|
Het lezen van
processtukken van toverij processen is voor de twintigste eeuwer een
bevreemdende ervaring. In alle ernst zien we rechtbanken mensen veroordelen
tot een afschuwelijke dood, om zaken die ze niet gedaan kunnen hebben. In
het onderzoek naar de achtergronden van dit soort processen is dan ook het
vermoeden van boze motieven - vari‘rend van geldzucht tot vrouwenhaat - aan
de kant van de rechters niet zeldzaam. In het moderne onderzoek richt de
aandacht zich vooral op de sociologische aspecten van toverij: er wordt
nagegaan 'wie de heksen waren'. Dat levert een schat aan gegevens op over
de beschuldigden en hun buren, en de idee‘n die zij over toverij hadden. In
dit artikel zal echter de vraag gesteld worden naar wat er in de geesten
van de rechters rondspookte. Was dat begeerte naar persoonlijke verrijking
of het op hun plaats houden van de vrouwen, of spraken zij in alle ernst
recht? En zo ja, waarop baseerden zij zich dan?
Bij de behandeling van deze vraag zullen we
eerst kijken naar de gevolgde procedure in de goed gedocumenteerde
Amersfoortse procesreeks. Deze zal vergeleken worden met het geldende
strafrecht. Daarna zal ingegaan worden op de verhouding van dit recht tot
de heksenleer. In Amersfoort werden in de periode 1590-1595 voor de
stedelijke vierschaar over zeventien mensen onderzoeken ingesteld op
verdenking van toverij. Deze liepen niet allemaal uit op een proces. Een
overzicht hiervan geeft de bijlage bij dit artikel. Het gaat hier om een
deel van een grotere reeks, die zich behalve voor het Amersfoortse
stadsgerecht voornamelijk afspeelde voor het Hof van Utrecht. De
betrokkenen waren deels familie van elkaar, deels waren ze als
medeplichtigen genoemd in de verhoren van hun medeslachtoffers. Van de Amersfoortse gebeurtenissen
zijn in het rechterlijk archief van Amersfoort, in het zogeheten Informatieboek, uitgebreide verslagen bewaard gebleven. Ze bevatten een schat aan
gegevens, zowel over de personen die vervolgd werden voor toverij als over
de procedure voor het gerecht. Uitvoerig komen ook de vigerende
voorstellingen over magie en tegenmagie aan de orde.
Dit materiaal is voor een deel bewerkt door
J.H.P. Kemperink in zijn artikel 'Heksenprocessen te Amersfoort op het
einde der 16e eeuw'. Het proces tegen Maria Volckens, waarschijnlijk het eerste in de
reeks, wordt hier over het hoofd gezien. Deze Maria werd verbannen, niet
verbrand, en waarschijnlijk vond Kemperink het daarom geen 'echt
heksenproces'. De minder opzienbarende gevallen waarin over personen
informatie werd ingewonnen terzake van toverij, maar waarin het niet tot
een veroordeling kwam, liet hij eveneens buiten beschouwing. Ook LŹne
Dresen-Coenders besteedde in haar proefschrift aandacht aan de Amersfoortse
processen. Zij is evenmin volledig. De bijbehorende Utrechtse processen zijn behandeld door Arend van
Buchell, Simon van Leeuwen en J.C. Hoogewerff. J.E. Toussaint Raven bereidt een dissertatie voor over
heksenvervolging in Stad en Sticht van Utrecht waarin de hele procesreeks
aan de orde zal komen.
Bij het doorlezen van het
archiefmateriaal over de
Amersfoortse processen valt op dat de procedure voor het gerecht veel
'nuchterder' is dan op grond van de literatuur over heksenprocessen en van
een boek als de Malleus Maleficarum verwacht
zou mogen worden. Rechtstreeks gebruik van de Malleus door de vierschaar van het sinds 1580 gereformeerde Amersfoort is
ook uitgesloten. Het boek van de twee dominicaner inquisiteurs Jacob
Sprenger en Heinrich Institoris (Kramer) verscheen voor het eerst in 1487.
Het was bedoeld als een handboek voor inquisiteurs die, zoals zijzelf, te
maken kregen met schadelijke toverij. Het geeft een handleiding voor het
determineren van de vorm en graad van ketterij waarin de beschuldigde is
vervallen en schrijft daarna een kerkelijke straf voor. Voor de vraag
waarop een gerecht als het Amersfoortse zich dan wel baseerde bij
berechting van toverij geeft het onvolprezen Informatieboek ons geen directe aanwijzingen, maar een vergelijking van de
Amersfoortse stukken met het gewone strafprocesrecht is heel verhelderend.
We beschikken over een handboek voor het
strafrecht in de Praxis Rerum Criminalium van
Joost de Damhouder, voor het eerst verschenen te Leuven in 1554. Het
beschrijft de stijl van procederen in de Brabantse en Vlaamse steden en
voor het Hof van Mechelen. Het boek is uitgegeven in twee versies: een
geleerde, Latijnse uitgave, waarin allerlei rechtsbronnen en gezaghebbende
juristen geciteerd worden, en een beknopte versie in het Nederlands en het
Frans, die zuiver een handleiding voor de praktijk is. Het boek heeft een
grote populariteit genoten tot ver in de zeventiende eeuw.
