en meer toe op het opvangen van arme zieken en proveniers.

Gasthuizen waren geen ziekenhuizen zoals wij ze nu kennen. Zieken en kraamvrouwen werden in principe thuis verzorgd, door familie of buren, bijgestaan door een dokter, chirurgijn of vroedvrouw. Dat gold ook voor armen. In geval van nood betaalde de armenzorg de kosten van de geboden hulp, medicijnen, versterkend voedsel en eventueel een waakster voor onrustige nachten. Ook in het gasthuis kwamen dokters en chirurgijns langs, maar de zorg was er niet automatisch beter of vollediger dan thuis. Vooral arme zieken die niet thuis verzorgd konden worden kwamen naar het gasthuis. In havensteden waren dat bijvoorbeeld gewonde of zieke zeelieden en soldaten, elders waarschijnlijk ook zieken die ter plaatse niemand hadden die voor ze kon zorgen, of die hun familie teveel tot last waren. Onhoudbare geesteszieken werden soms een tijdje ingesloten in speciale cellen aan of bij een gasthuis. Zij kwamen er niet om genezen, maar om in toom gehouden te worden. Rustige krankzinnigen en Down-kinderen, de zogeheten innocenten, bleven gewoon thuis.[20]

Voor veel gasthuizen lijkt de nadruk gelegen te hebben op de opvang van proveniers of kostkopers. Tegen betaling van een inkoopsom kregen deze mensen in een gasthuis levenslang een eigen kamertje, vuur en licht, gezamenlijke maaltijden, en verzorging in geval van ziekte. Voor huisraad voor de eigen kamer en kleding moesten zij zelf zorgen, en zij moesten naar vermogen meehelpen bij het schoonhouden van het huis en de verzorging van zieken en zwakken. Naar deze vorm van opvang was veel vraag. Men kocht op deze wijze de zorg over de oude dag met zijn onvermijdelijke gebreken af. Inmiddels zal het duidelijk zijn dat een dergelijk arrangement niet was weggelegd voor de armsten.

De taak van de gasthuizen lag zo dicht bij die van de proveniershuizen en de hofjes. Proveniers- of Oude Mannen- en Oude Vrouwenhuizen waren doorgaans iets duurder en sjieker dan gasthuizen. Hofjes onderscheidden zich doordat plaatsen daarin geschonken werden. Hofjes waren doorgaans gesticht door een particuliere weldoener. Het reglement bepaalde wie kon worden opgenomen. Dikwijls waren dat mensen die een of andere band met de stichter of zijn familie hadden, of lid waren van de kerk waartoe deze bij leven behoord had. Sommige stichters bepaalden echter juist dat de woninkjes van hun hofje in een vaste verdeelsleutel aan bejaarde mannen of vrouwen uit verschillende kerkelijke richtingen begeven moesten worden. Ook hier moesten bewoners en bewoonsters dikwijls enig eigen huisraad meebrengen, maar er werd geen inkoopsom betaald. Zowel de doorgaans stedelijke gast- en proveniershuizen als de hofjes waren doorgaans monumentaal gehuisvest, en werden bestuurd door leden van de plaatselijke elite. Ook hier bepaalde het prestige van stad en stichters het aanbod van Ôbeschermd wonenÕ. Veel Hollandse steden waren rijk voorzien van hofjes: Leiden telde er dertig, Amsterdam vijfentwintig, Haarlem bezit nu nog achttien hoven met ruim 250 plaatsen, maar er zijn ongeveer vijfentwintig namen van, deels zeer kleine, hofjes bekend die inmiddels verdwenen zijn. Alkmaar had in totaal honderd hofjeswoningen. Algemeen was die rijkdom echter niet: Rotterdam had er maar enkele.[21]

Weeshuizen

Nieuw in de vroegmoderne tijd waren de weeshuizen. Ook in de middeleeuwen namen lokale overheden wezen in bescherming. Zij regelden vaak de voogdij over wezen van inwoners, zowel armen als rijken. Heilige-geestmeesters zorgden ervoor dat onvermogende wezen, vondelingen en verlaten kinderen ergens werden ondergebracht, hetzij bij particulieren, als bestedelingen, of in een eigen huis. Deze middeleeuwse wezenzorg hield dikwijls rond het tiende jaar op, omdat kinderen dan geacht werden hun eigen kostje te kunnen opscharrelen. Zowel tijdens hun verblijf onder de hoede van armenzorg als daarna waren zij vaak aangewezen op het bedelen van aalmoezen. De wezen uit de vroegmoderne weeshuizen daarentegen mochten niet bedelen. Zij werden gevoed, gekleed en gehuisvest in het huis, kregen er elementair onderwijs en volgden vervolgens, op kosten van het weeshuis, een vakopleiding. Ze verlieten het huis pas wanneer ze volledig Ñ en dus alweer: zonder te hoeven bedelen Ñ voor zichzelf konden zorgen, als ambachtslieden of als dienstpersoneel.

Deze weeshuizen pasten daarmee volledig in de zestiende-eeuwse opvattingen over armoede en zorg: armen mochten niet bedelen, maar moesten met hun eigen handen de kost verdienen. Die ideologische achtergrond was belangrijker voor de opkomst van deze nieuwe weeshuizen dan het aantal arme wezen dat een stad of dorp telde. Toegang tot stedelijke weeshuizen was beperkt tot wezen waarvan de ouders het burgerrecht hadden bezeten, soms was het zelfs vereist dat zij een vastgesteld aantal jaren burger geweest waren voordat hun kinderen in aanmerking konden komen voor opname in het weeshuis. Was een weeshuis gesticht door een particuliere weldoener, dan hadden verweesde bloedverwanten vrijwel altijd voorrang. Bovendien golden meestal leeftijdsgrenzen. De kleintjes die nog niet zindelijk waren moesten eerst bij pleegmoeders worden uitbesteed, eventueel op kosten van een armvoogdij, en was een kind al groot genoeg om als leerling bij een ambachtsman of -vrouw, of in een dienstbetrekking geplaatst te worden, dan moest verdere ondersteuning eveneens buiten het weeshuis om gezocht worden. Fysieke gezondheid en geestelijke volwaardigheid waren ook absolute vereisten: het weeshuis nam alleen kinderen op die het tot volledige zelfstandigheid kon opleiden. Zelfs van de kinderen die aan al deze voorwaarden voldeden konden slechts zoveel kinderen worden opgenomen als de middelen van het huis toelieten. De volledige opvoeding die een weeshuis bood was duur, en daarom niet voor alle hulpbehoevende kinderen weggelegd.[22]

Veel van de weeshuizen die in de zestiende of vroeg in de zeventiende eeuw werden gesticht waren burgerweeshuizen. Ze weerspiegelden het zelfgevoel van stadsbestuurders of de vrome intenties van particuliere stichters. Ze werden bestuurd door colleges van regenten en regentessen uit de plaatselijke elite of de nakomelingen van de stichters, en bedoeld om te voorkomen dat verweesde kinderen van burgerij of familie beneden hun stand terecht zouden komen. Regenten  en regentessen lieten zich portretteren als patroons van de onmondige kinderen. Ostentatieve liefdadigheid verhoogde het persoonlijk of collectief prestige. De gebouwen werden voorzien van imposante gevelversieringen, die, met behulp van toepasselijke opschriften en de afbeelding van weeskinderen, niet alleen opriepen tot ruimhartige financi‘le ondersteuning van het gesticht, maar met hun heraldische symbolen ook nadrukkelijk de eer van stad of stichters hooghielden. De wezen droegen vaak opvallend gekleurd uniform. Dat was niet alleen praktisch omdat het het toezicht op de kinderen buitenshuis en het opsporen van weglopers vergemakkelijkte en voorkwam dat weeshuiskleding naar de lommerd verdween, maar tekende de kinderen ook als beschermelingen van de stad of het huis.[23]

Aangezien echter de plaatselijke besturen verantwoordelijk waren voor de ondersteuning van alle plaatselijke armen, moest er ook overal opvang geregeld worden voor onverzorgd achtergebleven kinderen die niet in aanmerking kwamen voor een burgerweeshuis. In een enkel geval richtte een stadsbestuur een weeshuis op waarin alle wezen, verlaten kinderen en vondelingen konden worden opgenomen, voorzover ze natuurlijk gezond waren en in de leeftijd dat de dure verzorgings- en onderwijsfaciliteiten van een weeshuis een maximaal effect konden sorteren. Delft lijkt hiervan een voorbeeld: het in 1579 opgerichte weeshuis nam volle en halve wezen, verlaten kinderen, soldatenkinderen en in de stad achtergelaten vondelingen op.[24] In de meeste grotere plaatsen richtte men naast een burgerweeshuis een meer algemeen kindertehuis op, onder benamingen als arme-kinderhuis of aalmoezeniershuis. Veel van die arme-kinderhuizen verschenen rond het midden van de zeventiende eeuw, toen de welvaart een hoogtepunt bereikte. Het scala aan weeshuistypen werd nog vergroot doordat ook kerkelijke gemeenten een groeiend aandeel namen in de ondersteuning van hun arme lidmaten. Dat gold met name voor de getolereerde kerken, die, ook meestal vanaf het midden van de zeventiende eeuw, huizen voor wezen van de eigen gezindte oprichtten. De algemene weeshuizen, ook wanneer zij kinderen opnamen ongeacht religie, voedden hun pupillen gereformeerd op. Dikwijls maakte de gereformeerde diaconie daarom voor haar wezen gebruik van een algemeen weeshuis, maar waar de diaconie rijk was kon ze ook een eigen diaconieweeshuis oprichten. Van de getolereerde gezindten moesten de katholieken het langst op eigen weeshuizen wachten. Op grond van de plakkatenwetgeving was het hun verboden bezit en fondsen op naam van de kerk te hebben. Pas nadat deze belemmeringen waren opgeheven konden katholieke weeshuizen worden gebouwd, meestal pas laat in de achttiende of in de negentiende eeuw.

