|
Haarlem wisselde
tijdens de Opstand, evenals Mechelen, enkele malen van loyaliteit. De
wisselingen van loyaliteit gingen gepaard met ingrijpende
magistraatswisselingen. Veertig jaar later, toen Maurits in 1618 in een
aantal steden de wet verzette om de partij van Oldenbamevelt te breken,
werd de bezetting van de Haarlemse raadszetels opnieuw grondig gewijzigd.
In deze bijdrage zullen de achtergronden van deze wisselingen wat nader
bekeken worden.
De houding van het patriciaat zal daarbij
globaler aan de orde gesteld worden dan in andere bijdragen in deze bundel.
Het hier gepresenteerde maakt deel uit van een onderzoek naar het religieus
klimaat in Haarlem in de veertig jaar tussen de overgang van Haarlem naar
de Staten en de bestandstwisten. De stadsbestuurders komen hierin vooral aan de orde als degenen
die dit klimaat voor een belangrijk deel bepaalden, meer dan als leden van
een stedelijke patriciaat. Prosopografisch en genealogisch onderzoek was
hiervoor niet nodig en is dan ook niet verricht.
Ook zonder dat kunnen de Haarlemse
magistraatswisselingen tijdens de Opstand vergeleken worden met de
Mechelse. In deze bijdrage zal vooral de rol van de gematigden in de
heersende politieke cultuur nader bekeken worden, zowel tijdens de jaren
1570 als in de bestandstwisten. Van een aantal prominente bestuurders die
in deze bewogen jaren bereid waren compromissen te sluiten en daardoor
moeilijk in het ene of het andere kamp zijn in te delen, zal de carriŹre
gevolgd worden.
De Opstand
Tijdens de Opstand kunnen vier regimes
onderscheiden worden, en bijgevolg drie grote wisselingen in de
samenstelling van de magistraat. De magistraat van voor 1572 vormt het
eerste regime. Het was gematigd katholiek en koningsgezind. In december
1572 stelde Marnix van St. Aldegonde een nieuwe, revolutionaire magistraat
samen, die de stad tijdens het beleg (5 dec. 1572 - 13 juli 1573)
bestuurde. Dit is het tweede regime. Na de val van de stad trad een derde
regime aan, dat uit katholieke koningsgezinden bestond en de stad van 1573
tot 1577 bestuurde. In 1577 kwam de stad definitief onder het gezag van de
prins. De bestuurders van de jaren vanaf 1577 vormen het vierde regime.
Het stadsbestuur bestond traditioneel uit vier
burgemeesters, zeven schepenen en ongeveer achttien vroedschapsleden. De
Haarlemse vroedschap was in deze periode geen gesloten, zichzelf
continuerend gezelschap. De vertegenwoordiger van de landsheer stelde ieder
jaar burgemeesters, schepenen en vroedschapsleden aan. Zij hadden geen
zitting voor het leven. Haarlem had haar privilege op de
magistraatsbestelling verloren als gevolg van haar rol tijdens de opstand
van het Kaas- en Broodvolk in 1492.
Het eerste regime - voor 1572
De magistraat van voor 1572 stond afwijzend
tegenover de verkondiging van de nieuwe leer. Protestantse of anderszins
nieuwerwetse gedachten hadden onder de stedelijke elite geen vaste voet
gekregen. Haarlem telde geen humanistisch gevormde priesters of
schoolmeesters die zich aangetrokken voelden tot de reformatorische
stromingen. Humanisten had de stad genoeg. Zuiver op de katholieke graat
waren ze niet allemaal. De bekendste onder hen, Coomhert, heeft zich in
verschillende levensfases aangetrokken gevoeld tot het Huis der Liefde, de
doopsgezinden en misschien ook even, rond 1566, tot de gereformeerden. Hij
werd echter nooit protestant, en de mensen in zijn naaste omgeving, de
drukker Jan van Zuren, de schilder Maerten van Heemskerclt, de rederijker
Louris Jansz. evenmin. De stedelijke elite als geheel lijkt zich veeleer
aangetrokken gevoeld te hebben tot de katholieke reformatie die rond het
midden van de zestiende eeuw in gang was en die door de verheffing van
Haarlem tot bisschopsstad een sterke impuls kreeg. Het Haarlemse stadsbestuur
steunde allerhande pogingen de oude kerk te versterken.