Wanneer we de Amersfoortse stukken doornemen, blijkt dat
de procedure die daarin gevolgd is nagenoeg overeenkomt met de beschrijving
van het crimineel proces bij De Damhouder. Eerst moet de zaak onder de
aandacht van de rechter gebracht worden. In de processen tegen Maria Volckens en tegen Margriet Willems en
haar dochter Adriana werd er een klacht ingediend door mensen de zich door
hen benadeeld voelden. Een aantal dagen later klaagden de beschuldigden
zelf bij het gerecht dat men hen voor 'toversen' hield en hen dwong te
zegenen. Dit zegenen was een veel voorkomende vorm van anti-magie.
Gedwongen worden die uit te oefenen bij ziekte of andere schade betekende
dat men voor die schade verantwoordelijk gehouden werd. Het was een
aantasting van de goede naam, waarover men zijn/haar beklag kon doen. Het
was niet ongebruikelijk dat mensen die op deze manier of door
scheldpartijen merkten dat zij door hun omgeving van toverij verdacht
werden, zich bij de stedelijke overheden over aantasting van hun goede naam
beklaagden. Deze klachten bleven ook niet altijd zonder succes. In principe
was het mogelijk door een dergelijke klacht een proces als het ware in de
kiem te smoren.
Iets dergelijks is te zien in het begin van
het proces tegen Jannitgen Pots. In oktober 1595 was zij in een proces
verwikkeld, waarvan de afloop ons onbekend is, maar daaraan ging een
tweetal 'valse starts' vooraf. Eind oktober, begin november 1593 werd er
over haar een tiental getuigen gehoord die allen verklaarden dat zij een
slechte naam had, maar die haar verder niet voor concrete schade door
toverij verantwoordelijk stelden. Januari 1594 werd ze zelf ondervraagd,
maar zij schoof alle berichten over haar faam van zich af. Haar man, die
haar als getrouwde vrouw voor het gerecht vertegenwoordigde, moest beloven
haar persoonlijk 'aan recht te leveren', dat wil zeggen dat zij ter
beschikking moest blijven van het gerecht. De kous leek hiermee af. Maar
haar slechte naam en faam was ze niet kwijt. Eind november 1594 diende zij
zelf een klacht in tegen ene Willem Wouters die haar lastigviel en voor
haar deur door de hele straat schreeuwde dat ze kon toveren. Daarop stelde
zij zich 'ter purge'. Dit was een vorm van accusatoire rechtspleging, die
erop neerkwam dat men eenieder die iets tegen zijn/haar persoon in te
brengen had opriep dat voor het gerecht te herhalen en met bewijzen te
staven. Ter purge stellen was een manier om eerherstel te verkrijgen:
wanneer de tegenstanders hun beledigingen (injurie) niet hard konden maken,
was de naam van de beledigde daarmee gezuiverd. In het geval van Jannitgen werden getuigen gehoord, maar kennelijk
werd er niet genoeg tegen haar ingebracht om verder tegen haar te
procederen. Of ze eerherstel gekregen heeft is onbekend, want er is
hierover verder niets opgetekend.
Willempje, de vrouw van Wulpher Jans,
klaagde niet zelf, maar op 'aensegginge van seeckere toverie' werd er
informatie ingewonnen. Hierbij bleek dat men haar had gedwongen Aaltje, de
vrouw van Gerrit Haan, te zegenen, die keelpijn had gekregen sinds ze de
hoed, die zij aan Willempje had uitgeleend zelf weer had opgezet en de band
ervan om haar hals had vastgemaakt. Wulpher Jans stelde zijn vrouw ter
purge en wilde Aaltje en haar man voor het gerecht laten roepen. Er werden
wederzijds borgen gesteld, dat wil zeggen dat voor beide partijen zich
iemand garant stelde dat ze zo nodig weer voor het gerecht zouden
verschijnen. De zaak was hiermee kennelijk gedempt.
Ook kon een beschuldiging van toverij onder
de aandacht van het gerecht komen doordat bij het verhoor van toversters
medeplichtigen genoemd werden. Toen eind oktober 1595 voor de derde keer
een procedure tegen Jannitgen Pots begonnen werd, was dat omdat haar naam
gevallen was in het verhoor van Adriana.
In de meeste gevallen is echter niet
genoteerd hoe of door wie de zaak is aangebracht. Vaak was er sprake van
gedwongen zegenen. Waarschijnlijk ging zoiets met enige commotie gepaard,
die de aandacht van stedelijke ordebewaarders trok. Wel zijn in het Informatieboek de verklaringen genoteerd van lieden bij wie na het aanbrengen
informatie is ingewonnen. Dit is de zogenoemde 'Informatie precedente', het
vooronderzoek dat een rechter mocht instellen als er over een zwaar delict
- wat toverij was - door geloofwaardige lieden een denunciatie was gedaan.
Deze mocht niet uit kwaadwilligheid of nijd gedaan zijn. Dat klinkt erg academisch, en het lukte natuurlijk niet altijd om
onpartijdige getuigen te vinden. Maar het werd wel geprobeerd. In het geval
van Maria Volckens heeft het gerecht zijn best gedaan om eerzame lieden te
vinden als informanten: de schout van Leusden, een arts, een ambtenaar, de
boer waar Maria als melkster werkte. Deze laatste wist zelfs niets van haar
te vertellen dan eer en deugd.