Kinderen konden aanzienlijk goedkoper worden grootgebracht dan in een weeshuis. Waar de middelen om een weeshuis op te richten en te onderhouden niet aanwezig waren, werden wezen en andere onverzorgd achtergebleven kinderen door armvoogdijen uitbesteed. De spreiding van weeshuizen laat dit goed zien. Nergens in vroeg-modern Europa waren zoveel weeshuizen als in de Republiek, en binnen de Republiek was het welvarende Holland er het dichtst mee bezaaid. Waar in elke stad van enige betekenis een weeshuis was, waren ze op het platteland zeldzamer. Ook hier was Holland uitzonderlijk: het telde 34 dorpsweeshuizen, waarvan maar liefst acht in de Zaanstreek, alle andere provincies samen slechts negen.[25] Uiteraard spande Amsterdam de kroon: met een burgerweeshuis uit 1520, een aalmoezeniersweeshuis uit 1666 en een scala aan weeshuizen bestemd voor de leden van verschillende kerkgenootschappen: de Waals gereformeerden (1631), de Engelse presbyterianen (1651), de Nederduits gereformeerden (1657),de katholieken (ŽŽn voor meisjes en ŽŽn voor jongens 1664), de Rijnsburger Collegianten (1675), de Evangelisch luthersen (1678) en, na 1800, ook de remonstranten, de sefardische en askenazische joodse gemeenschappen, de Hersteld evangelisch luthersen en de gereformeerden.[26]

Het niveau van verzorging in een weeshuis was uiteraard sterk afhankelijk van de beschikbare middelen. Kleding, voeding, huisvesting en opleidingsmogelijkheden waren het best in de wat elitaire burgerweeshuizen.[27] Armekinderhuizen en ook de grotere diaconiehuizen konden erg massaal zijn. Een klein weeshuis bood de kinderen een min of meer huiselijke omgeving, waar een persoonlijk contact bestond met de binnenouders en de nog in huis wonende kinderen naar hun vermogen een steentje aan de gezamenlijke huishouding bijdroegen. In een groot weeshuis werd dat moeilijk. Bij grote aantallen kinderen werden tucht en discipline strakker Ñ en kwamen meer kinderen in de verleiding weg te lopen. Grote weeshuizen ÔverhuurdenÕ groepen kinderen in de leeftijd tussen 10 en 14 jaar aan plaatselijke ondernemers, meestal in de textielindustrie. Deze kinderen hadden, voor hun stand, lang genoeg op school gezeten, maar waren nog niet oud genoeg om een vak te leren of in een dienstbetrekking te gaan. Voor de ondernemers waren de kinderen goedkope arbeidskrachten. Stadsbesturen stonden vierkant achter dergelijke overeenkomsten, omdat die industrie Ñ en daarmee werkgelegenheid en welvaart Ñ aan de stad bond. Het voordeel voor het weeshuis was uiteraard financieel, maar bestond er ook in dat de kinderen van de straat gehouden werden en arbeidsdiscipline leerden. Een echte vakopleiding bood het werken in de industrie doorgaans niet. Omdat de armekinderhuizen, evenals de burgerweeshuizen, de taak hadden de wezen tot volledige zelfstandigheid op te voeden werden ook zij, zodra zij er de leeftijd voor hadden, onderwezen in een ambacht of uitbesteed in een betrekking. Anders dan burgerwezen waren de wezen uit armekinderhuizen echter aangewezen op los werk, buiten de bescherming van de gilden.

Weeshuizen belichaamden een aspect van het stedelijk ideaal van zorg voor het algemeen welvaren. Kinderen die ouderloos achterbleven werden door de stedelijke gemeenschap als het ware geadopteerd, en opgevoed tot het soort inwoners dat elke stad graag zag: gedisciplineerd en in staat voor zichzelf de kost te verdienen. Vooral in de armekinderhuizen zal dat niet altijd gelukt zijn, maar dat veranderde niets aan de ideologie. Particuliere stichters en kerkelijke gemeenten sloten zich bij dit opvoedingsideaal aan. Meer dan enige andere vorm van liefdadigheid waren de weeshuizen een uitdrukkingsvorm van groepstrots en groepsidentiteit, die diende om het prestige van stadsbesturen, stichters en kerken uit te dragen en te verhogen. Het is dan ook niet toevallig dat de weeshuizen in de geschiedschrijving over armenzorg de meeste aandacht hebben gekregen.

Een Hollands beleid?

De plaatselijke armenzorg, gedragen door lokale besturen, kerken en particuliere liefdadigheid, werd beschermd door bovenlokale regelgeving die bepaalde welke armvoogdij voor welke armen verantwoordelijk was. Deze voorkwam dat parochies hun armen konden afschuiven of dat parochies die relatief welvoorzien waren overstroomd werden met armen die niet konden werken of voor wie daar geen werk was.[28] Hoewel ook hiervoor eerdere voorbeelden niet geheel ontbreken,[29] is het grootste deel van dit soort regelgeving in de Noordelijke Nederlanden in de late zestiende eeuw tot stand gekomen. Elke soevereine provincie vaardigde hiertoe eigen plakkaten of ordonnanties uit.

In Holland, zoals overal elders werd de basis voor deze plakkaten gevormd door het edict van Keizer Karel V uit 1531. Dat edict was bedoeld om te voorkomen dat arme mensen lukraak op zoek naar een beter bestaan door het land zouden gaan zwerven, bedelend of noodgedwongen stelend. In 1595 werden de regels die armen aan hun woonplaats moesten binden verfijnd. Klaarblijkelijk hadden ze armen er niet van weerhouden op zoek te gaan naar een beter bestaan, en een zekere mate van mobiliteit zal voor de groeiende Hollandse steden ook noodzakelijk geweest zijn. Een nieuw plakkaat schiep dan ook de mogelijkheid om slecht volk Ñ niet alleen landlopers en luie bedelaars, maar ook en vooral verspieders voor de vijand en dieven Ñ te kunnen onderscheiden van mensen zonder middelen van bestaan die elders werk wilden zoeken, en van bonafide ambulante neringdoenden en genezers. Zij kregen de mogelijkheid zich te voorzien van een soort paspoorten, waarmee ze zich onderweg konden legitimeren. Aanvankelijk werd het arme werkzoekenden nog toegestaan hier en daar te bedelen, maar in een verscherpt plakkaat van 1614 werd dit verboden.[30] Doortrekkende armen kregen wat geld van de huiszittenmeesters of diakenen, waarmee ze een dag ter plaatse konden blijven en vervolgens verder reizen.

De verbodsbepalingen tegen bedelarij werden in de loop van deze jaren voortdurend verder uitgebreid. Aanvankelijk had men het vragen van aalmoezen niet willen verbieden aan duidelijk herkenbare groepen, die geen andere mogelijkheid van bestaan hadden, zoals leprozen die niet konden werken, arme leerjongens bij ambachtsmeesters die gedurende hun leertijd geacht werden van aalmoezen te leven, gevangenen aan wie de cipier doorgaans hun kost en wat ze verder nodig in rekening bracht en die uiteraard niets konden verdienen en Ñ voor de invoering van de Reformatie Ñ bedelaars en pelgrims. Leprozen werd in 1586 verboden de leprozerie‘n waar ze ondergebracht waren te verlaten. De meester van het huis mocht hen zelfs niet bij wijze van straf het huis uitzetten. Melaatsheid was gemakkelijk voor te wenden, en verspieders en dieven misbruikten de voorgeschreven leprozenkleding en de certificaten die leprozen bij zich droegen om hun recht op aalmoezen te bewijzen.[31] Vanaf 1597 mochten ook de ambachtsjongens niet langer bedelen. Magistraten en officieren moesten ervoor zorgen dat er contracten gesloten werden tussen de ambachtsmeester en de verzorgers van de armen. In die contracten moesten de jongens aan een zodanige leertijd gebonden worden dat zij niet alleen het vak behoorlijk onder de knie konden krijgen, maar ook met hun werk een redelijke vergoeding verdienden voor de kost en inwoning, die de meester dan verplicht was hen gedurende de looptijd van het contract te verschaffen.[32]  De meeste van deze regels werden in andere provincies overgenomen.[33]

Alle armen die zichzelf niet konden redden moesten zich laten registreren bij de armbesturen en door hen behoorlijk verzorgd worden. Alle andere bedelaars moesten zoveel mogelijk verjaagd worden. Brederode heeft in zijn Spaanse Brabander een afkondiging van de Amsterdamse stadspui opgenomen, waarin bekendgemaakt wordt dat alle Ôbedelaars, lantloopers, bayert-boeven, troggelsacken, huyckevaken, Ôt sy out ofte jong, blint, kreupel, manck, melaats ofte andersÕ de stad moeten verlaten, en de Ôrechte armenÕ zich moeten laten registreren. Het stuk is fictief, en aanmerkelijk kleurrijker in zijn bewoordingen dan historische keuren van gelijke strekking, maar wijkt daar inhoudelijk niet van af. Degenen die in het toneelstuk deze afkondiging aanhoren leveren commentaar bij dergelijke maatregelen. De Hollander Jan Knol betreurt de toegenomen criminaliteit en overlast van al die arme gelukzoekers die door de grote stad worden aangetrokken, maar zijn uit de oostelijker gewesten afkomstige gesprekspartners repliceren: ÔWie brocht hier de neeringh en koophandel als wy?Õ en: ÔWie brocht hier de scherpheyt in u onbeslepen sinnen?Õ De nieuwe inwoners droegen aanzienlijk bij aan de groeiende welvaart van de stad. Dat maakte hen het inburgeren ook gemakkelijk. Immigranten die het in Amsterdam ÔgemaaktÕ hadden, gingen op gelijke voet om met de gezeten burgerij: vroeger trouwde een geboren Amsterdammer liever geen Zeeuw of Hagenaar, maar nu zijn de tijden veranderd: Ôal waer ick Turck of Jood, ick worde wel gevrijdt.Õ[34]