Toen in 1566 de hagepreken ook in de
omgeving van Haarlem gehouden werden, distantieerde het stadsbestuur zich
resoluut van de beweging. Het sloot de poorten en probeerde zo de burgers
te weerhouden van een bezoek aan de predikers van de nieuwe leer. Zodra uit
het zuiden berichten over de beeldenstorm de stad bereikten nam het
stadsbestuur maatregelen om de Haarlemse kerken voor dit geweld te
behoeden. Hoewel de stad aan de heerlijkheid Brederode grensde en de
manschappen van de Grote Geus dikwijls door de stad trokken, heeft Haarlem
geen beeldenstorm gekend.
De meerderheid van het stadsbestuur wilde
in deze periode vasthouden aan de politieke lijn zoals die vanuit Brussel
werd voorgeschreven en wees concessies aan de protestanten af. Onder de
burgerij leefde echter duidelijk belangstelling voor de preken. Onder deze
belangstellenden bevonden zich vooraanstaande burgers zoals brouwers en
moutmakers. Dezen vonden steun tegenover de aanhangers van de Brusselse
politiek bij de invloedrijke burgemeester Nioolaes van der Laen. Mogelijk
had hij binnen de raad nog medestanders, maar daarover is niets bekend. Van
der Laen bepleitte in de raad de bouw van een houten noodkerk. Hij kreeg de
tegenstribbelende raad mee door een diplomatiek uitspelen van de druk
vanuit de bevolking, de dreiging met het misbruik dat iemand als Brederode
daarvan maken kon, en het feit dat Oranje als stadhouder de bouw van
noodkerken toestond. Coornhert, toen stadssecretaris, speelde een
belangrijke rol als verbindingsofficier tussen het Haarlemse stadsbestuur,
Oranje en Brederode, met wie hij door zijn vrouw indirect verwant was. Van
der Laen bewerkstelligde hiermee geen omslag in de houding van het
Haarlemse stadsbestuur, maar slechts een compromis tussen burgers die meer
ruimte voor de nieuwe leer vroegen, en de meerderheid van het stadsbestuur,
die onverkort aan de koninklijke godsdienstpolitiek wenste vast te houden.
Hij ging ook beslist niet verder dan waartoe hij zich door Oranje gesteund
wist.
Zodra in Brussel het tij keerde voor de
tolerantiepolitiek van Oranje, en Alva naderde, was het uit met dergelijke
experimenten. Het stadsbestuur stelde een nieuwe schout aan, die strenger
tegen de sekten moest optreden dan de oude had gedaan. Er werden zelfs weer
doodvonnissen voltrokken op grond van de ketterplakkaten. Aan de andere
kant werden de burgers die zich ingezet hadden voor de houten noodkerk en
deel genomen hadden aan de organisatie van de gereformeerde gemeente, die daar
in de winter van 1566/67 diensten had gehouden, door het stadsbestuur
beschermd en uit de handen van de Raad van Beroerten gehouden. De
voorstanders van de Brusselse politiek namen opnieuw het roer in het
stadsbestuur over. Van der Laen verdween echter niet van het politiek
toneel. Hij werd niet, zoals de leidende figuren uit de gereformeerde
gemeente die in de noodkerk bijeenkomsten gehouden had, geci teerd voor de
Raad van Beroerten. Zijn rechterhand Coornhert moest wel vluchten. Vanaf
1567 was Van der Laen een aantal jaren pensionaris, een functie waarin hij
zijn diplomatieke gaven kon uitleven. Helaas is over zijn rol in deze
jaren, waarin katholieke uniformiteit met vernieuwde kracht werd
afgedwongen, niets naders bekend.
In 1572 werd de hegemonie van de katholieke
en pro-Brusselse magistraatsmeerderheid opnieuw op de proef gesteld. In juni verschenen enkele uitgeweken ballingen als commissarissen
van Oranje voor de stad om haar voor de prins op te eisen. Het Haarlemse
stadsbestuur had absoluut geen sympathie voor de Opstand. De commissarissen
wisten echter binnen korte tijd steun te vinden bij de bevolking, met name
bij de schutterij. Het stadsbestuur had zich in zijn loyaliteit aan het
bewind van Alva niet populair gemaakt. Onder druk gaf het toe, en op 24
juni ging Haarlem officieel over, zonder dat echter van haar burgerij een
nieuwe eed van trouw gevraagd werd. Een maand later deed Bossu aan het
hoofd van enkele koninklijke troepen een aanslag op Haarlem, waarbij hij
duidelijk hulp had binnen de stad. Wanneer de opzet niet tijdig ontdekt
was, had hij de stadspoorten geopend gevonden en de stad zonder slag of
stoot kunnen innemen. Nadat de aanslag mislukt was, werd alsnog de eed van
trouw aan Oranje gevraagd. In augustus stelden de Staten van Holland een
nieuw stadsbestuur aan. Alleen de namen van de burgemeesters zijn bekend.