Later werd Maria zelf ondervraagd. Ze
bekende daarbij een verbond met de duivel te hebben gesloten en een reeks
misdaden gepleegd te hebben. Daarbij impliceerde ze haar stiefmoeder
Reijer, h‡‡r moeder Neel Elberts alias Spaens, en een andere dochter van
Neel, Geertgen. Maria was toen dit alles plaatsvond vijftien jaar oud. Van
dwang wordt in de stukken niet gerept, maar er zal waarschijnlijk wel enige
druk op haar uitgeoefend zijn. Wanneer De Damhouder het verhoor onder
tortuur behandelt, geeft hij voor het geval er verschillende mensen van
dezelfde misdaad verdacht worden, de raad met het verhoor van de zwakste te
beginnen. Dat klinkt cynisch, zijn redenering is echter dat deze volgorde
ondervrager en ondervraagden pijn en moeite bespaart. Bij het vooronderzoek werd uitgegaan van de klacht tegen Maria,
maar uit de verklaringen van de informanten was al meteen gebleken dat ook
Reijer een slechte naam had. Een paar indringende vragen in die richting
aan Maria zouden in deze omstandigheden niet onlogisch zijn. Toen Maria van
huis werd opgehaald om een meisje te zegenen, gaf Reijer aan met dit
principe bekend te zijn door een spreekwoord aan te halen: 'daer den tuijn
leechste is, daer sprinckt den hont eerst over' . Maria was het zwakke punt
in het front van de verdachte familie.
Reijer zelf had zich, zodra ze merkte dat
er naar aanleiding van de gedwongen zegening door Maria informatie werd
ingewonnen, in Amersfoort ter purge gesteld. Hoe zij daarna voor het Hof
van Utrecht terecht gekomen is, dat haar (en Neel?) tot de brandstapel veroordeeld heeft, moet het onderzoek naar de
processen voor het Hof ophelderen. Wat Maria betreft: bij een vrijwillige
bekentenis blijft de rechter volgens De Damhouder niets anders te doen dan
het oordeel te vellen. In het geval van Maria was dat iets minder simpel, maar daarop kom
ik later terug.
Wanneer het vooronderzoek de schuld van de
beklaagde zo goed als had aangetoond en alleen diens eigen bekentenis nog
nodig was om het bewijs volledig te maken, schreef het strafrecht het
'criminele proces, criminelijk ingesteld' voor. Daarbij wordt
'extraordinair' en 'bij inquisitie' geprocedeerd . Extraordinair betekent niet dat deze vorm van proces buiten de
normale rechtsvoering om zou gaan. Ordinair en extraordinair waren
oorspronkelijk synoniemen voor een accusatoir respectievelijk ex officio gevoerd proces. Accusatoir wil zeggen dat de partijen,
beschuldiger en beschuldigde, hun zaak voor een rechter uitvechten. Bij een
ex officio gevoerd proces treedt de schout of
een vergelijkbare functionaris als officier van justitie op tegen de
beschuldigde. Tegen het midden van de zestiende eeuw heeft er een
betekenisverschuiving plaatsgevonden. Het accusatoire proces is van regel
uitzondering geworden. De term 'ordinair proces' staat dan voor het ex
officio gevoerde proces waarbij de aangeklaagde de
normale verdedigingsmogelijkheden heeft. Extraordinair is dan de
inquisitoire vorm, een verkorte vorm van proces, minder openbaar en met
minder kansen voor de verdediging. Zo kon men niet via een procureur
procederen. De beklaagde is namelijk zelf voorwerp van onderzoek, en zijn
bekentenis, of volgehouden ontkenning, geven doorslaggevend bewijs van
schuld of onschuld. Ook was er na de eigen confessie geen appel meer
mogelijk op een hoger rechtscollege. Het gaat hier dus niet om een
volstrekt geheim proces waarbij de beklaagde weerloos staat tegenover
zijn/haar rechters, een beeld dat het woord 'inquisitoir' onwillekeurig
oproept.
In zeven van de genoemde zeventien
Amersfoortse gevallen bleef het bij een 'ordinaire' procesvoering. Er werd
informatie ingewonnen, de verdachten werden gehoord, en in het ernstigste
geval, dat van Willempje, de vrouw van Wulpher Jansz., moesten beide
partijen onder borgstelling beloven zo nodig weer te verschijnen. In deze
zeven gevallen was er alleen sprake van een slechte naam en enkele boze
vermoedens, en dat was niet genoeg aanwijzing van schuld om een proces te
beginnen. Drie anderen, Volcken Dircxz, zijn vrouw Reijer (en haar moeder
Neel?), werden nadat er in Amersfoort informatie over hen genomen was,
verder in Utrecht berecht. Na het besluit om de zaak extraordinair voort te
zetten was de eerste stap het gevangen zetten van de verdachte en het
inventariseren van zijn goederen. Degenen met wie het in Amersfoort zover kwam zijn Geertruy Damen,
Margriet Willems en Adriana, Swaen Segers en Jannitgen Pots. Swaen, dochter
van een voor toverij verbrande moeder, werd gevangen gezet nadat uit het
vooronderzoek een aantal bezwarende feiten tegen haar gebleken waren. Na de
executie van haar moeder was ze uitgeweken naar Culemborg, en was daar tot tweemaal toe gedwongen een kind te zegenen. Ze
had, terug in Amersfoort, kinderen appels aangeboden - die hun door
bezorgde moeders waren afgenomen voordat ze er iets van hadden kunnen
krijgen - en ze zou vreemd gereageerd
hebben op het noemen van de naam van God. Bovendien had Adriana haar
als mede-toverse aangewezen. Ze werd verhoord, maar ontkende alles.