Erkenning van de voordelen van immigratie maakte echter niet zonder meer tolerant. Alleen produktieve vreemdelingen waren welkom, en alleen mensen op zoek naar werk konden over het platteland trekken. Officieren van justitie werden gemaand om regelmatige ÔboevenjachtenÕ over het platteland te houden om landlopers en vagebonden op te pakken, en gewapende zwervers en dievenbendes op te pakken. Hen wachtten verhoor onder tortuur, lijfstraffen en verbanning, of in ernstige gevallen de galg. In de steden en dorpen moesten zij Ôsuspecte plaatsenÕ waar bedelaars zich gewoonlijk ophielden Ñ herbergen, gasthuizen, en in de drukte op markten, kermissen, feesten en bruiloften en rond kerken Ñ dikwijls controleren. Zij kregen steeds uitgebreidere bevoegdheden om tegenstribbelende bedelaars en landlopers te vangen, desnoods met de hulp van toevallige voorbijgangers, en wanneer de arrestant gewapend bleek, desnoods ten koste van diens lijf of zelfs leven.[35] Hoe veilig hierdoor het platteland was, verdient nader onderzoek.

De Noordelijke gewesten beschermden de armenfondsen van plaatsen waar werkzoekende armen zich wilden vestigen door de termijn van inwoning, waarna iemand op de armenzorg van de nieuwe woonplaats een beroep mocht doen, te verlengen, naar vier of vijf jaar. Binnen die tijd kon een arme naar zijn vorige woonplaats teruggestuurd worden.[36] In Holland werd de termijn van een jaar, die al in het plakkaat van 1531 gesteld werd, nooit officieel veranderd. In 1682 waarschuwden de Staten van Holland dat armen een jaar na vertrek niet meer teruggestuurd konden worden naar hun vorige woonplaats.[37] Mogelijk was deze waarschuwing nodig geworden omdat allerlei armvoogdijen de drempel voor toegang tot bedeling steeds hoger optrokken. Vanouds hadden steden een zekere periode van burgerschap of inwoning verlangd voordat iemand aanspraak op bedeling kon maken, of in aanmerking kwam voor een plaatsje in een ÔgodshuisÕ. Diaconie‘n konden een bepaalde periode van lidmaatschap verlangen. Het lijkt erop dat in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw die perioden steeds langer gesteld werden. De Amsterdamse huiszittenmeesters waren al in de middeleeuwen pas bereid een arme te ondersteunen wanneer zij minimaal drie jaar burger of vier tot vijf jaar inwoner waren geweest. In de zeventiende eeuw konden arme gereformeerden er bedeeld worden nadat ze twee jaar lidmaat waren geweest, vanaf 1701 pas na vier jaar. In Rotterdam gold voor kerkelijke diaconie‘n en armhuizen een termijn van twee jaar. Alkmaar bedeelde alleen armen die minstens drie jaar in de stad gewoond hadden, Alkmaarse gereformeerden konden pas aankloppen bij de diaconie nadat zij minstens twee jaar lidmaat waren geweest, en wanneer zij van buiten de stad waren gekomen nam de diaconie hen pas aan nadat zij er zes, later vier jaar gewoond hadden. Het Alkmaarse mannengasthuis was zelfs slechts toegankelijk voor wie 25 jaar in de stad had gewoond.[38] De Staten vonden het wellicht nodig stads- en dorpsbesturen erop te wijzen dat immigranten die na een jaar armlastig werden toch op de een of andere manier in hun nieuwe woonplaats ondersteund moesten worden, omdat niemand anders voor hen aansprakelijk kon worden gehouden.

Steden en dorpen begonnen daarop van nieuwe inwoners formele garanties te eisen. Zij werden pas in de stad toegelaten als zij van de bestuurders van hun vorige woonplaats een bewijs van goed gedrag konden tonen, en een persoon of instelling Ñ meestal een armvoogdij of diaconie Ñ zich garant stelde voor hun onderhoud voor het geval zij tot armoede zouden vervallen, of overlijden en wezen nalaten. Zonder deze borgstellingen, akten van cautie of akten van indemniteit mochten nieuwelingen zich niet vestigen, en niemand mocht hen woonruimte verhuren. Begrijpelijkerwijs waren armenfondsen voorzichtig met het verstrekken van dergelijke akten, en zij beperkten dan ook de mobiliteit van armen en de op sommige plaatsen de beschikbaarheid van werkkrachten. Het belang van de nieuwe woonplaats werd echter vooropgesteld. In de loop van de achttiende eeuw namen steden en regioÕs buiten Holland de regelingen rond de akten van indemniteit over om ook hun armenfondsen af te schermen tegen inkomende arme vreemdelingen.[39] Regels over de tijd dat men ergens gewoond moest hebben alvorens een beroep op de armenfondsen te kunnen doen bestonden naast de verplichting een akte van indemniteit te tonen alvorens men zich ergens Ÿberhaupt kon vestigen. Hoe dit alles in de praktijk gewerkt heeft is nog grotendeels onbekend.

Tuchthuizen

 Sluitstuk van de wetgeving tegen bedelarij en landloperij werd in verschillende provincies de oprichting van een tuchthuis, doorgaans nauw verbonden aan het Provinciaal Gerechtshof, waarin deze mensen ÔgecorrigeerdÕ konden worden. Waar alle andere provincies van de Republiek een provinciaal tuchthuis oprichtten, kende Holland alleen stedelijke tuchthuizen. Er was in 1599 wel even sprake van een gewestelijk tuchthuis, dat te Hoorn gevestigd zou worden, maar dat is er niet gekomen.[40] Tuchthuizen waren in eerste instantie bedoeld voor het disciplineren en rehabiliteren van bedelaars en landlopers, van mensen die wel konden werken, maar dat niet deden.

Voor het besef van de tijdgenoot speelden onwil en luiheid daar een niet te onderschatten rol in, maar kwam het ook voor dat mensen buiten hun schuld geen andere mogelijkheden hadden om aan de kost te komen dan hun hand op te houden. Een van de vurigste pleitbezorgers voor disciplinering van Ôsterke lediggangersÕ, Dirck Volckertsz. Coornhert, zag het in zijn Boeventucht dan ook als een eerste verantwoordelijkheid van overheden om werk te verschaffen aan armen voor wie niet voldoende werkgelegenheid bestond, en die daarom van hun arbeid niet bestaan konden. Wie zich op die manier niet wilde laten helpen, moest echter streng gestraft worden, liefst met dwangarbeid waar de samenleving nog enig profijt van trok. Coornhert stelde voor zowel plaatselijke als gewestelijke gevangenissen te bouwen, waarin bedelaars en landlopers voor de kost moesten werken, eventueel nadat zij enigerlei vakopleiding in het huis genoten hadden. Dwangarbeid moest ervoor zorgen dat iedereen met zijn eigen handen de kost verdiende en uiteindelijk Ôalle rabbauwen dit land, niet anders dan de duyvel tkruys, myden ende vlieden zoudenÕ.[41]

De eerste tuchthuizen in de Republiek, die van Amsterdam (1596) en Leiden (1597), waren geen gewestelijke, maar stedelijke instellingen. Bij de oprichting van deze tuchthuizen lag, meer dan in de voorstellen van Coornhert, de nadruk op rehabilitatie, op elementair onderwijs, godsdienstige vorming en het aanleren van een vak voor wie daar niet anderszins gelegenheid voor had gehad, naast het inscherpen van een fatsoenlijke, burgerlijke levenswijze. Het waren aanvankelijk niet louter strafinstellingen. Naast onvrijwillig ingesloten bedelaars en veroordeelde misdadigers konden ook werkwillige armen er vrijwillig een tijdje heen voor een vakopleiding. De eerste tuchthuizen werden dan ook onder de liefdadige instellingen gerekend, en een verblijf in een dergelijk huis leidde evenmin tot verlies van eer als opname in een gasthuis. De bewoners van het tuchthuis zouden hun tijd verdelen tussen werk, scholing en recreatie, zoals wandelen en lezen. Een deel van de uit hun werk voortkomende verdiensten kwam ten goede aan het huis, maar zelf kregen zij daar ook een deel van, zodat de ijverigen onder hen aan het eind van hun verblijf enig startkapitaal voor een nieuw, zelfstandig bestaan hadden opgebouwd.[42]

In de loop van hun bestaan zijn de tuchthuizen meer en meer strafgevangenissen geworden, waar niemand vrijwillig heen ging, al bleef in theorie het liefdadige aspect altijd behouden. Buiten Holland is overal in de Republiek de bouw van stedelijke tuchthuizen door het gewestelijk Hof tegengewerkt ten gunste van centrale, provinciale tuchthuizen, bedoeld als strafinstelling. Bedelaars en landlopers, die vooral het platteland overlast bezorgden, werden er ingesloten, naast andere veroordeelden. Steden konden hun ergerlijkste lastpakken Ñ bedelaars, maar ook dronkelappen, straatschenders, herrieschoppers en kruimeldieven Ñ die met straffen als op water en brood zetten, aan de kaak stellen of lijfstraffen niet afdoende te disciplineren waren, op hun kosten in een provinciaal tuchthuis uitbesteden. De Hollandse stadstuchthuizen bedienden in principe ook de omliggende regio, maar naar het oordeel van de Staten schoten zij hierin te kort. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw wezen de Staten van Holland herhaaldelijk op de noodzaak van een strenger optreden tegen bedelarij en landloperij, en het nut van de oprichting van een provinciaal tuchthuis, maar het is er nooit van gekomen.[43]