Onder hen waren geen uitgesproken aanhangers van Oranje. Naast Nicolaes van
der Laen werd ook Dirck de Vries, een lid van de katholieke kern van de
afgelopen jaren, verkozen, met twee andere gematigde figuren. Onder
schepenen en vroedschappen waren waarschijnlijk wel duidelijke voorstanders
van de Opstand te vinden.
Het tweede regime Đ tijdens het beleg
In december 1572 vond de omslag van het
eerste naar het tweede regime plaats. De strafexpeditie van Alva's zoon don
Fadrique had, over Mechelen, Zutphen en Naarden, Haarlem bereikt. Don
Fadrique eiste de onvoorwaardelijke overgave van de stad, maar het
stadsbestuur aarzelde. Waarschijnlijk was een meerderheid, waaronder leden van
de oude magistraat zoals Dirck de Vries voor overgave, maar durfden ook zij
er niet op te vertrouwen dat hun stad het lot van Naarden bespaard zou
blijven. Een driemanschap, waaronder burgemeester De Vries, reisde naar
Amsterdam - om de stad over te geven, of om advies in te winnen bij de
koninklijke stadhouder Boesu, of om condities voor overgave te bedingen. De
ware toedracht blijft onduidelijk. In de stad werd echter al snel door
prinsgezinden uit de raad het gerucht verspreid dat de stad overgegeven zou
worden. Wigbold Ripperda, de militaire gouverneur van de prins, en de
schutterijen pleegden een coup, stelden een aantal leden van de oude
magistraat onder huisarrest en bereidden zich voor op een belegering. Van
de drie delegatie leden was De Vries in Amsterdam gebleven. De andere twee
werden bij hun terugkomst in Haarlem gearresteerd en doorgestuurd naar
Delft. EŽn van beiden stierf daar in de gevangenis, de ander werd als
verrader terechtgesteld.
Enkele dagen later zuiverde Mamix van St.
Aldegonde de magistraat. Op voordracht van de schutterijen werd al wat
politiek onbetrouwbaar was vervangen. Gematigde leden van de oude
magistraat konden blijven. Onder hen was burgemeester Nicolaes van der
Laen. Hij was een van de zeven leden uit het eerste regime die in december
1572 gehandhaafd werden. Van de burgemeesters die in augustus waren
aangesteld werd alleen Dirck de Vries vervangen. In zijn plaats kwam Pieter
de Kies, een gewezen lid van de gemeente in de noodkerk, geciteerd voor de
Raad van Beroerten, in ballingschap gegaan en in juni 1572 als commissaris
van Oranje teruggekeerd. In de gezuiverde magistraat zaten naast hen nog
twee mannen die eveneens om hun leidende rol in de gemeente in de noodkerk
geciteerd en gevlucht waren. Twee‘ntwintig van de negenentwintig nieuwe
raadsleden hadden niet eerder in het stadsbestuur zitting gehad. Voor de
overgrote meerderheid van de raadszetels konden onder de zittende en
oud-raadsleden dus geen personen gevonden worden die de stad in haar verzet
tegen don Fadrique konden besturen. Gezien de consequent koningsgezinde
politiek van de stad in de voorgaande jaren is het misschien opmerkelijker
dat zeven gematigde oudraadsleden wel geschikt bevonden werden. Onder het
bestuur van deze revolutionaire magistraat werd niet alleen weerstand
geboden aan het koninklijke leger, maar ook de katholieke eredienst
verboden.
Zoals bekend viel Haarlem na zeven maanden
beleg alsnog in handen van don Fadrique. Op 13 juli 1573 capituleerde de
stad. Het was duidelijk dat de gewelddadige afstraffing van Mechelen,
Zutphen en Naarden de Haarlemmers tot hun verbeten en wanhopige weerstand
had gebracht. Uit strategische overwegingen begenadigde Alva de Haarlemse
burgerij om zo andere steden minder afkerig te maken zich opnieuw onder de
koning te schikken. De bestuurders die de stad geleid hadden in haar
weerstand tegen het koninklijk gezag, werden uitgesloten van deze amnestie,
maar niet gedood. Niet alle raadsleden werden uitgesloten van het pardon.
Nicolaes van der Laen werd als enige van de vier burgemeesters begenadigd,
samen met drie van de zeven schepenen en zeven van de achttien
vroedschappen. Het is gissen naar de reden voor deze uitzonderingen.
Mogelijk hadden zij zich gunstig onderscheiden tijdens de onderhandelingen
over de overgave, maar ook godsdienst kan een rol gespeeld hebben.