Kennelijk vond de Amersfoortse vierschaar de aangedragen vermoedens ook
hier niet zwaar genoeg om verder te procederen en ze werd op borgstelling
vrijgelaten.
Margriet en Adriana werden aanvankelijk
niet vastgezet. Margriet beloofde zich persoonlijk aan recht te leveren, en
dezelfde belofte werd gedaan 'belangende de dochter'. Opmerkelijk is dat
Margriet, terwijl zij een getrouwde vrouw was, de belofte zelf aflegde, en
niet, zoals Jannitgen en Willempje, door haar man vertegenwoordigd werd.
Margriet was waarschijnlijk voor dit huwelijk weduwe. Wellicht had zij de
betrekkelijke zelfstandigheid van een weduwe voor het gerecht behouden. Adriana werd kennelijk vertegenwoordigd. Evenals Maria Volckens
legde Adriana, voordat er van arrestatie en dwang sprake was, een
bekentenis af. Adriana was, net als Maria, ten tijde van haar verhoor
vijftien jaar. Uit het schema van denunciaties en familierelaties is goed
te zien hoe deze procesreeks drijft op de bekentenissen van kinderen. Na
Adriana's bekentenis werden moeder en dochter alsnog gevangen genomen.
De hechtenis was bedoeld om vlucht te
voorkomen. Ook Jannitgen Pots was gehouden zich op een gegeven tijdstip bij
het gerecht te melden, maar zij bleek toen te zijn gevlucht. Ze was bang
gemaakt door mensen die haar aanzeiden dat ze branden zou. Die vlucht was
uiteindelijk in haar nadeel. De volgende dag wist men haar toch te
arresteren en ze werd alsnog vastgezet.
Inventarisatie van goederen is in het geval
van Margriet en Adriana niet genoteerd, wel bij Geertruy Damen en Jannitgen
Pots. Deze inventarissen geven een aardige indruk van de welstand van de
betrokken vrouwen. Geertruy bezat het hoognodige. Uit haar verhoor blijkt
dat ze voor de kost moest bedelen. Jannitgen blijkt welgestelder te zijn.
Zij en haar man bewoonden een eigen huis. Ze hadden een stuk grond en vee,
en in huis wat luxeartikelen. De inventarisatie was een voorzorgsmaatregel:
voorkomen moest worden dat bezittingen aan confiscatie onttrokken werden.
Eenmaal gevangen, werden de 'toversen'
verder verhoord en geconfronteerd met degenen die informatie over hen
gegeven hadden. Omdat het enige volledige bewijs van schuld in dit type
proces slechts geleverd kon worden door de bekentenis van de beklaagde,
werd de tortuur als een geoorloofd hulpmiddel bij de rechtspleging
beschouwd. Ook hier waren beperkende bepalingen, die misbruik en willekeur
moesten voorkomen. Men mocht alleen scherp verhoord worden wanneer er
voldoende aanwijzingen bestonden dat er een zware misdaad gepleegd was en
alleen de confessie nog nodig was om het bewijs volledig te maken. In
Amersfoort zien we dit toegepast. Tot een verhoor onder tortuur kwam het
alleen wanneer men zo goed als bewezen achtte dat de betrokkene zich aan
schadelijk toveren schuldig had gemaakt. In de tortuur zelf moest de
rechter rekening houden met wat het lichaam van de 'pati‘nt' aankon. Het
lichaam mocht niet verminkt worden, er mochten geen suggestieve vragen
gesteld worden en er mocht niet doorgevraagd worden op zaken, die tijdens
het verhoor onder tortuur voor de dag kwamen, als die van te voren niet
tegen de beklaagde ingebracht waren. Verder mocht een beklaagde niet voor een tweede maal gepijnigd
worden, tenzij er nieuwe beschuldigingen tegen hem/haar geuit waren. In de praktijk werd deze bepaling wel omzeild door de tortuur niet
te be‘indigen, maar te schorsen en later te hervatten. Wie zijn mond wist
te houden en bleef ontkennen, kon niet veroordeeld worden. Er zijn gevallen
bekend van van toverij beschuldigden die bleven ontkennen en zo vrij
kwamen.
Een mooi voorbeeld levert het proces tegen
Geertruy Damen. Bij een eerste scherp verhoor gaf zij, tachtig jaar oud,
niets toe. De tortuur werd toen geschorst, en men besloot de waterproef toe
te passen. Zij bleek te blijven drijven 'als een gans'. 's Middags werd de
tortuur voortgezet en daarbij bekende ze wel. We zien hier in de praktijk
een herhaling van de toepassing van tortuur door middel van schorsing. Of
het hier, zoals hierboven gesuggereerd, ook een minder correcte procedure
was, is niet helemaal duidelijk. De uitkomst van de waterproef kon in dit
geval immers beschouwd worden als nieuwe, belastende informatie, die op
zichzelf herhaling rechtvaardigde.
