jospaans@xs4all.nl

 

 

Home

Publications

 

Toversters voor het gerecht. Enkele opmerkingen naar aanleiding van de Amersfoortse procesreeks 1590-1595*

Jo Spaans

Willem de BlŽcourt en Marijke Gijswijt-Hofstra (red.), Kwade mensen. Toverij in Nederland, (thema-nummer Volkskundig bulletin 12 (1986)), 31-49

Het lezen van processtukken van toverij processen is voor de twintigste eeuwer een bevreemdende ervaring. In alle ernst zien we rechtbanken mensen veroordelen tot een afschuwelijke dood, om zaken die ze niet gedaan kunnen hebben. In het onderzoek naar de achtergronden van dit soort processen is dan ook het vermoeden van boze motieven - vari‘rend van geldzucht tot vrouwenhaat - aan de kant van de rechters niet zeldzaam. In het moderne onderzoek richt de aandacht zich vooral op de sociologische aspecten van toverij: er wordt nagegaan 'wie de heksen waren'. Dat levert een schat aan gegevens op over de beschuldigden en hun buren, en de idee‘n die zij over toverij hadden. In dit artikel zal echter de vraag gesteld worden naar wat er in de geesten van de rechters rondspookte. Was dat begeerte naar persoonlijke verrijking of het op hun plaats houden van de vrouwen, of spraken zij in alle ernst recht? En zo ja, waarop baseerden zij zich dan?

Bij de behandeling van deze vraag zullen we eerst kijken naar de gevolgde procedure in de goed gedocumenteerde Amersfoortse procesreeks. Deze zal vergeleken worden met het geldende strafrecht. Daarna zal ingegaan worden op de verhouding van dit recht tot de heksenleer. In Amersfoort werden in de periode 1590-1595 voor de stedelijke vierschaar over zeventien mensen onderzoeken ingesteld op verdenking van toverij. Deze liepen niet allemaal uit op een proces. Een overzicht hiervan geeft de bijlage bij dit artikel. Het gaat hier om een deel van een grotere reeks, die zich behalve voor het Amersfoortse stadsgerecht voornamelijk afspeelde voor het Hof van Utrecht. De betrokkenen waren deels familie van elkaar, deels waren ze als medeplichtigen genoemd in de verhoren van hun medeslachtoffers.  Van de Amersfoortse gebeurtenissen zijn in het rechterlijk archief van Amersfoort, in het zogeheten Informatieboek[1], uitgebreide verslagen bewaard gebleven. Ze bevatten een schat aan gegevens, zowel over de personen die vervolgd werden voor toverij als over de procedure voor het gerecht. Uitvoerig komen ook de vigerende voorstellingen over magie en tegenmagie aan de orde.

Dit materiaal is voor een deel bewerkt door J.H.P. Kemperink in zijn artikel 'Heksenprocessen te Amersfoort op het einde der 16e eeuw'.[2] Het proces tegen Maria Volckens, waarschijnlijk het eerste in de reeks, wordt hier over het hoofd gezien. Deze Maria werd verbannen, niet verbrand, en waarschijnlijk vond Kemperink het daarom geen 'echt heksenproces'. De minder opzienbarende gevallen waarin over personen informatie werd ingewonnen terzake van toverij, maar waarin het niet tot een veroordeling kwam, liet hij eveneens buiten beschouwing. Ook LŹne Dresen-Coenders besteedde in haar proefschrift aandacht aan de Amersfoortse processen. Zij is evenmin volledig.[3] De bijbehorende Utrechtse processen zijn behandeld door Arend van Buchell, Simon van Leeuwen en J.C. Hoogewerff.[4] J.E. Toussaint Raven bereidt een dissertatie voor over heksenvervolging in Stad en Sticht van Utrecht waarin de hele procesreeks aan de orde zal komen.