Het derde regime - 1573-1576
Zoals in Mechelen geen van de raadslieden
uit het calvinistisch bewind na 1585 ooit in de raad terugkeerde, zo kon
geen van de raadsleden uit het tweede regime de overstap maken naar het
derde regime, ook de begenadigden
niet. In de magistraat die Haarlem van 1573 tot en met 1576 regeerde
was de oude magistraat van voor 1572 sterk vertegenwoordigd. Degenen die
voor 1572 de politiek van Brussel loyaal volgden waren ook nu, onder het
herstelde koninklijk bestuur, de aangewezen personen om de stad op een
loyale koers te houden. Dertien van de twee‘ntwintig hadden voor 1572
magistraatsfuncties bekleed, zes daarvan al minstens sinds 1560. De overige
negen waren nieuw. Vier van de twee‘ntwintig waren in de eerste
decemberdagen van 1572, toen het besluit weerstand te bieden gevallen was,
door het Oranjegezinde regime onder huisarrest gesteld. Drie anderen waren
al voor december uit Haarlem naar
Amsterdam vertrokken en hadden van daaruit per brief hun stadgenoten
gemaand zich over te geven.
Deze twee‘ntwintig magistraatsleden waren
burgemeesters en schepenen. Vroedschapsleden werden in deze jaren niet
aangesteld. De officieren van het garnizoen en de bisschop en zijn
entourage namen hun taken over. Hun bestuur was daardoor niet minder
uitzonderlijk dan het revolutionaire bewind van 1572. Het was voor Haarlem
een moeilijke tijd. De stad was bijna geheel omringd door gebied dat onder
controle van Oranje stond en leed onder een handelsblokkade. De toevoer van
levensmiddelen werd bemoeilijkt en de prijzen waren hoog. Het garnizoen
eiste een deel van de goederen die Haarlem bereikten voor zich op en
gedroeg zich, zoals de gewoonte van garnizoenen in oorlogstijd is,
onhebbelijk tegenover de burgerij. Burgemeesters en schepenen konden daar
weinig aan veranderen, zij waren in hun eigen stad ondergeschikt aan de
militaire leiding. De haast waarmee in deze jaren, op kosten van de
verarmde burgerij van de zwaar beschadigde en economisch vrijwel lamlegde
stad, de schade aan kerkgebouwen en altaren werd hersteld, nam de bevolking
zeer in tegen het regime.
Het vierde regime - na 1577
Op het eerste gezicht wekt het dan ook
verwondering dat toen in 1577 Haarlem definitief overging naar de kant van
Oranje en de Staten van Holland, toch nog leden van het derde,
koningsgezinde en katholieke, regime in het stadsbestuur terugkeerden. Van
hen kon immers, zou men denken, weinig loyaliteit aan het Staatse bestuur
verwacht worden. De herkozenen waren kennelijk gematigden, die door de meer
besliste Haarlemse koningsgezinden, de militaire leiding en de bisschop
waren overstemd. Hun aanvaardbaarheid
wordt mede verklaard uit de aard van Haarlems overgang in 1577.
Haarlem ging over bij Satisfactie. Het stadsbestuur kon, volgens de
bepalingen van de Pacificatie van Gent, met de prins en de Staten
onderhandelen over de voorwaarden waarop de stad tot de Staten wilde
toetreden.
Die onderhandelingsruimte bleek in januari
1577 in de praktijk klein te zijn. De Haarlemse magistraat stelde als
eerste voorwaarde dat de katholieke eredienst als enige in de stad zou
worden toegestaan. Oranje wenste deze voorwaarde niet te accepteren. De
verdragspartners in de Pacificatie van Gent, de katholieke provincies in
het zuiden, onderhandelden op dat moment met Don Juan over de landvoogdij
en dreigden daarbij de concessies die Holland en Zeeland op het punt van de
religie in Gent bedongen hadden onder tafel te werken. Oranje kon zich vrij
voelen de voorwaarden van de Pacificatie op zijn beurt aan eigen inzicht
aan te passen. Hij dwong de Haarlemmers een religievrede op. De kerk van
Onze Lieve Vrouwe in de enigszins excentrisch gelegen stadswijk Bakenes, op
ruime afstand gelegen van de parochiekerk, de St. Bavo, moest aan de
protestanten overgedragen worden. Protestanten kregen naast de katholieken
vrijheid van openbare eredienst.