Werkhuizen en verbeterhuizen

In de zeventiende eeuw ontstonden naast de tuchthuizen ook aparte werkhuizen en verbeterhuizen. Aanvankelijk waren alle tuchthuizen bedoeld geweest om bedelaars en onaangepasten te rehabiliteren door hen werkervaring te laten opdoen en eventueel een vak te laten leren, maar dat bleek in de praktijk toch niet zo te werken. Al vroeg had men in de plannen voor tuchthuizen bovendien het oog gehad op de disciplinering van jonge mensen van goede komaf, die hun familie door alcoholische, financi‘le of seksuele uitspattingen in verlegenheid brachten. Voor hen scheidde het Amsterdamse tuchthuis al in 1603 een aparte afdeling voor zogeheten ÔwittebroodskinderenÕ af. In 1650 volgde de plaatsing werklozen, bedelaars en ÔgewoneÕ lastpakken in een van het tuchthuis onderscheiden werkhuis. De drie functies : strafgevangenis, werkverschaffing en heropvoeding, raakten in de loop van de zeventiende eeuw steeds verder gescheiden en leidden tot de oprichting van gespecialiseerde instellingen voor elke taak. Tuchthuizen gingen zich toeleggen op gevangenisstraffen, verzwaard met dwangarbeid, voor veroordeelde misdadigers.

De werkhuizen kregen een gemengde taak, waartoe werkverschaffing en het aanleren van een vak evenzeer behoorden als de mogelijkheid om bedelaars, dronkelappen, ruzieschoppers en andere lastpakken door middel van regelmatig werk Ôher-op te voedenÕ of op zijn minst hun zonden te laten overdenken. In de loop van de zeventiende eeuw verschenen alom dergelijke werkhuizen. Dikwijls ging het initiatief uit van de plaatselijke armenzorg. Bij deze instellingen moeten we ons een vaak bescheiden opzet voorstellen. Ze huisden niet in monumentale panden en hadden geen eigen fondsen. Het is waarschijnlijk dat ze wijdverspreid waren, maar slechts van een klein aantal werkhuizen is iets bekend.[44] Amsterdam had er in de zeventiende eeuw in ieder geval naast het werkhuis in het tuchthuis, nog twee: het Armekinderenwerkhuis uit ca. 1650 en het Zijdewindhuis uit 1682. Beide instellingen boden kinderen van bedeelden, en, in de slappe wintertijd ook wel arme volwassenen, werk en daarmee inkomsten. Misschien meer nog dan voor werkverschaffing waren de huizen ook bedoeld om de kinderen van de straat te houden. Kinderen van bedeelden waren meestal verplicht ofwel naar school of naar het werkhuis te gaan, omdat stadsbesturen ervan overtuigd waren dat de kinderen anders door hun ouders uit bedelen gestuurd zouden worden. Het Zijdewindhuis was bovendien bedoeld om de Amsterdamse zijdeindustrie aan werkkrachten te helpen.[45]

Hetzelfde trio aan redenen voor de oprichting van werkhuizen vinden we in de omgeving van Krommenie. Hier was al sinds de zestiende eeuw een bloeiende zeildoekindustrie gevestigd. In de zeventiende eeuw werden in Krommenie en Assendelft ook wezen en de kinderen van bedeelden in deze industrie ingeschakeld. In beide plaatsen waren werkhuizen waar de kinderen moesten spinnen, en in het weeshuis van Krommenie werd ook zeildoek geweven. De zeildoekreders besteedden hun spinwerk echter bij voorkeur uit aan de overkant van de Zuiderzee, in Gelderland, Overijssel, Drenthe en Friesland, waar de lonen lager waren dan in Holland, en waar dan ook een aantal spin- of werkhuizen bekend zijn. Doorgaans waren het ruimtes, ter beschikking gesteld door stadsbesturen of armvoogdijen, waar de kinderen het spinnen geleerd werd en waar ze vervolgens onder toezicht werkten. De armvoogdijen zorgden voor de spinnewielen, de ondernemers leverden de grondstof en betaalden de lonen uit. Volwassenen konden ook wel werk mee naar huis nemen. Plaatselijke besturen konden de werkhuizen ook gebruiken om er volwassen bedelaars en andere lastpakken een tijdje gedwongen te werk te stellen.[46] 

Ook op andere plaatsen bestonden dergelijke fabriekjes, gezamenlijk door armenzorg en plaatselijke ondernemers opgezet. In Alkmaar was rond 1650 een draperiewerkplaats voor bedeelden, die na enige tijd ter ziele is gegaan. De aalmoezeniers richtten een nieuw werkhuis op in 1698 dat tot 1713 dweil- en zakkendoek maakte. In 1753 nam de diaconie de werkverschaffing ter hand en startte voor zowel de diaconie- als de aalmoezeniersbedeelden een spinnerij en weverij waar hennep, katoen en wol verwerkt werden. In 1759 ging de onderneming over op aangenomen werk voor de zeildoekrederij in Krommenie, en in 1763 verhuisde de onderneming naar het Tuchthuis.[47] Het Alkmaarse voorbeeld is waarschijnlijk representatief voor andere steden: werkhuizen bestonden vaak maar een paar jaar. Even gemakkelijk als ze verdwenen werden ze een tijdje later, in een iets andere vorm, weer opgericht. Voor het tegengaan van kinderbedelarij en verschaffen van werk aan volwassen armen gedurende slappe tijden werden ze kennelijk telkens weer nuttig geacht. Ook op dit gebied waren zij een goedkoop altrnatief voor de oorspronkelijke opzet van de tuchthuizen.

Ook voor het soort mensen dat in het Amsterdamse tuchthuis de afdeling voor ÔwittebroodskinderenÕ bevolkte ontwikkelde zich vanaf ongeveer 1660 een apart soort instelling: het verbeterhuis. Hierin werden onhandelbare telgen uit de betere families door hun families onder curatele gesteld. Deze verbeterhuizen waren particuliere ondernemingen, waarin deze Ôzwarte schapenÕ tegen kostprijs voorzien werden van alles waarop zij volgens hun stand aanspraak maakten. Het toezicht op en disciplineren van deze niet-gestraften was zodoende geprivatiseerd. Soms legden gerechtshoven veroordeelden uit de beter standen in plaats van ÔgewoneÕ tuchthuisstraf ook opsluiting in een verbeterhuis op. Geesteszieken uit welgestelde families die thuis moeilijk te handhaven waren konden er eveneens terecht voor verzorging op een niveau dat bij hun stand paste. In het huis werd ervoor gewaakt dat hen niets overkwam en dat zij anderen niet in gevaar brachten. Families die hun zwarte schapen en krankzinnige verwanten op deze manier wilden laten insluiten en onder curatele stellen hadden hiervoor toestemming van het plaatselijke gerecht nodig.

Aparte verbeterhuizen zijn tot nu toe alleen bekend uit Holland, en, hoewel ze in verschillende plaatsen voorkwamen, lijken ze vooral een Delftse specialiteit. Uit alle delen van het land werden onhandelbare lieden naar de Delftse huizen opgestuurd. Verschillende tuchthuizen hielden overigens hun afdeling voor wittebroodskinderen, die ze soms ook als verbeterhuis aanduidden.[48] Waarschijnlijk waren de Delftse particuliere huizen de sjiekere in hun soort. Minder welgestelden konden een provenierscontract sluiten met gasthuizen, liefst een beetje uit de buurt van de eigen woonplaats, om een lastige verwant decent maar veilig achter slot en grendel op te bergen.[49] Minvermogende families hadden deze mogelijkheden uiteraard niet. Hun zwarte schapen werden, als de overlast te gek werd, veroordeeld tot ÔtaakstraffenÕ in de werkhuizen. Arme onhandelbare geesteszieken werden ingesloten in daarvoor bestemde cellen in de gasthuizen of in dolhuizen. Het oorspronkelijke liefdadige oogmerk van de tuchthuizen werd zo het meest benaderd door de eenvoudige werkhuizen. Deze behielden echter altijd disciplinaire trekjes, die hun verwantschap met tucht- en verbeterhuizen verraadt.

De achttiende eeuw: filantropie en bevoogding

Grote bloeiperiode van armengestichten was de Ôlange zeventiende eeuwÕ. Het is niet toevallig dat dit de periode is die ook wel de Gouden Eeuw genoemd wordt. Niet armoede bepaalde het aanbod in de armenzorg, maar rijkdom. De goedkoopste, effici‘ntste zorg werd geboden door de fondsen voor de huiszittende armen. De grote massa van de armen was daarop aangewezen. De Hollandse steden konden echter meer bieden dan de broodnodige, maar enigszins proza•sche uitdelingen van eerste levensbehoeften als brood, turf en kinderhemdjes. De stichting van de verschillende soorten tehuizen toonde de rijkdom, het prestige en de zorg voor het gemeen welvaren van de regentenstand. Zij boden onderdak aan de armen in armengasthuizen en armekinderhuizen, tucht- en werkhuizen, terwijl verarmde mensen van goede afkomst een bij hun stand behorend onderhoud vonden in burgerweeshuizen, proveniershuizen en, in het geval van zwarte schapen, verbeterhuizen.