Bij het doorlezen van het archiefmateriaal  over de Amersfoortse processen valt op dat de procedure voor het gerecht veel 'nuchterder' is dan op grond van de literatuur over heksenprocessen en van een boek als de Malleus Maleficarum verwacht zou mogen worden. Rechtstreeks gebruik van de Malleus door de vierschaar van het sinds 1580 gereformeerde Amersfoort is ook uitgesloten. Het boek van de twee dominicaner inquisiteurs Jacob Sprenger en Heinrich Institoris (Kramer) verscheen voor het eerst in 1487. Het was bedoeld als een handboek voor inquisiteurs die, zoals zijzelf, te maken kregen met schadelijke toverij. Het geeft een handleiding voor het determineren van de vorm en graad van ketterij waarin de beschuldigde is vervallen en schrijft daarna een kerkelijke straf voor. Voor de vraag waarop een gerecht als het Amersfoortse zich dan wel baseerde bij berechting van toverij geeft het onvolprezen Informatieboek ons geen directe aanwijzingen, maar een vergelijking van de Amersfoortse stukken met het gewone strafprocesrecht is heel verhelderend.[5]

We beschikken over een handboek voor het strafrecht in de Praxis Rerum Criminalium van Joost de Damhouder, voor het eerst verschenen te Leuven in 1554. Het beschrijft de stijl van procederen in de Brabantse en Vlaamse steden en voor het Hof van Mechelen. Het boek is uitgegeven in twee versies: een geleerde, Latijnse uitgave, waarin allerlei rechtsbronnen en gezaghebbende juristen geciteerd worden, en een beknopte versie in het Nederlands en het Frans, die zuiver een handleiding voor de praktijk is. Het boek heeft een grote populariteit genoten tot ver in de zeventiende eeuw.[6]

 Wanneer we de Amersfoortse stukken doornemen, blijkt dat de procedure die daarin gevolgd is nagenoeg overeenkomt met de beschrijving van het crimineel proces bij De Damhouder. Eerst moet de zaak onder de aandacht van de rechter gebracht worden.[7] In de processen tegen Maria Volckens en tegen Margriet Willems en haar dochter Adriana werd er een klacht ingediend door mensen de zich door hen benadeeld voelden. Een aantal dagen later klaagden de beschuldigden zelf bij het gerecht dat men hen voor 'toversen' hield en hen dwong te zegenen. Dit zegenen was een veel voorkomende vorm van anti-magie. Gedwongen worden die uit te oefenen bij ziekte of andere schade betekende dat men voor die schade verantwoordelijk gehouden werd. Het was een aantasting van de goede naam, waarover men zijn/haar beklag kon doen. Het was niet ongebruikelijk dat mensen die op deze manier of door scheldpartijen merkten dat zij door hun omgeving van toverij verdacht werden, zich bij de stedelijke overheden over aantasting van hun goede naam beklaagden. Deze klachten bleven ook niet altijd zonder succes. In principe was het mogelijk door een dergelijke klacht een proces als het ware in de kiem te smoren.

Iets dergelijks is te zien in het begin van het proces tegen Jannitgen Pots. In oktober 1595 was zij in een proces verwikkeld, waarvan de afloop ons onbekend is, maar daaraan ging een tweetal 'valse starts' vooraf. Eind oktober, begin november 1593 werd er over haar een tiental getuigen gehoord die allen verklaarden dat zij een slechte naam had, maar die haar verder niet voor concrete schade door toverij verantwoordelijk stelden. Januari 1594 werd ze zelf ondervraagd, maar zij schoof alle berichten over haar faam van zich af. Haar man, die haar als getrouwde vrouw voor het gerecht vertegenwoordigde, moest beloven haar persoonlijk 'aan recht te leveren', dat wil zeggen dat zij ter beschikking moest blijven van het gerecht. De kous leek hiermee af. Maar haar slechte naam en faam was ze niet kwijt. Eind november 1594 diende zij zelf een klacht in tegen ene Willem Wouters die haar lastigviel en voor haar deur door de hele straat schreeuwde dat ze kon toveren. Daarop stelde zij zich 'ter purge'. Dit was een vorm van accusatoire rechtspleging, die erop neerkwam dat men eenieder die iets tegen zijn/haar persoon in te brengen had opriep dat voor het gerecht te herhalen en met bewijzen te staven. Ter purge stellen was een manier om eerherstel te verkrijgen: wanneer de tegenstanders hun beledigingen (injurie) niet hard konden maken, was de naam van de beledigde daarmee gezuiverd.[8] In het geval van Jannitgen werden getuigen gehoord, maar kennelijk werd er niet genoeg tegen haar ingebracht om verder tegen haar te procederen. Of ze eerherstel gekregen heeft is onbekend, want er is hierover verder niets opgetekend.