In het geval van Margriet Willems probeerde
men eerst door confrontatie met haar dochter Adriana, die al een bekentenis
had afgelegd waarin zij Margriet ge•mpliceerd had, ook de moeder tot
bekennen te brengen. Margriet ontkende en daarop herriep ook Adriana haar
bekentenis. Het gerecht besloot tot 'scherper examinatie' over te gaan.
Beiden bekenden en ook nu weer vormden de bekentenissen van de dochter de
basis voor de ondervraging van de moeder.
Het proces van Jannitgen Pots lijkt anders
te verlopen. Ook zij werd eerst verhoord, maar opmerkelijk is dat in een
van de vragen melding gemaakt wordt van een 'schriftuyre van replyck by mr.
Daniel van Wede haer advocaet haer overgesonden'. Het feit dat zij een
advocaat had is belangwekkend. Het betekent dat voor toverij geen
uitzondering op de toenmalige rechtspraktijk gemaakt werd. De Damhouder
geeft aan dat in het extraordinair proces een beperkte ruimte was voor
verdediging door een advocaat. Deze mocht formele bezwaren inbrengen,
bijvoorbeeld dat de rechter in dit geval niet competent was (declinatoir),
dat er vormfouten waren gemaakt (dilatoir), dat er een alibi was of dat de
zaak al was bijgelegd (peremptoir). Alleen over de kern van de zaak kon
niemand dan de beklaagde zelf antwoorden.
Welke methode van tortuur werd toegepast
wordt uit de stukken niet duidelijk. Onbekend blijft dus of men zich aan de
voorschriften in De Damhouders Praxis gehouden
heeft. Bekentenissen die onder tortuur verkregen waren moesten naar de eis
van deze vorm van proces 'buyten pyne en banden van ysere' herhaald worden. Dat zien we in de processen van Geertruyen van Margriet en Adriana
gebeuren, in het geval van Geertruy werd de bekentenis zelfs nog aangevuld
met een paar nagekomen confrontaties. Van het proces van Jannitgen Pots,
waarin ook haar beide zoons van achttien en zestien jaar betrokken raakten,
ontbreekt het slot. Er zijn wel gewone verhoren van haar en van haar zoons
opgetekend, maar of er tortuur is toegepast en hoe het proces is afgelopen
is niet meer te achterhalen.
De be‘indiging van de processen was een
formele kwestie waar weinig over te melden valt. Het vonnis was doorgaans
een verzachting van de eis. Geertruy Damen en Margriet Willems, tegen wie
levende verbranding ge‘ist was, werden veroordeeld tot verbranding na
wurging. Adriana werd in het openbaar gegeseld en in de gevangenis gezet om
te zien of ze zich beteren zou.
Ik wil hier nog even terugkomen op het
geval Maria Volckens. Dit heeft een afwijkende vorm ten opzichte van de
overige processen. Het was vermoedelijk het eerste proces wegens toverij in
Amersfoort, want het gerecht blijkt niet goed te weten wat het met een
dergelijke zaak aan moet.
De stedelijke costumen bepalen hoe aan de
rechtspleging op stedelijk niveau vorm gegeven dient te worden. Met name
leggen zij vast wat tot de competentie van wie behoort. De in die tijd
vigerende wetgeving was de Ordonnantie op de administratie van justitie
en politie, de stad verleend door keizer Karel in
1544. Deze ordonnantie schrijft voor dat de acht schepenen met de twee
burgemeesters 'kennisse hebben zullen van alle criminele ende civiele
saecken, vallende bynnen haere bedrijff, uuytgesondert lese majestatis,
ketterije ende rebellions, welcke saecken staen sullen tot kennis se van
Onsen Raide sHoffs van Utrecht' en źberhaupt 'dat in alle zware saecken die
schout nyet doen en sal zonder advies van stadhouder ende raiden Ons Hoffs
provincial'. In geval van toverij moest dus op z'n minst het advies van het Hof
gevraagd worden, en wanneer het beschouwd wordt als vallende onder 'lese
majestatis, ketterije ende rebellions' - en toverij wordt toch veelal
omschreven als laesae majestatis divinae - dan
had het Amersfoortse gerecht helemaal geen bevoegdheid tot het voeren van
een proces wegens toverij. In mei 1591 kwam de zaak van Maria Volckens op
grond van een klacht voor het gerecht. De Amersfoortse schepenbank nam het
op zich deze zaak te behandelen. Echter, Maria woonde op het Hoogland, en
dat ligt buiten Amersfoort. Hadden de Maarschalken van de kwartieren, dat
zijn de officieren voor het platteland, voor 1583 nog de keus,
beschuldigden in criminele zaken of voor de schepenbanken van de steden of
voor de Stadhouder en de Raad van het Hof van Utrecht te brengen, na die
datum was alles gecentraliseerd bij het Hof.