Voor het overige werd de autonomie van
Haarlem onverlet gelaten. De magistraat zou op het gebruikelijke tijdstip
in het najaar op de gebruikelijke manier vernieuwd worden. Nu had Haarlem,
zoals vermeld, geen privilege op de magistraatsbestelling dat de vroedschap
toestond zichzelf aan te vullen en kandidaten voor burgemeesters- en schepenambten voor te dragen,
dus ook hier deed Oranje geen grote concessie. Hij kon in augustus 1577
geheel naar eigen inzicht een stadsbestuur samenstellen. Hij herkoos elf
mannen die in 1572 in het revolutionaire bestuur gezeten hadden, plus vijf
die in de loop van het beleg aan de vroedschap waren toegevoegd -
vertegenwoordigers van burgerij en schutters waren toen als waarnemers
aangesteld om naast de reguliere magistraat kennis te nemen van de
boodschappen die per duivenpost de stad vanuit de buitenwereld bereikten.
Met die vijf erbij waren dat zestien bestuursleden die tijdens het beleg in
het bestuur van de stad een rol gespeeld hadden. Daarnaast stelde hij in
1577 vier figuren aan die in 1573-1576 bestuursfuncties vervuld hadden en
ŽŽn lid van het bestuur van voor 1572 dat tijdens het beleg onder
huisarrest was gesteld om zijn politieke onbetrouwbaarheid. Elf
nieuwelingen completeerden de raad, waarvan er ŽŽn in 1568 voor de Raad van
Beroerten geciteerd was en een andere in 1573 uitgesloten was geweest van
het pardon dat Alva de Haarlemse burgerij na het beleg verleend had.
Katholieken en protestanten zaten naast elkaar in de raad, leden van het
opstandige tweede regime naast leden van het derde, katholieke en
koningsgezinde regime. Uiteraard werden uit beide kampen vooral de meer
gematigden benoemd. Nicolaes van der Laen, voor 1572 voorstander van
voorzichtige concessies aan de aanhangers van de nieuwe leer en
burgemeester tijdens het beleg, werd weer lid van de vroedschap.
Een confessioneel gemengde en politiek
gematigde magistraat was noodzakelijk om de religievrede een kans te geven.
De kansen voor het slagen van een religievrede leken in Haarlem zeer
ongunstig. Het Satisfactieverdrag van 1577 schreef voor dat katholiek en
protestant elkaar niet mochten hinderen in woord of daad, maar over en weer
konden beide confessies elkaar over de afgelopen jaren heel wat verwijten.
Daarbij was een protestantse overname, zo midden in het protestantse
Holland, niet denkbeeldig. In 1578 kwam het bijna zo ver. Enkele dagen na
de Alteratie in Amsterdam, op 29 mei, verstoorden geuzensoldaten in de St. Bavokerk
de viering van Sacramentsdag. In het handgemeen werd een priester
doodgestoken en vielen verschillende gewonden. De soldaten roofden
kerksieraden en eigendommen van de aanwezige burgers en zetten, toen zij in
de kerk klaar waren, hun wanbedrijf in een aantal kloosters voort. Dit
alles leidde echter niet tot een uitzetting van de geestelijkheid en van
katholieke magistraatsleden. De raddraaiers onder de soldaten werden
gestraft en de geroofde goederen aan de eigenaars terugbezorgd.
In het najaar van 1578 koos Oranje een
magistraat waarin de oude magistraat van voor 1572 en de katholieken nog
iets sterker vertegenwoordigd waren dan in die van 1577. Naast zestien
reguliere en vijf toegevoegde leden uit de magistraat van 1572 stonden vier
leden van de katholieke magistraat uit 1573-1576 plus twee van de oude
magistraatsleden die in 1572, bij het begin van het beleg, onder huisarrest
gesteld waren. Vier van de nieuwelingen uit 1577 werden herkozen en vijf
volledige nieuwelingen opgenomen, waarvan er een in 1568 geciteerd was voor
de Raad van Beroerten.
Na de verkiezing van dit college werd het
privilege op de magistraatsbestelling hersteld. De in het najaar van 1578
verkozen magistraatsleden mochten levenslang zitting houden in de
vroedschap, en bij overlijden of vertrek van een raadslid mocht de
vroedschap zichzelf aanvullen. Mannen die tijdens het beleg voor
onbetrouwbaar hadden gegolden konden zo na 1577 nog lange tijd deel
uitmaken van het stadsbestuur. Dirck de Vries, die in 1572 als burgemeester
naar Amsterdam gereisd was om over de overgave van de stad te spreken, en
wiens mede-delegatieleden in Delft als verraders gestorven waren, werd in
1578 als vroedschap gekozen en bleef dat tot zijn dood in 1587. Hij werd
overigens niet meer voorgedragen voor ambten en was de laatste jaren weinig
aktief. Jan van Zuren, die voor 1572 een glanzende magistraatscarriŹre had
doorlopen, en Hugo Bol van Zanen, die in die tijd vele malen schepen was
geweest, waren in 1572 bij het begin van het beleg onder huisarrest gesteld.