De bestaande instellingen bleven in de achttiende eeuw in functie, maar er werden, in vergelijking met de eerdere periode, weinig nieuwe soorten armenzorg ontwikkeld. Dat is enigszins bevreemdend, als we de situatie in de Republiek vergelijken met Engeland, waar juist in de achttiende eeuw de filantropie bloeide en aanleiding gaf tot de oprichting van nieuwe gespecialiseerde tehuizen. Filantropie was een nieuwe variant van de idee van het Ôgemene welvarenÕ. Waar dit laatste in de zestiende en zeventiende eeuw de verantwoordelijkheid van overheden was, zagen in de achttiende eeuw ook particulieren hier voor zichzelf een schone taak weggelegd. Zij stichtten nieuwe vormen van liefdadigheid, die er op gericht waren de bevolking te vergroten en haar levenskracht te versterken. Op die manier zou de kracht van de natie als geheel toenemen, en daarmee de welvaart voor iedereen. Engelse filantropen  hielden zich niet bezig met bedeling en werkverschaffing, aangezien die al door de overheid verzorgdwerden . Zij stichtten tussen 1740 en 1780 huizen waarin vondelingen en straatkinderen opgeleid werden tot zeelieden of ander nuttige leden van de maatschappij, kraamvrouwenhospitalen, om de sterfte onder kraamvrouwen en pasgeborenen terug te dringen, hospitalen voor de behandeling van geslachtsziekten en huizen voor de rehabilitatie van prostituees. Deze nieuwe initiatieven werden niet, zoals de traditionele liefdadigheid, gefinancierd vanuit de opbrengsten van vaste fondsen, maar uit intekening door particulieren of aandeelhouders en giften. Zo bleven de sponsors betrokken bij het wel en wee van hun filantropische onderneming.[50]  Na 1780 kwam de klad in deze beweging, omdat nieuwe economische theorie‘n twijfel zaaiden over de relatie tussen bevolkingsgroei en het nationale welvaartspeil.

De filantropie was ook in Nederland sterk, maar uitte zich in andere vormen. Filantropie dreef ook hier op particulier initiatief. Men richtte maatschappijen op, die tot doel hadden de burger te verheffen en de welvaart van het land te vergroten. Deze schreven prijsvragen uit voor verhandelingen over specifieke vraagstukken op dit terrein, loofden premies uit voor loffelijke initiatieven en bevorderden ook daadwerkelijk de al wat binnen hun hun doelstelling lag. De eerste daarvan was de Maatschappij tot redding van drenkelingen, opgericht in Amsterdam in 1767. Deze richtte zich niet zozeer op het uit het water vissen van te water geraakten, want dat was men vanouds al wel gewoon te doen. Nieuw was de aandacht voor het opnieuw opwekken van de levensgeest in schijndode drenkelingen. De Maatschappij beijverde zich ervoor dat hulpmiddelen voor hulp aan drenkelingen op centrale plaatsen aanwezig waren en loofde prijzen uit voor geslaagde reddingsacties.[51] De in 1777 gestichte Oeconomische Tak van de al oudere Hollandse Maatschappij der Weetenschappen (1751) stelde zich het herstel van de inlandse nijverheid, bevordering van de welvaart en een oplossing van het armoedevraagstuk ten doel. Door middel van prijsvragen en premies stimuleerde zij de al veel oudere werkhuisbeweging. Ze bepleitte gebruik van inlandse grondstoffen en consumptie van produkten van vaderlandse bodem, om de welvaart in het land te houden. Armen, en vooral weer hun kinderen, werden tot zelfwerkzaamheid en vlijt aangespoord met spinwedstrijden waarmee geldprijzen te winnen waren.[52]

Meer specifiek gericht op armen waren de inspanningen voor het volksonderwijs van de in 1784 te Edam, door de doopsgezinde predikant J. Nieuwenhuysen, opgerichte Maatschappij tot Nut van Ôt Algemeen. Deze Maatschappij richtte zich op de vorming en beschaving van de burgers. De Maatschappij ontplooide hiertoe een veelheid aan initiatieven, waaronder armenonderwijs en elementair onderwijs in het algemeen. Binnen de Maatschappij werden nieuwe pedagogische inzichten ontwikkeld, die ook direct werden toegepast in nieuwe leerboeken voor elementair onderwijs. Daarnaast stimuleerde de Maatschappij ook de stichting van armenscholen. Al voordat de Maatschappij op het toneel verscheen hadden stadsbesturen, diaconie‘n of armvoogdijen, al dan niet in samenwerking, hier en daar armenscholen opgericht, zo bijvoorbeeld in Rotterdam vanaf de jaren 1650, en in Amsterdam in 1741. De werkzaamheden van de Maatschappij ondersteunden dit werk. De Nutsscholen waren, anders dan de eerdere diaconiescholen, bestemd voor alle kinderen ongeacht religie.[53]

Filantropie was ook de drijfveer achter de Vaderlandse Maatschappij voor Rederij en Koophandel. Deze Maatschappij werd opgericht in Hoorn, door de doopsgezind predikant Cornelis Ris, samen met een armenschool en een werkhuis. De Maatschappij richtte zich op walvisvaart en houthandel, maar stond met de andere onderdelen onder ŽŽn directie. Het was uitdrukkelijk de bedoeling dat de winstgevende activiteiten de liefdadige, waaronder weer vooral werkverschaffing aan armen, zouden subsidi‘ren, en dat het geheel het welvaren van de Hollandse Natie zou bevorderen. Het kapitaal voor de onderneming werd gefourneerd door aandeelhouders. De fabriek produceerde uit inlandse vlas, hennep, koehaar en wol een veelvoud aan textielsoorten, van vloer- en tafelzeil, paardedekens en zakken, tot kledingstoffen en gebreide kousen en handschoenen, maar ook uiterst modieus beschilderd behang. Dit artistieke aspect, dat aan de oudere werkhuizen geheel vreemd was geweest, is ook terug te vinden in de vanuit Oud Loosdrecht, ook weer door een predikant, ds. J. de Mol, in 1774 gestichte en in 1784 naar Ouder-Amstel verplaatste, porseleinfabriek. Deze fabriek verwerkte vermalen kwartskeitjes van de Gooise hei tot porseleinen serviezen van een goede kwaliteit, die door vakmensen kunstzinnig werden beschilderd.[54] Een laatste vorm van filantropie vormden de gaar- of soepkeukens, die rond 1800 in verschillende steden werden ingericht. Ze werden gefinancierd door intekening van gegoede burgers, en boden de armen in de winter voedsel dat warm, gezond en voedzaam was. De effectiviteit van al deze filantropische initiatieven wordt over het algemeen niet zeer hoog aangeslagen. Dit oordeel rust grotendeels op de kritiek van tijdgenoten, die vaak een hoog studeerkamergehalte had. De energie en vindingrijkheid die in deze ondernemingen werd gestopt doet vermoeden dat de praktijk kennelijk aanleiding gaf tot enig optimisme.

Een ander nieuw type liefdadig gesticht dat typisch was voor de achttiende eeuw was het armhuis, of ook wel gecombineerd arm- en weeshuis. Deze ontwikkeling bouwde voort op de oudere liefdadige tradities, maar had met de filantropie het verheffingsideaal gemeen. Armvoogdijen gingen er in de loop van de achttiende eeuw op verschillende plaatsen toe over om arme bejaarden in een armhuis onder te brengen, in plaats van de vanouds gebruikelijke uitbesteding bij particulieren. Anders dan in de gasthuizen, proveniershuizen en hofjes woonden de bejaarden hier niet min of meer op zichzelf in eigen kamertjes, maar sliepen zij met meerderen tegelijk op, naar sekse gescheiden, slaapkamers en -zalen, soms zelfs met twee in een bed. Zij leefden in een volledig gezamenlijk huishouden onder leiding van een binnenvader en -moeder, zoals dat in de weeshuizen gebruikelijk was Ñ daardoor was het onderbrengen van bejaarden en wezen in een dergelijk huis ook niet bezwaarlijk. Zij hadden een vaste dagindeling, die geopend en afgesloten werd met gemeenschappelijk gebeden en waren verplicht de kerkdiensten bij te wonen. Religie was belangrijk in deze huizen, waarin de bejaarden geacht werden zich op de dood voor te bereiden. In het armhuis van Heemstede, waar katholieken en gereformeerden samen woonden waren er afzonderlijke gebeden voor beide religies. De katholieken moesten dagelijks ter kerke, de gereformeerden zovaak als er in de kerk gepreekt werd.[55] De bestedelingen moesten meehelpen in de huishouding, en Ôter recreatieÕ uitgaan mocht slechts op bepaalde dagen. De bedeelden lijken vergaand als kinderen behandeld te zijn, tot en met straffen als kamerarrest, voor straf aan een apart tafeltje moeten zitten en minder of minder lekker eten krijgen, of blokken aan het been gebonden krijgen.