De schepenen gingen echter zelfstandig te
werk. Maria werd verhoord en zij legde een uitvoerige bekentenis af. De
schepenen vroegen daarna het Hof om advies voor de definitieve vorm van het
vonnis. Dit was volgens hen kennelijk de bedoeling van de voornoemde
artikelen van hun Ordonnantie. De leden van de Raad in Utrecht waren het
daar niet mee eens. Zij gaven als hun oordeel in de zaak-Maria dat zij
omwille van haar jeugdige leeftijd uit het land van Utrecht verbannen
diende te worden. Maar, vervolgden zij hun advies, daartoe strekt de
jurisdictie van Amersfoort niet, en wij kunnen de stad daartoe ook niet
autoriseren. Dat moet gevraagd worden aan de Staten. Aangeraden werd Maria
te bevelen Utrecht te verlaten, maar dit mocht niet geschieden 'bij openbaer
sententie'. Op 12 juli werd dit uitgevoerd.
Volcken Dircxz, de vader van Maria, werd
vier jaar later direct in Utrecht voor het Hof gebracht, in aanwezigheid
van de Maarschalk, die in zijn geval kennelijk de nieuwe regeling toepaste. In Amersfoort werd een aantal getuigen over hem gehoord en hun
verklaringen werden in het Informatieboek
genoteerd. De be‘indiging van de zaak van Reijer (en Neel?) voor het Hof
heeft waarschijnlijk ook met deze berisping te maken.
Tegen Amersfoorters werd in het vervolg
'gewoon' geprocedeerd, kennelijk zonder kennisgeving of verzoek om advies
aan het Hof van Utrecht. Dit gebeurde, uitgaande van de Ordonnantie van de stad, waarschijnlijk ten onrechte. Ik heb het vermoeden dat
deze processen voor het Amersfoortse gerecht en onder zijn
verantwoordelijkheid gevoerd mede een protest zijn geweest tegen het steeds
sterker wordende centralisatiestreven van het Hof.
We kunnen concluderen dat wat de vorm
betreft de Amersfoortse 'heksenprocessen' niet verschillen van processen wegens
andere ernstige delicten zoals De Damhouder die beschrijft. Uit de vragen
die gesteld werden blijkt echter dat men wel degelijk op de hoogte was van
de in de toenmalige literatuur vervatte theorie‘n over wat een 'heks' was.
Men vroeg wat voor de beschuldigde de aanleiding was geweest te gaan
toveren, verder naar de duivelsboelschap, maleficia met behulp van materialen door de duivel verschaft etc. Dus toch
de Malleus c.s.? Waar de Amersfoortse vroede vaderen
hun heksentheorie vandaan haalden, is niet na te gaan. Als we de geleerde
Latijnse versie van de Praxis Criminalis van De
Damhouder erop naslaan, zien we dat de verhouding
strafprocesrecht-heksenleer, althans bij hem, enigszins ongemakkelijk is.
De Damhouder behandelt in caput 61 toverij
onder het hoofdje Crimen laesae majestatis divinae, samen met blasfemie, privaricatie, apostasie, heresie en simonie.
Het hoofdstuk is in het Latijn veel en veel langer dan in het
Nederlands/Frans: 143 paragraafjes tegen 15. Het geeft niet alleen een
handleiding voor de praktijk, maar is tegelijk een geleerd overzicht van
wat er over deze zaken te weten valt. Het is een, voor degene die het leest
vanuit het oogpunt van een mogelijke verheldering van de praktijk van het
toverij proces, saaie en wat langdradige behandeling van de diverse soorten
magische praktijken. Er wordt een indeling gemaakt in vier soorten:
sortilegium, divinatie, incantatie en toverij. Hierin worden weer
verschillende typen onderscheiden, en het geheel wordt gekruid met vele
verwijzingen naar het civiel en het canoniek recht en naar gezaghebbende
auteurs. Aan het eind van het hoofdstuk (par 139-143) verandert zijn toon
echter abrupt. Hij zegt dan dat hij nog over een aantal zaken, zoals de rol
van vrouwen en de soorten van demonen, zou kunnen uitweiden, maar
kortheidshalve verwijst hij naar een vijftal boeken. Het zijn: De
sortilegiis, maleficis et poculis venenosis, ac demonum invocatione, atque
eorumdem poenis van Paulus Grillandus; Troilus
Malvetius' Tractatus de sortibus; Martinus van
Arles y Andosylla's Tractatus de superstitionibus; het Tractatus de lamiis et excellentia iuris utriusque van Johannes Franciscus Ponzinibius; de Malleus maleficarum en de quaestiones 5 en 6 uit het Liber VIII quaestionum ad
Maximilianum Cesarem van Johannes Trithemius.
Voorzover deze boeken geraadpleegd konden worden, bleken het theoretische
werken, niet direct bruikbaar voor de juridische praktijk van de
wereldlijke rechter. Van deze auteurs betuigt De Damhouder dat ze zeer
populair zijn: hun autoriteit op dit gebied is zo groot dat die bij allen
voor wet gehouden wordt. Hij voegt daar echter aan toe: 'Hoewel deze
natuurlijk in niets door de wetten gesteund wordt'. De Damhouder besluit
met de opmerking dat dit een materie is voor onderzoekers die het niet,
zoals hijzelf, druk hebben doordat zij een openbaar ambt bekleden.