Willempje, de vrouw van Wulpher Jans, klaagde niet zelf, maar op 'aensegginge van seeckere toverie' werd er informatie ingewonnen. Hierbij bleek dat men haar had gedwongen Aaltje, de vrouw van Gerrit Haan, te zegenen, die keelpijn had gekregen sinds ze de hoed, die zij aan Willempje had uitgeleend zelf weer had opgezet en de band ervan om haar hals had vastgemaakt. Wulpher Jans stelde zijn vrouw ter purge en wilde Aaltje en haar man voor het gerecht laten roepen. Er werden wederzijds borgen gesteld, dat wil zeggen dat voor beide partijen zich iemand garant stelde dat ze zo nodig weer voor het gerecht zouden verschijnen. De zaak was hiermee kennelijk gedempt.

Ook kon een beschuldiging van toverij onder de aandacht van het gerecht komen doordat bij het verhoor van toversters medeplichtigen genoemd werden. Toen eind oktober 1595 voor de derde keer een procedure tegen Jannitgen Pots begonnen werd, was dat omdat haar naam gevallen was in het verhoor van Adriana.

In de meeste gevallen is echter niet genoteerd hoe of door wie de zaak is aangebracht. Vaak was er sprake van gedwongen zegenen. Waarschijnlijk ging zoiets met enige commotie gepaard, die de aandacht van stedelijke ordebewaarders trok. Wel zijn in het Informatieboek de verklaringen genoteerd van lieden bij wie na het aanbrengen informatie is ingewonnen. Dit is de zogenoemde 'Informatie precedente', het vooronderzoek dat een rechter mocht instellen als er over een zwaar delict - wat toverij was - door geloofwaardige lieden een denunciatie was gedaan. Deze mocht niet uit kwaadwilligheid of nijd gedaan zijn.[9] Dat klinkt erg academisch, en het lukte natuurlijk niet altijd om onpartijdige getuigen te vinden. Maar het werd wel geprobeerd. In het geval van Maria Volckens heeft het gerecht zijn best gedaan om eerzame lieden te vinden als informanten: de schout van Leusden, een arts, een ambtenaar, de boer waar Maria als melkster werkte. Deze laatste wist zelfs niets van haar te vertellen dan eer en deugd.

Later werd Maria zelf ondervraagd. Ze bekende daarbij een verbond met de duivel te hebben gesloten en een reeks misdaden gepleegd te hebben. Daarbij impliceerde ze haar stiefmoeder Reijer, h‡‡r moeder Neel Elberts alias Spaens, en een andere dochter van Neel, Geertgen. Maria was toen dit alles plaatsvond vijftien jaar oud. Van dwang wordt in de stukken niet gerept, maar er zal waarschijnlijk wel enige druk op haar uitgeoefend zijn. Wanneer De Damhouder het verhoor onder tortuur behandelt, geeft hij voor het geval er verschillende mensen van dezelfde misdaad verdacht worden, de raad met het verhoor van de zwakste te beginnen. Dat klinkt cynisch, zijn redenering is echter dat deze volgorde ondervrager en ondervraagden pijn en moeite bespaart.[10] Bij het vooronderzoek werd uitgegaan van de klacht tegen Maria, maar uit de verklaringen van de informanten was al meteen gebleken dat ook Reijer een slechte naam had. Een paar indringende vragen in die richting aan Maria zouden in deze omstandigheden niet onlogisch zijn. Toen Maria van huis werd opgehaald om een meisje te zegenen, gaf Reijer aan met dit principe bekend te zijn door een spreekwoord aan te halen: 'daer den tuijn leechste is, daer sprinckt den hont eerst over' . Maria was het zwakke punt in het front van de verdachte familie.

Reijer zelf had zich, zodra ze merkte dat er naar aanleiding van de gedwongen zegening door Maria informatie werd ingewonnen, in Amersfoort ter purge gesteld. Hoe zij daarna voor het Hof van Utrecht terecht gekomen is, dat haar (en Neel?)[11] tot de brandstapel veroordeeld heeft, moet het onderzoek naar de processen voor het Hof ophelderen. Wat Maria betreft: bij een vrijwillige bekentenis blijft de rechter volgens De Damhouder niets anders te doen dan het oordeel te vellen.[12] In het geval van Maria was dat iets minder simpel, maar daarop kom ik later terug.