Dit type armhuizen kon door een algemene armvoogdij gesticht worden, zoals in Heemstede, of door een diaconie, zoals het gereformeerd diaconiehuis in Alkmaar of het Luthers diaconiehuis in Amsterdam. De reden die dikwijls opgegeven werd voor de stichting van een dergelijk huis was besparing. Vooral voor de bestedelingen met het hoogste kostgeld zou een gezamenlijke huishouding, waarbij de binnenouders toezagen op matigheid aan tafel, en de kleding tijdig versteld werd, effici‘nter en zuiniger zijn. Bovendien kon wat de bedeelden eventueel nog bijverdienden aan het huis ten goede komen. Dit was echter niet de enige, en misschien zelfs niet de belangrijkste reden. Met en armhuis kon men als armvoogdij eer inleggen, zeker als het gevestigd was in een aanzienlijk gebouw, en de armen er netjes en gedisciplineerd bijliepen. Vooral dat laatste lijkt bij uitbestede armen nogal eens te wensen overgelaten te hebben. Armhuizen waren in de praktijk niet goedkoper dan uitbesteding, maar dat woog op tegen de winst aan decorum. Voor deze arme bestedelingen werd een goedkopere versie van het proveniershuis of het hofje geschapen. Tegelijkertijd werd de zorg voor deze groep gemodelleerd op de weeshuizen, waarin ook het prestige van de regenten, en het plaatselijk bestuur als oppervoogd van de armen, een grote rol speelde.[56]

Besluit

Veel van de vormen van goed bestuur en zorg voor het algemeen welzijn, waarin Holland volgens tijdgenoten zo uitblonk, waren niet uniek. Dat gold niet alleen in het algemeen, maar ook in het bijzonder voor de armenzorg. Wat buitenlanders in Holland opviel was het grote aantal instellingen en tehuizen, hun prestigieus karakter, en de goede orde die er heerste. De grote verscheidenheid aan liefdadige instellingen die de Republiek kenmerkte was slechts mogelijk door de rijkdom van de Nederlandse samenleving en de burgerlijke trots, die zich in de voogdij over liefdadige instellingen kon uiten. De Ôgoede ordeÕ was een trek die de gehele Nederlandse maatschappij van die dagen kenmerkte. De Republiek was een uitermate gereguleerde en gedisciplineerde samenleving.

Daarin paste een houding ten opzichte van de armen die niet in de eerste plaats gekenmerkt werd door barmhartigheid en naastenliefde. Weliswaar was er een zeer breed draagvlak voor de ge•nstitutionaliseerde armenzorg. Deze werd immers grotendeels gedragen door vrijwillige giften, legaten en schenkingen, en bij wijze van ereambt geadministreerd door de maatschappelijke bovenlaag Ñ maar deze vrijwilligheid was tamelijk nadrukkelijk onderdeel van de algemene burgerplicht. Het is bovendien zeer waarschijnlijk dat individuen daarnaast armen in hun omgeving stilzwijgend wel eens wat toestopten, en uit het feit dat de bedelarij onuitroeibaar was, blijkt dat mensen bereid bleven ook de bedelaar op straat of aan de deur een aalmoes te geven. Deze goedgeefsheid, al dan niet bepaald door de sociale norm, gold echter nadrukkelijk de arme van wiens hulpbehoeftigheid men overtuigd was en die zich bovendien fatsoenlijk gedroeg en de juiste mate van dankbaarheid ten toon spreidde.

Tegen armen die de nauwe fatsoensnormen overtraden, door zich niet te willen inspannen om hun eigen brood te kunnen verdienen, door hun verdiensten te verjubelen of door zich liever in leven te houden met prostitutie, diefstal, fraude en aanverwante activiteiten aan gene zijde van de wet, werd over het algemeen streng opgetreden. Het systeem bood in de werk- en tuchthuizen in principe wel de kans zich te rehabiliteren, maar wie zich daar niet vatbaar voor toonde liep het risico van lijfstraf, verbanning of de galg. Alle vormen van liefdadigheid werden bovendien zorgvuldig afgeschermd tegen vreemde armen, ook als het ging om bona-fide arbeidsmigranten. Slechts onder bepaalde, welomschreven, condities konden zij een beroep doen op ondersteuning door een van de vele instanties van armenzorg. ÔWelgereguleerdÕ omschrijft de samenleving van de Republiek beter dan ÔtolerantÕ, ook waar het gaat om de houding ten opzichte van armen.

 

Kaderteksten:

Wie waren de armen?

Armoede was in de vroeg-moderne tijd een relatief begrip. Arm was wie onvoldoende kon beschikken over de noodzakelijkheden van het dagelijks bestaan, zoals men dat aan zijn stand verplicht was. Daaronder viel de armoede van een weduwe met kleine kinderen die het aan voldoende inkomsten ontbrak om haar gezin onder dak, gevoed, gekleed en in de winter warm te houden, maar ook de armoede van een ambachtsmeester of koopman die door economische tegenslag of zwakke gezondheid verarmde, zodat hij beneden zijn stand moest gaan leven. Zo opgevat waren ook in de rijke Republiek veel mensen arm.

De grootste groep armen bestond uit gewone gezinnen, waarin ouders en kinderen werkten maar het gezinsinkomen toch niet voldoende was om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. Vooral jonge ouders met kleine kinderen en ouderen konden vaak moeilijk rondkomen. Wie al langere tijd op ŽŽn plaats woonde beschikte doorgaans over een netwerk van familie, vrienden, werkgevers, collegaÕs en buren, waarbinnen men elkaar over en weer hielp. Bij tegenslag, als perioden van duurte, ziekte, lichamelijke gebreken, een extra mond te voeden of de dood van een van de ouders, was vaak meer structurele ondersteuning nodig. Het is waarschijnlijk dat omstreeks een kwart van de bevolking van de Hollandse steden gedurende bepaalde perioden in het leven, soms voor kortere tijd, vaak ook jaren achtereen, een beroep op bedeling moest doen.

Doorgaans werd tien tot vijftien procent van de bevolking bedeeld door de huiszittenmeesters en diaconie‘n. Zij kregen een aanvulling op wat zij zelf, met werken en uiteenlopende vormen van onderlinge hulp en bijstand, bij elkaar konden scharrelen Ñ men spreekt voor deze groepen dan ook wel van een scharrel-economie. De armverzorgers kenden doorgaans de omstandigheden van de bedeelden goed en gaven hulp op maat, het nodige, maar niets te veel. Zij bedeelden doorgaans met brood, wat geld, turf in de winter en af en toe kleding en andere gebruiksgoederen. De laatsten waren vaak tweedehands, afkomstig van overleden bedeelden. Ook schoolgeld, medicijnen voor zieken, uitbesteding van hulpbehoevenden bij particulieren en begrafeniskosten werden wel vergoed. Van de bedeelden werd verwacht dat zij spaarzaam en vooral dankbaar van deze hulp gebruik zouden maken.

Naar het zich laat aanzien bestond de groep bedeelden voor het overgrote deel inderdaad uit gedisciplineerde hardwerkende gezinnen en eerzame hulpbehoevenden. Wie ondankbaar was, misbruik maakte van de ondersteuning of een ongedisciplineerd leven leidde kwam niet voor bedeling in aanmerking. Ook mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats waren moeilijk in te passen in dit systeem. Men kende hen niet, en toezicht op een in de ogen van de armvoogden juist gebruik van de ondersteuning was onmogelijk. Arme gezinnen van soldaten en zeevarenden dreigden zo vaak buiten de boot te vallen. Omdat deze mannen een grote bijdrage leverden aan de veiligheid en welvaart van het land kwamen hun vrouwen en kinderen meestal wel voor ondersteuning in aanmerking, al ging dat niet altijd van harte. Andere arme vreemdelingen, en armen die zich niet wensten te schikken in het soort leven dat armvoogden van hun bedeelden eisten,  werden vergaand uitgesloten. Er bestond daardoor waarschijnlijk een scherpe scheiding tussen ÔeerlijkeÕ armen en de ÔonderwereldÕ van prostitutie, zwendel, bedelarij, landloperij en, al dan niet georganiseerde, misdaad.

Aan het andere uiterste van het armoedebegrip bevonden zich de mensen die als arm golden omdat zij beneden hun stand dreigden te moeten gaan leven, ook al waren zij niet werkelijk behoeftig. Discrete bedeling, die hen in staat stelde hun armoede te verbergen en hun stand op te houden, werd dan als gepast beschouwd. In de achttiende eeuw groeiden de mogelijkheden om zich tegen verarming te verzekeren, bijvoorbeeld in de weduwenbeurzen. Werden deze verarmden hulpbehoevend, dan hadden zij toegang tot de nettere verzorgingstehuizen. De armenzorg hield op deze manier de maatschappelijke orde, in deze periode gekenmerkt door grote ongelijkheid, in stand.

Netwerken en patronage

Om voor ondersteuning in aanmerking te komen waren armen vergaand aangewezen op netwerken. Sommige van die netwerken hadden een juridische status. De stedelijke gemeenschap beschermde haar burgers en langdurig ingezetenen, gilden,  kerken, buurtverenigingen en families hun leden. In al deze gevallen was sprake van formele rechten en plichten. Individuen dienden de belangen van de groep te verdedigen. In ruil daarvoor konden zij verwachten dat de groep voor hun belangen zou opkomen. In geval van verarming betekende dit dat men een beroep kon doen op de materi‘le ondersteuning zoals die door stadsbesturen, gilden en kerken werd georganiseerd, en allerlei vriendendiensten binnen de gebuurten en de kring van verwanten Ñ en dat deze ook minstens moreel gehouden waren hulp te bieden. Uiteraard was ook in vrijwillig aangegane relaties tussen vrienden en kennissen dikwijls sprake van een dergelijke wederkerigheid. Netwerken waren voor armen van levensbelang. Wie nergens bijhoorde kon ook nergens op terugvallen.