Het hele hoofdstuk nog eens overziend, wekt
het de indruk in de eerste 138 paragrafen zaken te behandelen die voor de
rechtspraktijk niet ondienstig zijn te weten. Maar de subtielere elementen
van de heksenleer, waarvoor hij naar literatuur verwijst, berusten niet op
de wetten, en hoewel De Damhouder er van harte voor is dat mensen zich in
deze materie verdiepen, kan hij in zijn Praxis
een behandeling ervan als te theoretisch achterwege laten.
Dat deel van hoofdstuk 61 dat meer
specifiek over sortilegium handelt (par 80-138) verwijst regelmatig naar
wetsteksten uit het Corpus Iuris Civilis en het
Corpus Iuris Canonici. Ik kan hier op deze
materie niet uitgebreid ingaan maar wil volstaan met enkele globale
opmerkingen. Uit het Corpus Iuris Civilis wordt
veel geciteerd de ook uitermate toepasselijke plaats C. De Maleficis et
Mathemathicis et ceteris similibus. In de hierin voorkomende bepalingen ligt de nadruk op het aspect
van de aan anderen toegebrachte schade. Lex 4 (Lex
Eorum) geeft zelfs een indeling waarbij de hoogste
straf wordt voorgeschreven voor schadelijk toveren en voor liefdesmagie.
Ge‘xcuseerd worden die vormen
van magie die genezing of bescherming van de oogst tot doel hebben. Van het
canonieke recht is vooral Causa 26 van het Decretum Gratiani gebruikt. Hier is de nadruk een geheel andere. Niet de schade voor
de medemens, maar de verkorting van de eer Gods staat centraal. Het willen kennen
van de toekomst, het kiezen van een gunstig moment voor belangrijke zaken,
het afwenden van het kwaad zijn de christen niet toegestaan. Hij moet weten
dat alles van God komt. Al het andere is afgoderij. Het summum in dezen
zijn degenen die bij de duivel hulp zoeken in plaats van bij hun Schepper.
Deze twee aspecten vlecht De Damhouder in zijn essay over de toverij in
caput 61 door elkaar.
Wanneer we nu terugkeren naar de
Amersfoortse processen, zien we dat in de verhoren van de toversters deze
twee elementen prominent aanwezig zijn. Ten eerste de belediging van de
goddelijke majesteit. Dit viel in deze tijd in de Noordelijke Nederlanden
onder de competentie van de wereldlijke rechters. Het Amersfoortse gerecht
vroeg de toversters naar de manier waarop en de (moeilijke) omstandigheden
waaronder zij zich tot de duivel om hulp gewend hadden, en naar de
verhouding waarin zij sindsdien tot hem stonden. Ten tweede de door toveren
toegebrachte schade. Bij het onderzoek hiernaar ging men - op een voor ons
vreemde manier - rationeel te werk. Wanneer ziekte of dood van mensen of
vee aan het toedoen van de toversters geweten werd, vergewisten de rechters
zich ervan dat zich omstandigheden hadden voorgedaan waarin die schade
toegebracht had kunnen worden, via contact of aangeboden voedsel. Dikwijls
lijkt men ervan uit gegaan te zijn dat het hierbij ging om een soort
vergiftiging. Toen Margriet Willems moest beschrijven wat de duivel haar als
'trou' had gegeven, antwoordde
ze eerst: een ring, en dan: een legpenning - geheel in overeenstemming met
de aard van de verhouding met de duivel, die als een soort huwelijk
beschreven wordt. Maar haar ondervragers waren pas tevreden toen ze zei dat
het rattekruid was, wat ze van haar 'boel' gekregen had. Daarmee kon immers
schade toegebracht worden.
Instemmend met De Damhouder kunnen we de
specifieke 'heksenliteratuur' aan de theoretici overlaten. Voor de
berechting van toverij was deze secundair en geen rechtsbron zoals het
civiel recht. Voor de veroordeling van een gebleken toverster kon men
teruggrijpen op de geciteerde C.
De Maleficis. Elders in de Noordelijke Nederlanden
werd dat omstreeks deze tijd ook gedaan, zoals blijkt uit een tweetal
verwijzingen naar juist deze plaats uit het Corpus Iuris Civilis. Van Buchell heeft in zijn Diarium
waar hij onder 3 oktober 1589 meldt dat in Duitsland de wijnoogst door
toverij vernietigd is in de marge de verwijzing 'L. Multi C. de malej.
et mathemat. ' genoteerd, en bij de verbanning uit
Haarlem, in 1602, van een charlatan die pretendeerde de mensen met magische
middelen te kunnen genezen is de Lex Eorum op
een apart velletje bij de sententie gevoegd. De invloed van de volgens De Damhouder zo populaire
heksenliteratuur is te vinden in een uitbreiding van het begrip schadelijke
toverij ten opzichte van de kale vermelding van deze misdaad in het civiel
recht. De auteurs ervan betogen, met behulp van elementen uit het canoniek
recht, dat voor schadelijke toverij een verbond met de duivel noodzakelijk
is. Deze verbinding dringt door in de rechtspraak. Bij een proces stond
echter altijd de schade centraal en pas wanneer die was aangetoond met
behulp van de getuigenverklaringen werd er in het verhoor naar het
duivelspact gevraagd. Verder zal deze literatuur wellicht de verbreiding
van de angst voor schadelijk toveren vergroot hebben. Maar zij die de
Amersfoortse vierschaar bevolkten - en dat zal wel voor meer
Noordnederlandse steden waar heksenprocessen gehouden zijn gegolden hebben
- waren geen enge demonologen, maar vroede vaderen die recht spraken op
basis van het voor hen geldende (geleerde) recht, en volgens de normen van
dat recht. Zo er al oneigenlijke motieven een rol speelden, dan hebben die
de rechtsgang niet merkbaar be•nvloed.