Wanneer het vooronderzoek de schuld van de beklaagde zo goed als had aangetoond en alleen diens eigen bekentenis nog nodig was om het bewijs volledig te maken, schreef het strafrecht het 'criminele proces, criminelijk ingesteld' voor. Daarbij wordt 'extraordinair' en 'bij inquisitie' geprocedeerd .[13] Extraordinair betekent niet dat deze vorm van proces buiten de normale rechtsvoering om zou gaan. Ordinair en extraordinair waren oorspronkelijk synoniemen voor een accusatoir respectievelijk ex officio gevoerd proces. Accusatoir wil zeggen dat de partijen, beschuldiger en beschuldigde, hun zaak voor een rechter uitvechten. Bij een ex officio gevoerd proces treedt de schout of een vergelijkbare functionaris als officier van justitie op tegen de beschuldigde. Tegen het midden van de zestiende eeuw heeft er een betekenisverschuiving plaatsgevonden. Het accusatoire proces is van regel uitzondering geworden. De term 'ordinair proces' staat dan voor het ex officio gevoerde proces waarbij de aangeklaagde de normale verdedigingsmogelijkheden heeft. Extraordinair is dan de inquisitoire vorm, een verkorte vorm van proces, minder openbaar en met minder kansen voor de verdediging. Zo kon men niet via een procureur procederen. De beklaagde is namelijk zelf voorwerp van onderzoek, en zijn bekentenis, of volgehouden ontkenning, geven doorslaggevend bewijs van schuld of onschuld. Ook was er na de eigen confessie geen appel meer mogelijk op een hoger rechtscollege. Het gaat hier dus niet om een volstrekt geheim proces waarbij de beklaagde weerloos staat tegenover zijn/haar rechters, een beeld dat het woord 'inquisitoir' onwillekeurig oproept.[14]

In zeven van de genoemde zeventien Amersfoortse gevallen bleef het bij een 'ordinaire' procesvoering. Er werd informatie ingewonnen, de verdachten werden gehoord, en in het ernstigste geval, dat van Willempje, de vrouw van Wulpher Jansz., moesten beide partijen onder borgstelling beloven zo nodig weer te verschijnen. In deze zeven gevallen was er alleen sprake van een slechte naam en enkele boze vermoedens, en dat was niet genoeg aanwijzing van schuld om een proces te beginnen. Drie anderen, Volcken Dircxz, zijn vrouw Reijer (en haar moeder Neel?), werden nadat er in Amersfoort informatie over hen genomen was, verder in Utrecht berecht. Na het besluit om de zaak extraordinair voort te zetten was de eerste stap het gevangen zetten van de verdachte en het inventariseren van zijn goederen.[15] Degenen met wie het in Amersfoort zover kwam zijn Geertruy Damen, Margriet Willems en Adriana, Swaen Segers en Jannitgen Pots. Swaen, dochter van een voor toverij verbrande moeder, werd gevangen gezet nadat uit het vooronderzoek een aantal bezwarende feiten tegen haar gebleken waren. Na de executie van haar moeder was ze uitgeweken naar Culemborg,[16] en was daar tot tweemaal toe gedwongen een kind te zegenen. Ze had, terug in Amersfoort, kinderen appels aangeboden - die hun door bezorgde moeders waren afgenomen voordat ze er iets van hadden kunnen krijgen - en ze zou vreemd gereageerd  hebben op het noemen van de naam van God. Bovendien had Adriana haar als mede-toverse aangewezen. Ze werd verhoord, maar ontkende alles. Kennelijk vond de Amersfoortse vierschaar de aangedragen vermoedens ook hier niet zwaar genoeg om verder te procederen en ze werd op borgstelling vrijgelaten.