De meeste sociale netwerken bestonden in deze tijd niet zozeer uit kringen van gelijken, maar uit rijken en armen, vooraanstaande en eenvoudige mensen. Eer en aanzien berustten in een vroegmoderne samenleving uiteraard op afkomst en welstand, maar daarnaast ook op de mate waarin rijken en aanzienlijken patronage uitoefenden. Het succes van de vroegmoderne Hollandse armenzorg berustte voor een niet gering deel op de kracht van deze lokale patronageverhoudingen. Lokale regenten en notabelen zetten zich in voor de ondersteuning van de armen van hun stad of hun kerk, zonder enige bezoldiging, als een ereambt, en droegen via collectes, giften, legaten en belastingen ook nog eens een aanzienlijk deel van de kosten. Zij eisten daarvoor in ruil werk respect, dankbaarheid en een nette levenswijze van hun cli‘nten. Alleen de ondersteuning van ÔeerlijkeÕ armen vergrootte het prestige van hun patroon. Armen die zich hieraan onttrokken konden zij op hun beurt verdere ondersteuning weigeren. Binnen deze lokale patronagenetwerken was de afstand tussen patroon en cli‘nt klein, en effectief toezicht op de gewenste levenswijze van de ondersteunden gemakkelijk. Liefdadigheid en tucht waren zo twee kanten van dezelfde medaille. In de Republiek lijkt de relatief royale bedeling van de armen dan ook onlosmakelijk van een voor Europese begrippen zeer strikte sociale discipline.

Loyaliteit aan een patroon kon omgekeerd voor armen en andere afhankelijken zeer lonend blijken. Een goed voorbeeld daarvoor is de positie van inwonend huispersoneel bij de betere standen. Knechten en meiden verdienden geen hoge lonen, maar genoten toch dikwijls een hogere levensstandaard dan loonarbeiders met een vergelijkbaar inkomen in andere beroepen. Wanneer zij deel uitmaakten van een rijke huishouding waren zij beter gehuisvest en gevoed, en kregen dikwijls tweedehands kleding van hun werkgevers. Wanneer blijkt dat veel weesmeisjes geen vakopleiding kregen, zoals de jongens, maar voorbereid werden op een bestaan als dienstmeisje, hoeft dat dus niet  opgevat te worden als een teken dat de regenten aan hun toekomstperspectief minder gelegen was.

Ook was voor de toegang tot een sommige liefdadige instellingen de voorsprak van aanzienlijke patroons nodig. Alleen echt kapitaalkrachtigen konden met een gerust hart hun oude dag tegemoet zien. Hofjes en proveniershuizen boden hun bewoners niet alleen onderdak maar ook levenslang een gegarandeerd levensonderhoud. In de meeste hofjes zorgde een door liefdadige stichters nagelaten kapitaal voor de kosten van huisvesting en een geregelde ÔproveÕ aan levensmiddelen, brandstof en soms ook zaken als kleding en schoeisel. De regenten van een dergelijke stichting waren dikwijls vergaand vrij hun huisjes te begeven aan wie het hun beliefde. Uiteraard hadden mensen die als cli‘nt tot hun patronagenetwerk behoorden, zoals verarmde verwanten en in trouwe dienst vergrijsd personeel,  dan een streepje voor.

 

 

 

 

Printer friendly format (PDF)

Related articles:

Welfare Reform in Frisian Towns: Between Humanist Theory, Pious Imperatives and Government Policy

Zorg in Leeuwarden, 1500-1800: stadsbestuur en de zorg voor het algemeen welzijn

Kerkelijke en publieke armenzorg voor en na de scheiding tussen kerk en staat

Gereformeerden en doopsgezinden. Het proces over het Marcelis Goverts gasthuis te Leeuwarden 1687-1688

De gift aan de armen in Friese steden in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw, toegelicht aan het voorbeeld van Sneek

De Harlinger armvoogden en de beveiliging van de scheepvaart in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw

Politiek realisme in Reformatietijd. De verhouding tussen ide‘le en economische argumenten in de armenzorg in Haarlem, ca. 1520-1625

 

 



[1] Bouwkundige idealen: Ed Taverne, In Ôt land van belofte: in de nieue stadt. Ideaal en werkelijkheid van de stadsuitleg in de Republiek 1580-1680, Maarssen 1978, p. 29-48, 69; analyse van het begrip gemeen welvaren en de ontwikkelingen daarin in de loop van de tijd, toegespitst op Engeland: Paul Slack, From Reformation to Improvement. Public Welfare in Early Modern England, Oxford 1999, 1-12, dichter bij huis: J. Steendijk-Kuypers, Volksgezondheidszorg in de 16e en 17e eeuw te Hoorn, Rotterdam 1994, 11-34, 97-98.

[2] Slack, From Reformation to Improvement, p. 71, 78, 83-84, C.D. van Strien, British travellers in Holland  during the Stuart period, Leiden 1993, p. 196-198.

[3] Paul Slack, The English Poor Law, 1531-1782, p. 32; Stephen Macfarlane, ÔSocial Policy and the Poor in the later Seventeenth CenturyÕ, in: London 1500-1700. The Making of the Metropolis, ed. A.L. Beier and Roger Finlay, Londen 1986, p. 253.

[4] Joke Spaans, ÔEarly modern orphanages between civic pride and social discipline: FranckeÕs use of Dutch modelsÕ, (te verschijnen in congresbundel WaisenhŠuser vor und nach August Hermann franckes grŸndung 1698, InterdisziplinŠres Zentrum fŸr Pietismusforschung Halle)

[5] Brian Tierney, Medieval poor law. A sketch of canonical theory and its application in England, Berkeley 1959, p. 96-97 en passim.

[6] Hans Martin TŸrck, Die Leidener Wohnstiftungen vom 15. bis 17. Jahrhundert, Aken 1989, p. 58.

[7] Christina Ligtenberg, De armezorg te Leiden tot het einde van de 16e eeuw, Ôs-Gravenhage 1908, p. 31; J.M.M. Jansen, Zevenhonderd jaar Sint Jacobs-gasthuis, Schiedam 1982, p. 12-13.

[8] G.N.M. Vis, Oud en arm. Hevormde bejaardenzorg in Alkmaar, 1744-1994, Alkmaar 1994, p. 20.

[9] Vis, Oud en arm, p. 18-20; Steendijk-Kuypers,Volksgezondheidszorg, p. 120-130.

[10] Cornelis Cau, Groot Placaet-boeck, 9 dln., Ôs-Gravenhage 1658-1796, I, p. 470-475.

[11] Cf. Van Manen, Armenpflege in Amsterdam, p. 25-26; Ligtenberg, Armezorg te Leiden, p. 16-17, Maarten Prak, ÔArmenzorg 1500-1800Õ, in: Jacques van Gerwen en Marco H.D. van Leeuwen, Studies over zekerheidsarrangementen. RisicoÕs, risicobestrijding en verzekeringen in Nederland vanaf de Middeleeuwen, Amsterdam 1998, p. 56-61.

[12] Nadruk op regulering van heel het openbare leven, en ook de zorg, door stadsbesturen Jonathan Israel, The Dutch Republic. Its Rise, Greatness and Fall, 1477-1806, Oxford 1995, p. 353-355, 677-686.

[13] A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt, Assen 1974, p. 102-109; Joke Spaans, Armenzorg in Friesland 1500-1800, p. 196-203, Vis, Oud en arm, p. 26, Ingrid van der Vlis, Leven in armoede. Delftse bedeelden in de zeventiende eeuw, Amsterdam 2001, p. 47-48.

[14] Prak, ÔArmenzorg 1500-1800Õ, p. 65-66, zie ook Van der Vlis, Leven in armoede, 101-115.

[15] Eduard van Zurck, Codex Batavus, waarin het algemeen kerk- publyk en Burgeryk Recht van Holland, Zeeland en het ressort der Generaliteit kortelyk is begrepen, 4e dr., Rotterdam 1758, p. 720.

[16] G. van Duinen, Het wees- en armhuis te Heemstede 1796-1861, Heemstede 1952, p. 16, 20-21; Joke Spaans, ÔKatholieken onder curatele.  Katholieke armenzorg als ingang voor overheidsbemoeienis in Haarlem in de achttiende eeuwÕ, Trajecta 3 (1994) 110-130; J.M. Fuchs, Verzorgen en verplegen, Luthers diaconiehuis Amsterdam 1772-1967, Amsterdam 1967, p. 9.

[17] S. Groenveld, J.J.H. Dekker en Th.R.M. Willemse,Wezen en boefjes. Zes eeuwen zorg in wees- en kinderhuizen, Hilversum 1997, p. 66-69; Spaans, ÔKatholieken onder curateleÕ.

[18] Joke Spaans, ÔKerkelijke en publieke armenzorg voor en na de scheiding van kerk en staatÕ, in: Geen heersende kerk, geen heersende staat. De verhouding tussen kerken en staat 1796-1996, Zoetermeer 1998, 127-141, p. 137-140.

[19] Steendijk-Kuypers,Volksgezondheidszorg, p. 129; zie ook Spaans, Armenzorg in Friesland, p. 148, Van der Vlis, Leven in armoede, p. 254-255.

[20] Israel, The Dutch Republic, p. 357; Steendijk-Kuypers,Volksgezondheidszorg, p. 130-132; Jansen, Sint Jacobs-gasthuis, p. 18

[21] Over de relatie tussen de aspiraties van stichters en het aanzien van hofjes: TŸrck, Leidener Wohnstiftungen; Van Manen, Armenpflege in Amsterdam, p. 89; Gerda H. Kurtz, Haarlemse hofjes, 2e verm. dr., Haarlem 1972; Vis, Oud en arm, p. 48-53, Douwes, Armenkerk, p. 187.