Van Zuren was bovendien in 1573, onder het derde regime, burgemeester. In
1578 waren zij resp. vroedschap en schepen. Zij bleven tot hun dood, in de
jaren 1590, in de magistraat en bekleedden regelmatig het schepenambt.
Kennelijk werd in deze jaren erkend dat hun afwijzing van verzet tegen het
koninklijk gezag was ingegeven door hun inschatting van wat het belang van
de stad het beste diende, eerder dan door een partijkeuze. Hun loyaliteit
aan de stad maakte hen herkiesbaar. De Haarlemse magistraatswisselingen
geven dus niet, zoals de Mechelse, een steeds scherper wordende polarisatie
te zien. Haarlem keerde in 1577 terug naar een gematigd regime, nu van
overwegend protestantse signatuur en loyaal aan de Hollandse Staten.
Nogmaals het derde regime - 1581
Onder deze confessioneel gemengde en
gematigde magistraat bleef de religievrede, die Haarlem in 1577 tegen haar
zin was opgedrongen bij het Satisfactieverdrag, tot 1581 in stand. Een
andere bepaling uit datzelfde Satisfactieverdrag bleek voor de stad echter
onmogelijk na te komen. Overeengekomen was dat de schulden, die tijdens het
beleg gemaakt waren. door het stadsbestuur uit de inkomsten van de stad
vereffend moesten worden. Het herstel van de stad kwam echter slechts
langzaam op gang en steeds luider verzochten de Haarlemse
afgevaardigden de Staten
financieel bij te springen. Zij voerden patriottische argumenten aan. Het
beleg, waaruit Haarlems financi‘le moeilijkheden voortkwamen, had de
Spaanse troepen lang opgehouden. Heel Holland had daardoor een adempauze
gekregen. Het was niet meer dan redelijk dat de Staten ook geldelijk van
hun dankbaarheid blijk gaven. De Staten waren daartoe niet bereid. Na
eindeloze onderhandelingen werd uiteindelijk het Satisfactieverdrag uit
1577 voor vervallen verklaard en kreeg Haarlem, op grond van een nieuw
verdrag, de beschikking over de inkomsten van het kapittel en een aantal
geestelijke broederschappen en kloosters die binnen haar gebied gelegen
waren. De religievrede, die de katholieken in het ongestoorde bezit van hun
goederen gelaten had, vond hiermee een einde. De gereformeerde eredienst
zou voortaan als enige openbaar gevierd mogen worden.
Namens de Haarlemse katholieken werd kort
nadat deze nieuwe regeling was afgekondigd, een rekest bij de Staten
ingediend, waarin gevraagd werd om behoud van de religievrede. Hoewel de
formuleringen van het rekest niet aanstootgevend genoemd kunnen worden,
reageerden prins en Staten
buitengemeen fel. Zij overwogen de opstellers voor de duur van de oorlog te
verbannen, zonder confiscatie van hun goederen, mits zij naar neutrale
landen zouden vertrekken. Voor deze felheid is maar ŽŽn verklaring. De ondertekenaars
bestonden overwegend uit de magistraatsleden uit het derde regime van
1573-1576, die zich op deze wijze nog eenmaal als groep manifesteerden.
Kennelijk bleek uiteindelijk dat van samenzwering geen sprake was. De zaak
liep met een sisser af.
De bestandstwisten en de
magistraatswisseling van 1618
Gematigde politici, voor wie de loyaliteit
ten opzichte van de eigen stad belangrijker was dan partijpolitiek,
speelden niet alleen tijdens de eerste jaren van de Opstand een belangrijke
rol in het stedelijk bestuur, maar ook tijdens de Bestandstwisten. Die
twisten waren in Haarlem lang, hevig en ingewikkeld. Het stadsbestuur raakte met de kerkeraad in conflict over de te
volgen procedure bij de benoeming van nieuwe predikanten. Tot dan toe was
geen bepaalde kerkorde gevolgd, maar waren kandidaten door de kerkeraad aan
de burgemeesters voorgesteld en waren beroepen tot stand gekomen in
onderling overleg. In 1612 hadden de Staten van Holland, in verband met de
hier en daar al gerezen kerkelijke conflicten, besloten dat de steden die
dat wensten de kerkorde van 1591 mochten invoeren. Deze kerkorde was niet
door een kerkelijke vergadering opgesteld, maar door een door de Staten
samengestelde commissie. Hij schreef voor dat predikanten beroepen moesten
worden door een zogenaamd collegium qualificatum, een commissie,
bestaande uit vier leden van de kerkeraad en vier leden van de magistraat.