Margriet en Adriana werden aanvankelijk niet vastgezet. Margriet beloofde zich persoonlijk aan recht te leveren, en dezelfde belofte werd gedaan 'belangende de dochter'. Opmerkelijk is dat Margriet, terwijl zij een getrouwde vrouw was, de belofte zelf aflegde, en niet, zoals Jannitgen en Willempje, door haar man vertegenwoordigd werd. Margriet was waarschijnlijk voor dit huwelijk weduwe. Wellicht had zij de betrekkelijke zelfstandigheid van een weduwe voor het gerecht behouden.[17] Adriana werd kennelijk vertegenwoordigd. Evenals Maria Volckens legde Adriana, voordat er van arrestatie en dwang sprake was, een bekentenis af. Adriana was, net als Maria, ten tijde van haar verhoor vijftien jaar. Uit het schema van denunciaties en familierelaties is goed te zien hoe deze procesreeks drijft op de bekentenissen van kinderen. Na Adriana's bekentenis werden moeder en dochter alsnog gevangen genomen.

De hechtenis was bedoeld om vlucht te voorkomen. Ook Jannitgen Pots was gehouden zich op een gegeven tijdstip bij het gerecht te melden, maar zij bleek toen te zijn gevlucht. Ze was bang gemaakt door mensen die haar aanzeiden dat ze branden zou. Die vlucht was uiteindelijk in haar nadeel. De volgende dag wist men haar toch te arresteren en ze werd alsnog vastgezet.

Inventarisatie van goederen is in het geval van Margriet en Adriana niet genoteerd, wel bij Geertruy Damen en Jannitgen Pots. Deze inventarissen geven een aardige indruk van de welstand van de betrokken vrouwen. Geertruy bezat het hoognodige. Uit haar verhoor blijkt dat ze voor de kost moest bedelen. Jannitgen blijkt welgestelder te zijn. Zij en haar man bewoonden een eigen huis. Ze hadden een stuk grond en vee, en in huis wat luxeartikelen. De inventarisatie was een voorzorgsmaatregel: voorkomen moest worden dat bezittingen aan confiscatie onttrokken werden.[18]

Eenmaal gevangen, werden de 'toversen' verder verhoord en geconfronteerd met degenen die informatie over hen gegeven hadden. Omdat het enige volledige bewijs van schuld in dit type proces slechts geleverd kon worden door de bekentenis van de beklaagde, werd de tortuur als een geoorloofd hulpmiddel bij de rechtspleging beschouwd. Ook hier waren beperkende bepalingen, die misbruik en willekeur moesten voorkomen. Men mocht alleen scherp verhoord worden wanneer er voldoende aanwijzingen bestonden dat er een zware misdaad gepleegd was en alleen de confessie nog nodig was om het bewijs volledig te maken. In Amersfoort zien we dit toegepast. Tot een verhoor onder tortuur kwam het alleen wanneer men zo goed als bewezen achtte dat de betrokkene zich aan schadelijk toveren schuldig had gemaakt. In de tortuur zelf moest de rechter rekening houden met wat het lichaam van de 'pati‘nt' aankon. Het lichaam mocht niet verminkt worden, er mochten geen suggestieve vragen gesteld worden en er mocht niet doorgevraagd worden op zaken, die tijdens het verhoor onder tortuur voor de dag kwamen, als die van te voren niet tegen de beklaagde ingebracht waren.[19] Verder mocht een beklaagde niet voor een tweede maal gepijnigd worden, tenzij er nieuwe beschuldigingen tegen hem/haar geuit waren.[20] In de praktijk werd deze bepaling wel omzeild door de tortuur niet te be‘indigen, maar te schorsen en later te hervatten. Wie zijn mond wist te houden en bleef ontkennen, kon niet veroordeeld worden. Er zijn gevallen bekend van van toverij beschuldigden die bleven ontkennen en zo vrij kwamen.

Een mooi voorbeeld levert het proces tegen Geertruy Damen. Bij een eerste scherp verhoor gaf zij, tachtig jaar oud, niets toe. De tortuur werd toen geschorst, en men besloot de waterproef toe te passen. Zij bleek te blijven drijven 'als een gans'. 's Middags werd de tortuur voortgezet en daarbij bekende ze wel. We zien hier in de praktijk een herhaling van de toepassing van tortuur door middel van schorsing. Of het hier, zoals hierboven gesuggereerd, ook een minder correcte procedure was, is niet helemaal duidelijk. De uitkomst van de waterproef kon in dit geval immers beschouwd worden als nieuwe, belastende informatie, die op zichzelf herhaling rechtvaardigde. [21]

In het geval van Margriet Willems probeerde men eerst door confrontatie met haar dochter Adriana, die al een bekentenis had afgelegd waarin zij Margriet ge•mpliceerd had, ook de moeder tot bekennen te brengen. Margriet ontkende en daarop herriep ook Adriana haar bekentenis. Het gerecht besloot tot 'scherper examinatie' over te gaan. Beiden bekenden en ook nu weer vormden de bekentenissen van de dochter de basis voor de ondervraging van de moeder.