[22] De talrijke burgerweeshuizen hebben stof geleverd voor vele gedenkboeken en meer algemene studies. Algemeen overzicht in J.L. van der Gouw: ÔBurgerweeshuizenÕ, Historiunculae 10 (1965) 56-78. Recente wetenschappelijke studies: Anne E.C. McCants: Civic charity in an golden age. Orphan care in early modern Amsterdam, Urbana/Chicago 1997; S. Groenveld, J.J.H. Dekker en Th.R.M. Willemse,Wezen en boefjes. Zes eeuwen zorg in wees- en kinderhuizen, Hilversum 1997; J.L. Kool- Blokland, De zorg gewogen. Zeven eeuwen godshuizen in Middelburg, Middelburg 1990, 385-500; O. Moorman van Kappen, Tot behouf der arme wesen. Hoofdstukken uit de geschiedenis van het burger weeshuis te Harderwijk, Zutphen 1981;  Joke Spaans, Armenzorg in Friesland. Publieke zorg en particuliere liefdadigheid in zes Friese steden, Hilversum 1998, 164-195; G.N.M. Vis, Het weeshuis van Woerden. 400 Jaar Stadsweeshuis en Gereformeerd Wees- en Oudeliedenhuis te Woerden, 1595-1995, Hilversum 1996; J.P. Vredenberg, Als off sij onse eigene kijnder weren. Het Burgerweeshuis te Arnhem, 1583-1742, Arnhem 1983.

[23] T.G. Kootte, hoofdstuk ÔKledingÓ in Groenveld e.a.,Wezen en boefjes, p. 151-161.

[24] Van der Vlis, Leven in armoede, p. 44-45.

[25] Spaans, ÔEarly modern orphanagesÕ; Groenveld e.a., Wezen en boefjes, 83-84.

[26] J.Th.Engels, Kinderen van Amsterdam. Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-Agogisch Centrum, Zutphen 1989, p. 14-34.

[27] McCants, Civic Charity in a Golden Age, p. 76, 193-202.

[28] Het zwartrijdersprobleem werd zo voorkomen, cf. Abram de Swaan, Zorg en de Staat. Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd, Amsterdam 1989, p. 23-60.

[29] Middeleeuwse regelgeving tegen zwervende bedelaars cf. Tierney, Medieval poor law, 109-132, voor de Nederlanden het (tamelijk ruime) bedelaarsplakkaat van Philips van Bourgondi‘ uit 1459: J.C. Vleggeert, Kinderarbeid in Nederland 1500-1874. Van berusting tot beperking, Assen 1964, p. 2.

[30] Plakkaat tegens de Vagebonden, Bedelaers, Dieven, Landtloopers en andere QuaetdoendersÕ van 16 december 1595, vernieuwd 18 sept. 1597, verscherpt en uitgebreid 19 maart 1614, gerenoveerd 4 maart 1630, 12 mei 1649,Groot Placaet-boeck, I, 481-491.

[31] Ordre op het schouwen van de leprozen, 13 oktober 1586, Groot Placaet-boeck, I, 475-478.

[32] Plakkaat waarnaar ambachtsjongens en hun meesters zich zullen reguleren, 2 september 1597,  Groot Placaet-boeck, I, 513-516.

[33] Cf. Spaans, Armenzorg in Friesland, 77-80.

[34] Gerbrand Adriaensz. Bredero, De Spaanschen Brabander (1618), tussen r. 1149-1150, r. 1022-1041, r. 1080-1085.

[35] Plakkaten tegen bedelaars, landlopers, dieven etc., 16 dec. 1595, 19 maart 1614, Groot Plakkaatboek,  I, 481-495. Ook zigeuners werden zonder meer verdreven, zie indices Groot Plakkaatboek s.v. Egyptenaren.

[36] Spaans, Armenzorg in Friesland, p. 95-96, Hilde van Wijngaarden, Zorg voor de kost. Armenzorg, arbeid en onderlinge hulp in Zwolle 1650-1700, Amsterdam 2000, p. 96, 13.

[37] Waarschuwing 18 augustus 1682, Cau, Groot Placaet-boeck, III, p. 1420.

[38] Charlotte A. van Manen, Armenpflege in Amsterdam in ihrer historischen Entwicklung, Leiden 1913, p. 8, 49, 51, 80, cf. Herman Roodenburg, Onder censuur. De kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam, 1578-1700, Hilversum 1990, p. 111-114; Vis, Oud en arm, p. 44, 46, id., 650 Jaar ziekenzorg in Alkmaar: 1341-1991, p. 70; C.W. van Voorst van Beest, De katholieke armenzorg te Rotterdam in de 17e en 18 eeuw, Ôs-Gravenhage 1955, p. 10; Groenveld e.a., Wezen en boefjes, p. 63.

[39] Prak, ÔArmenzorg 1500-1800Õ, 82; Van Voorst van Beest, De katholieke armenzorg te Rotterdam, p. 12-17; Eduard van Zurck, Codex Batavus, waarin het algemeen kerk- publyk en Burgeryk Recht van Holland, Zeeland en het ressort der Generaliteit kortelyk is begrepen, 4e dr., Rotterdam 1758, p. 102; voor overname in de Generaliteitslanden zie register op de negen delen Groot Placaet-boeck (1796) s.v. Cautie, Friesland heeft invoering van de akten overwogen, maar verworpen, Spaans, Armenzorg in Friesland, p. 265-266.

[40] A. Hallema, Geschiedenis van het gevangeniswezen, hoofdzakelijk in Nederland, Ôs-Gravenhage 1958, p. 128-135.

[41] Dirck Volckertszoon Coornhert, Boeventucht, ed. Arie-Jan Gelderblom en Marijke Meijer-Drees, Muiderberg 1985.

[42] A. Hallema, ÔMerkwaardige voorstellen tot oprichting van het eerste Nederlandse tuchthuis te Amsterdam uit de jaren ca. 1589-1595Õ, in: Jaarboek van het genootschap Amstelodamum 24 (1927) 63-105Õ, idem, ÔJan van HoutsÕs rapporten en adviezen betreffende het Amsterdamse tuchthuis uit de jaren 1597 en 1598Ó, Bijdragen en mededelingen voor de geschiedenis der Nederlanden 48 (1927) 69-98, idem, Geschiedenis van het gevangeniswezen, p. 140-162.

[43] Hallema, Geschiedenis van het gevangeniswezen, p. 133-135, Pieter Spierenburg, ÔThe sociogenesis of confinement and its development in early modern EuropeÕ, in: The emergence of carcereal institutions: pricsons, galleys and lunatic asylums 1550-1900, Rotterdam 1984, 9-77, p. 24-41. Plannen voor gewestelijk tuchthuis en regionale functie: Steendijk-Kuypers, Volksgezondheidszorg, p. 101.

[44] Overzicht, toegespitst op een late periode in H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Armoede en arbeidsdwang. Werkinrichtingen voor ÔonnutteÕ Nederlanders in de Republiek, 1760-1795. Een mentaliteitsgeschiedenis, Ôs-Gravenhage 1977.

[45] Van den Eerenbeemt, Armoede en arbeidsdwang, p. 132-134; Vleggeert, Kinderarbeid in Nederland, p. 1-15.

[46] S. Lootsma, ÒDe geschiedenis der zeildoekweverij tot ca. 1860Õ, in: S. Lootsma, Historische studi‘n over de Zaanstreek, tweede bundel, Koog aan de Zaan, 1950, p. 36-180; Spaans, Armenzorg in Friesland, p. 332, 338-366.

[47] Vis, Oud en arm, p. 45, 53-55.

[48] A. Hallema, Gestichtstypen uit den ouden tijd, Lochem 1941, p. 14-27; Pieter Spierenburg, ÔFinanci‘n en familie-eer. Opsluiting en opgeslotenen op verzoek in Leiden, 1680-1805Õ, in: Armoede en sociale spanning. Sociaal-historische studies over Leiden in de achttiende eeuw, red. H.A. Diederiks, D.J. Noordam en H.D. Tjalsma, Hilversum 1985, p. 117-135 en id., Zwarte schapen. Losbollen, dronkeaards en levensgenieters in achttiende-eeuwse beterhuizen, Hilversum 1995 Hierin lijst verbeterhuizen, p. 137-141. Friesland had geen beterhuizen, cf. Spaans, Armenzorg in Friesland, 161.

[49] Cf. Steendijk-Kuypers, Volksgezondheidszorg, p. 117-118.

[50] Zie b.v. Donna Andrew, Philanthropy and Police. London Charity in the Eighteenth Century, Princeton NY, 1989, p. 109-127. 

[51] Idealen op leven en dood. Gedenkboek van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, 1767-1992, red. H.A. Brokken en W.T.M. Frijhoff, Den Haag 1992.

[52] W.W. Mijnhardt, ÔHet Nut en de genootschapsbewegingÕ, in: W.W. Mijnhardt en A.J. Wichers, red., Om het algemeen volksgeluk, Twee eeuwen particulier initiatief, Edam 1984, 189-220; Van den Eerenbeemt, Armoede en arbeidsdwang, 21-26.

[53] P.N. Helsloot, Martinus Nieuwenhuyzen, 1759-1793, Pionier van onderwijs en volksontwikkeling, Amsterdam 1993, p. 57-80; idem, ÔDe NutsbewegingÕ, in: Mijnhardt en Wichers, Om het algemeen volksgeluk, p. 7-33; P.A.C. Douwes, Armenkerk. De hervormde diaconie te Rotterdam in de negentiende eeuw,, Rotterdam 1977, p. 178; Van Manen, Armenpflege in Amsterdam, p. 117

[54] Van den Eerenbeemt, Armoede en arbeidsdwang, p. 91-95.

[55] Van Duinen, Wees- en armhuis, p. 52, 56-57.

[56] Van Duinen, Wees- en armhuis; Vis, Oud en arm; J.M. Fuchs, Verzorgen en verplegen, Luthers diaconiehuis Amsterdam 1772-1967, Amsterdam 1967, voor een vroeg voorbeeld Van der Vlis, Leven in armoede, p. 43-44, 136-138..