In Haarlem was op dat moment al enige tijd
een vacature. Het Stadsbestuur wilde op de opengevallen plaats een
stadsalumnus benoemd zien, een van de predikanten die op stadskosten
gestudeerd hadden. De twee op dat moment beschikbare alumni hadden echter
in 1610 beiden de Remonstrantie ondertekend, en de rechtzinnige kerkeraad
van Haarlem had daarom bedenkingen. In 1612 wilden de burgemeesters de
kerkorde van 1591 invoeren en zo het probleem, inmiddels vergroot doordat
een tweede vacature was ontstaan. op hun manier oplossen. De weerstand van
de kerk was echter groot en uiteindelijk werd een compromis gesloten. De
beroeping geschiedde als vanouds, in overleg. De kerkeraad mocht een
predikant van zijn voorkeur beroepen. Daarnaast zouden ook de beide alumni
beroepen worden. Aan de bezwaren die de kerkeraad tegen hen koesterde kwam
het stadsbestuur enigszins tegemoet. De kerkeraad mocht van de alumni eisen
dat zij een verklaring zouden ondertekenen, waarin zij beloofden geen
nieuwigheden in de kerk te zullen invoeren. Zij hebben dat beiden gedaan en
er zijn later nooit verdenkingen tegen hun rechtzinnigheid gerezen.
Gematigd optreden van kerkeraad en magistraat had een dreigend conflict in
de kiem gesmoord.
In 1615 moesten opnieuw twee predikanten
beroepen worden. Opnieuw werd besloten in overleg te beroepen, maar nu
overspeelde de kerk, door het drijven van een aantal rechtlijnige
contraremonstrantse predikanten Žn ouderlingen, haar hand. Overeengekomen
was dat de kerkeraad vier kandidaten zou nomineren uit een met de
burgemeesters besproken lijst van tien. Uit die vier zouden de
burgemeesters de twee nieuwe predikanten kiezen. De kerkeraad kwam daarop
met een nominatie die de burgemeesters voor een fait accompli stelde, omdat
van de vier kandidaten slechts twee voor een predikantsplaats in Haarlem in
aanmerking kwamen. De derde was een notoire querulant en de vierde slechts
proponent en daardoor voor een grote stad als Haarlem niet gekwalificeerd.
Na een half jaar touwtrekken werd uiteindelijk een van de vier kandidaten
beroepen. Voor de tweede volgden de burgemeesters. om verdere moeilijkheden
te voorkomen, de beroepingsprocedure van de kerkorde van 1591. Met
medewerking van de meerderheid van de predikanten, maar tegen de wil van
het grootste deel van de ouderlingen beriepen zij Dionysius Spranckhuysen.
De overstemden uit de kerkeraad wensten hem
niet te accepteren en de kerk dreigde te scheuren. Met kunst en vliegwerk
lukte het de burgemeesters de dolerenden nog een jaar tot samenwerking te
dwingen, maar uiteindelijk bleek de scheuring onvermijdelijk. De
burgemeesters werden in hun politiek gesteund door de landsadvocaat Johan
van Oldenbarnevelt. Op beslissende momenten toog de Haarlemse pensionaris
Johan de Haen naar Den Haag waar hij en de landsadvocaat telkens weer
oplossingen wisten te formuleren om uit de impasse te geraken, waarbij de
burgemeesters telkens aan het langste eind trokken. Een harde kern van
invloedrijke magistraatsleden en oud-magistraatsleden dreef deze politieke
lijn. Zij kregen de gematigden aanvankelijk achter zich. De stad was niet
gediend met ruzi‘nde predikanten, en de benoeming van Spranckhuysen, die
zich in de remonstrantse en contraremonstrantse twisten afzijdig had
gehouden, moet ook hen een ge‘igend middel geschenen hebben om de rust in
de kerk te herstellen. Toch riep de uitgesproken politiek van de
Oldenbarneveltianen ook bij hen op den duur verzet op.
Onder deze gematigden behoorde Arent
Meinertszn, een man die in 1573, hoewel hij niet in het revolutionaire stadsbestuur
had gezeten, uitgesloten was geweest van Alva's pardon. Hij was in 1577 tot
vroedschap benoemd en had vanaf 1583 permanent zitting in de vroedschap.