Het proces van Jannitgen Pots lijkt anders te verlopen. Ook zij werd eerst verhoord, maar opmerkelijk is dat in een van de vragen melding gemaakt wordt van een 'schriftuyre van replyck by mr. Daniel van Wede haer advocaet haer overgesonden'. Het feit dat zij een advocaat had is belangwekkend. Het betekent dat voor toverij geen uitzondering op de toenmalige rechtspraktijk gemaakt werd. De Damhouder geeft aan dat in het extraordinair proces een beperkte ruimte was voor verdediging door een advocaat. Deze mocht formele bezwaren inbrengen, bijvoorbeeld dat de rechter in dit geval niet competent was (declinatoir), dat er vormfouten waren gemaakt (dilatoir), dat er een alibi was of dat de zaak al was bijgelegd (peremptoir). Alleen over de kern van de zaak kon niemand dan de beklaagde zelf antwoorden.[22]

Welke methode van tortuur werd toegepast wordt uit de stukken niet duidelijk. Onbekend blijft dus of men zich aan de voorschriften in De Damhouders Praxis gehouden heeft. Bekentenissen die onder tortuur verkregen waren moesten naar de eis van deze vorm van proces 'buyten pyne en banden van ysere' herhaald worden.[23] Dat zien we in de processen van Geertruyen van Margriet en Adriana gebeuren, in het geval van Geertruy werd de bekentenis zelfs nog aangevuld met een paar nagekomen confrontaties. Van het proces van Jannitgen Pots, waarin ook haar beide zoons van achttien en zestien jaar betrokken raakten, ontbreekt het slot. Er zijn wel gewone verhoren van haar en van haar zoons opgetekend, maar of er tortuur is toegepast en hoe het proces is afgelopen is niet meer te achterhalen.

De be‘indiging van de processen was een formele kwestie waar weinig over te melden valt. Het vonnis was doorgaans een verzachting van de eis. Geertruy Damen en Margriet Willems, tegen wie levende verbranding ge‘ist was, werden veroordeeld tot verbranding na wurging. Adriana werd in het openbaar gegeseld en in de gevangenis gezet om te zien of ze zich beteren zou.

Ik wil hier nog even terugkomen op het geval Maria Volckens. Dit heeft een afwijkende vorm ten opzichte van de overige processen. Het was vermoedelijk het eerste proces wegens toverij in Amersfoort, want het gerecht blijkt niet goed te weten wat het met een dergelijke zaak aan moet.

De stedelijke costumen bepalen hoe aan de rechtspleging op stedelijk niveau vorm gegeven dient te worden. Met name leggen zij vast wat tot de competentie van wie behoort. De in die tijd vigerende wetgeving was de Ordonnantie op de administratie van justitie en politie, de stad verleend door keizer Karel in 1544. Deze ordonnantie schrijft voor dat de acht schepenen met de twee burgemeesters 'kennisse hebben zullen van alle criminele ende civiele saecken, vallende bynnen haere bedrijff, uuytgesondert lese majestatis, ketterije ende rebellions, welcke saecken staen sullen tot kennis se van Onsen Raide sHoffs van Utrecht' en źberhaupt 'dat in alle zware saecken die schout nyet doen en sal zonder advies van stadhouder ende raiden Ons Hoffs provincial'.[24] In geval van toverij moest dus op z'n minst het advies van het Hof gevraagd worden, en wanneer het beschouwd wordt als vallende onder 'lese majestatis, ketterije ende rebellions' - en toverij wordt toch veelal omschreven als laesae majestatis divinae - dan had het Amersfoortse gerecht helemaal geen bevoegdheid tot het voeren van een proces wegens toverij. In mei 1591 kwam de zaak van Maria Volckens op grond van een klacht voor het gerecht. De Amersfoortse schepenbank nam het op zich deze zaak te behandelen. Echter, Maria woonde op het Hoogland, en dat ligt buiten Amersfoort. Hadden de Maarschalken van de kwartieren, dat zijn de officieren voor het platteland, voor 1583 nog de keus, beschuldigden in criminele zaken of voor de schepenbanken van de steden of voor de Stadhouder en de Raad van het Hof van Utrecht te brengen, na die datum was alles gecentraliseerd bij het Hof.[25]