Bijlage: overzicht van de van toverij beschuldigden,
Amersfoort 1590-1595
Neel Pousen, 27 juni 1590. Zij heeft zich
aan haar buren opgedrongen, ziekte wordt aan haar toegeschreven en men
heeft haar gedwongen te zegenen. Slechte naam ook in Soest. Informatie
genomen.
Maria Voickens, 7 mei - l2 juli 1591.
Klacht over haar en klacht van haar n.a.v. de beschuldiging van ziektoveren
resp. gedwongen zegenen. Woont op het Hoogland. Bekent bij verhoor na
vooronderzoek duivels pact en schadelijk toveren, verbannen.
Reijer Voickens, 12 mei 1591. Slechte naam,
gedenuncieerd door Maria. Woont op het Hoogland. Stelt zich ter purge,
later proces in Utrecht, verbrand.
Neel Elberts, alias Spaens, 19 juni 1591.
Gedenuncieerd door Maria. Heeft wel eens een vrouw gezegend. Gehoord en
tegen Maria geconfronteerd, ontkent. Later proces in Utrecht?
Geertgen, dochter van Neel, 26 juni 1591.
Gehoord in Amersfoort op denunciatie van Maria, ontkent.
Lijsgen, de vrouw van Jacob Gerritsz.
bezembinder, 26 juni 1591. Vermoeden van toverij omdat haar moeder
(Toentgen, de vrouw van Peter Petersz. te Broek) een slechte naam zou
hebben. Kind gezegend. Informatie ingewonnen.
Wichemoet Suers, uit Nijkerk, 20-21 juni
1593. Ziekte van kinderen aan haar geweten en gedwongen geweest te zegenen.
Wil in Amersfoort van een priester een acte vragen, waarmee ze kan aantonen
dat ze niet kan toveren. Informatie genomen.
Geertruy Damen, 25 juni-7juli 1593. Zou
ziekte en dood van mensen en vee veroorzaakt hebben, is gedwongen geweest
te zegenen; heeft afkeer getoond van christelijke symbolen. Proces, bekent
na tortuur duivelspact en schadelijk toveren, verbrand.
Willempje, de vrouw van Wulpher Jans, 14-19
nov. 1593. Woont buiten Amersfoort op het Hamersveld. Is gedwongen geweest
te zegenen bij ziekte van een vrouw, vermoeden van doodtoveren vee. Haar
man klaagt over de gedwongen zegening en stelt haar ter purge, borgstelling
voor haar en haar tegenpartij om zo nodig opnieuw te verschijnen.
Volcken Dircxz. Woont op het Hoogland.
Proces te Utrecht gevoerd, leidde uiteindelijk tot verbranding. 18 april
1595 in Amersfoort over hem enkele informanten gehoord.
Tyman Willems, 28 mei 1595. Laatste die
gezien is met een man die later dood in het land werd aangetroffen, nadat
de man geklaagd had zich niet lekker te voelen en dat hij wel betoverd leek.
Borgstelling, deze al snel opgeheven.
Maria Christiaans, 16 juli 1595. Verdacht
doordat ze een vormfout maakte bij een collectieve zegensessie t.b.v. een
zieke vrouw, werd gedwongen opnieuw te zegenen. Informatie genomen en
gehoord.
Margriet Willems en Adriana, 26 augustus-11
september 1595. Klacht en tegenklacht over ziekmaken resp. gedwongen
zegenen. Ook andere beschuldigingen m.b.t. het ziek- en doodtoveren van
mensen. Margriet placht roddels te vertellen over toverij. Slechte naam.
Bij verhoor na vooronderzoek bekent Adriana eerst, herroept dit echter
weer. Na tortuur bekennen beiden duivelspact en schadelijk toveren, Magriet
verbrand, Adriana gegeseld en opgesloten om te zien of ze zich beteren zou.
Swaen Segers, 28 augustus-6 september 1595.
Zij was n.a.v. de verbranding van haar moeder uitgeweken naar Culemborg,
maar had ook daar een slechte naam. Verdacht van ziekmaken van een kind en
gedwongen geweest te zegenen. Afkeer van christelijke zaken. Informatie
genomen, verhoor onder arrest, op borgstelling vrij.
Jannitgen Pots, 27 oktober 1593-? Toverij
in de familie, 27 oktober 1593-18 januari 1594: informatie genomen t.z.v.
haar slechte naam; 28 november 1594: zij beklaagt zich voor toverster
gescholden te worden en stelt zich ter purge; 14 oktober 1595-?:
beschuldigd van ziekmaken en doodtoveren van mensen en vee, verhinderen van
botermaken, magische diefstal (melketrekster); verdachte activiteiten
m.b.t. genezen. Arrestatie en verhoor, afloop onbekend.
Jacob en Lambert, zonen van Jannitgen, 25
oktober 1595. Eveneens verdacht van magische diefstal, verhoord, afloop
onbekend.
|