Hij was enkele malen burgemeester en schepen geweest. Bovendien was hij
vanaf het allereerste begin lid van de gereformeerde gemeente en had daarin
een aantal jaren het ouderlingschap bekleed. Hij behoorde in 1615 tot de
groep bestuurders die het stedelijk beleid in de gerezen kerkelijke
problemen bepaalde. Aanvankelijk had hij geen bezwaar tegen inmenging van
de magistraat in benoemingskwesties. Hoe zou hij ook? Die inmenging was tot
dan toe gebruikelijk geweest, zij het niet zo geformaliseerd als de
kerkorde van 1591 wilde. Uiteindelijk werd de manier waarop enkele
burgemeesters, ten koste van een scheuring, de kerk probeerden te dwingen
en partijbelang lieten prevaleren boven stedelijk belang, hem te gortig.
Hij zou in 1618 een van de rechters van Oldenbamevelt zijn, zij het een
gematigde.
De factie die de lijn van Oldenbarnevelt en pensionaris De
Haen volgde, verloor uiteindelijk niet alleen de kerkman Arent Meinertszn.
Op 24 oktober 1618 verzette Maurits in Leiden de wet. Nog diezelfde avond
werd hij in Haarlem verwacht. Over de gebeurtenissen van die 24e en 25e
oktober 1618 heeft de stadssecretaris in het register van
vroedschapsresoluti‘n een aangrijpend verslag geschreven. De
Oldenbarneveltiaanse factie had een petitie voorbereid, waarmee zij de
prins het onwettige van wetsverzettingen onder ogen wilde brengen. Toen de
burgemeesters de vroedschap vroegen deze petitie te ondertekenen, vonden
zij slechts een minderheid daartoe bereid. De steun van de gematigde
meerderheid was hen ontvallen. Na het vertrek van de vroedschap verbrandden
de burgemeesters in arren moede hun petitie in de haard. De volgende morgen
onthief Maurits alle raadsleden uit hun functie, herbenoemde vervolgens
dertien van hen - de gematigden, waaronder Arent Meinertszn. Naast hen
verschenen dertien nieuwe leden in de vroedschap.
***
De conflicten tijdens het Bestand kunnen zo
naast de magistraatswisselingen in de jaren 1570 gesteld worden. Opnieuw
was de politieke lijn van de stad bepaald door een kleine groep die zich
vastgelegd had op een programma en van geen compromis meer wilde weten. Op
het beslissende moment bleken zij niet gesteund te worden door de
gematigden en kwamen ten val. De gematigden echter behielden hun positie.
De Haarlemse magistraatswisselingen waren,
zoals gezegd, ingrijpend. Doorgaans bleek het echter mogelijk dat
raadsleden van het ene regime overstapten naar het volgende. Dat was het
geval bij de wisselingen tijdens de Opstand, met uitzondering van de
overgang van het revolutionaire bewind van 1572 naar de katholieke
magistraat van 1573-1576. Het gold ook bij de wetsverzetting in 1618. Op de
uitzondering van 1572 na telden alle regimes dus kennelijk, ondanks scherpe
politieke en religeuze tegenstellingen, gematigden die voor een volgend regime acceptabel waren.
Hun loyaliteit gold in de eerste plaats hun eigen stad. Zij waren bereid
daarvoor compromissen te sluiten. Hoewel een aantal van hen een
vooraanstaande plaats in het bestuur van de stad innam, is het vaak lastig
hun positie eenduidig vast te stellen. Nicolaes van der Laen was, hoewel
een steunpilaar voor de Haarlemse protestanten in 1566, geen geloofsheld.
Dirck de Vries, Jan van Zuren en Hugo Bol van Zanen, die in 1572 als
politiek onbetrouwbaar hadden gegolden, werden in 1578 patriot genoeg
geacht om in het stadsbestuur terug te keren. Arent Meinertszn, in 1618
rechter van Oldenbarnevelt, was in 1615 ŽŽn van de tegenstanders van de
rechtlijnige contraremonstranten in de kerkeraad.
Politici die zich ondubbelzinnig verbonden
met een zaak die boven het stedelijk belang uitging - de Opstand, trouw aan
de koning, de zaak van de religie -, raakten bij een verandering van
politieke constellatie veel eerder in moeilijkheden. Ook in een college
waarin gematigden in de meerderheid waren, hadden zulke radicalen het
beleid kunnen bepalen. Zolang de grote politiek hen steunde, kregen zij de
gematigden wel mee. Hun hegemonie had echter een smalle basis. Op het
moment dat de zaak waarvoor zij ijverden er slecht voor stond, verloren zij
de steun van de gematigden.
|