De schepenen gingen echter zelfstandig te werk. Maria werd verhoord en zij legde een uitvoerige bekentenis af. De schepenen vroegen daarna het Hof om advies voor de definitieve vorm van het vonnis. Dit was volgens hen kennelijk de bedoeling van de voornoemde artikelen van hun Ordonnantie. De leden van de Raad in Utrecht waren het daar niet mee eens. Zij gaven als hun oordeel in de zaak-Maria dat zij omwille van haar jeugdige leeftijd uit het land van Utrecht verbannen diende te worden. Maar, vervolgden zij hun advies, daartoe strekt de jurisdictie van Amersfoort niet, en wij kunnen de stad daartoe ook niet autoriseren. Dat moet gevraagd worden aan de Staten. Aangeraden werd Maria te bevelen Utrecht te verlaten, maar dit mocht niet geschieden 'bij openbaer sententie'. Op 12 juli werd dit uitgevoerd.

Volcken Dircxz, de vader van Maria, werd vier jaar later direct in Utrecht voor het Hof gebracht, in aanwezigheid van de Maarschalk, die in zijn geval kennelijk de nieuwe regeling toepaste.[26] In Amersfoort werd een aantal getuigen over hem gehoord en hun verklaringen werden in het Informatieboek genoteerd. De be‘indiging van de zaak van Reijer (en Neel?) voor het Hof heeft waarschijnlijk ook met deze berisping te maken.

Tegen Amersfoorters werd in het vervolg 'gewoon' geprocedeerd, kennelijk zonder kennisgeving of verzoek om advies aan het Hof van Utrecht. Dit gebeurde, uitgaande van de Ordonnantie van de stad, waarschijnlijk ten onrechte. Ik heb het vermoeden dat deze processen voor het Amersfoortse gerecht en onder zijn verantwoordelijkheid gevoerd mede een protest zijn geweest tegen het steeds sterker wordende centralisatiestreven van het Hof.

We kunnen concluderen dat wat de vorm betreft de Amersfoortse 'heksenprocessen' niet verschillen van processen wegens andere ernstige delicten zoals De Damhouder die beschrijft. Uit de vragen die gesteld werden blijkt echter dat men wel degelijk op de hoogte was van de in de toenmalige literatuur vervatte theorie‘n over wat een 'heks' was. Men vroeg wat voor de beschuldigde de aanleiding was geweest te gaan toveren, verder naar de duivelsboelschap, maleficia met behulp van materialen door de duivel verschaft etc. Dus toch de Malleus c.s.? Waar de Amersfoortse vroede vaderen hun heksentheorie vandaan haalden, is niet na te gaan. Als we de geleerde Latijnse versie van de Praxis Criminalis van De Damhouder erop naslaan, zien we dat de verhouding strafprocesrecht-heksenleer, althans bij hem, enigszins ongemakkelijk is.

De Damhouder behandelt in caput 61 toverij onder het hoofdje Crimen laesae majestatis divinae, samen met blasfemie, privaricatie, apostasie, heresie en simonie. Het hoofdstuk is in het Latijn veel en veel langer dan in het Nederlands/Frans: 143 paragraafjes tegen 15. Het geeft niet alleen een handleiding voor de praktijk, maar is tegelijk een geleerd overzicht van wat er over deze zaken te weten valt. Het is een, voor degene die het leest vanuit het oogpunt van een mogelijke verheldering van de praktijk van het toverij proces, saaie en wat langdradige behandeling van de diverse soorten magische praktijken. Er wordt een indeling gemaakt in vier soorten: sortilegium, divinatie, incantatie en toverij. Hierin worden weer verschillende typen onderscheiden, en het geheel wordt gekruid met vele verwijzingen naar het civiel en het canoniek recht en naar gezaghebbende auteurs. Aan het eind van het hoofdstuk (par 139-143) verandert zijn toon echter abrupt. Hij zegt dan dat hij nog over een aantal zaken, zoals de rol van vrouwen en de soorten van demonen, zou kunnen uitweiden, maar kortheidshalve verwijst hij naar een vijftal boeken. Het zijn: De sortilegiis, maleficis et poculis venenosis, ac demonum invocatione, atque eorumdem poenis van Paulus Grillandus; Troilus Malvetius' Tractatus de sortibus; Martinus van Arles y Andosylla's Tractatus de superstitionibus; het Tractatus de lamiis et excellentia  iuris utriusque van Johannes Franciscus Ponzinibius; de Malleus maleficarum en de quaestiones 5 en 6 uit het Liber VIII quaestionum ad Maximilianum Cesarem van Johannes Trithemius. Voorzover deze boeken geraadpleegd konden worden, bleken het theoretische werken, niet direct bruikbaar voor de juridische praktijk van de wereldlijke rechter. Van deze auteurs betuigt De Damhouder dat ze zeer populair zijn: hun autoriteit op dit gebied is zo groot dat die bij allen voor wet gehouden wordt. Hij voegt daar echter aan toe: 'Hoewel deze natuurlijk in niets door de wetten gesteund wordt'. De Damhouder besluit met de opmerking dat dit een materie is voor onderzoekers die het niet, zoals hijzelf, druk hebben doordat zij een openbaar ambt bekleden.

Het hele hoofdstuk nog eens overziend, wekt het de indruk in de eerste 138 paragrafen zaken te behandelen die voor de rechtspraktijk niet ondienstig zijn te weten. Maar de subtielere elementen van de heksenleer, waarvoor hij naar literatuur verwijst, berusten niet op de wetten, en hoewel De Damhouder er van harte voor is dat mensen zich in deze materie verdiepen, kan hij in zijn Praxis een behandeling ervan als te theoretisch achterwege laten.

Dat deel van hoofdstuk 61 dat meer specifiek over sortilegium handelt (par 80-138) verwijst regelmatig naar wetsteksten uit het Corpus Iuris Civilis en het Corpus Iuris Canonici. Ik kan hier op deze materie niet uitgebreid ingaan maar wil volstaan met enkele globale opmerkingen.[27] Uit het Corpus Iuris Civilis wordt veel geciteerd de ook uitermate toepasselijke plaats C. De Maleficis et Mathemathicis et ceteris similibus.[28] In de hierin voorkomende bepalingen ligt de nadruk op het aspect van de aan anderen toegebrachte schade. Lex 4 (Lex Eorum) geeft zelfs een indeling waarbij de hoogste straf wordt voorgeschreven voor schadelijk toveren en voor liefdesmagie. Ge‘xcuseerd  worden die vormen van magie die genezing of bescherming van de oogst tot doel hebben. Van het canonieke recht is vooral Causa 26 van het Decretum Gratiani gebruikt. Hier is de nadruk een geheel andere. Niet de schade voor de medemens, maar de verkorting van de eer Gods staat centraal. Het willen kennen van de toekomst, het kiezen van een gunstig moment voor belangrijke zaken, het afwenden van het kwaad zijn de christen niet toegestaan. Hij moet weten dat alles van God komt. Al het andere is afgoderij. Het summum in dezen zijn degenen die bij de duivel hulp zoeken in plaats van bij hun Schepper. Deze twee aspecten vlecht De Damhouder in zijn essay over de toverij in caput 61 door elkaar.

Wanneer we nu terugkeren naar de Amersfoortse processen, zien we dat in de verhoren van de toversters deze twee elementen prominent aanwezig zijn. Ten eerste de belediging van de goddelijke majesteit. Dit viel in deze tijd in de Noordelijke Nederlanden onder de competentie van de wereldlijke rechters. Het Amersfoortse gerecht vroeg de toversters naar de manier waarop en de (moeilijke) omstandigheden waaronder zij zich tot de duivel om hulp gewend hadden, en naar de verhouding waarin zij sindsdien tot hem stonden. Ten tweede de door toveren toegebrachte schade. Bij het onderzoek hiernaar ging men - op een voor ons vreemde manier - rationeel te werk. Wanneer ziekte of dood van mensen of vee aan het toedoen van de toversters geweten werd, vergewisten de rechters zich ervan dat zich omstandigheden hadden voorgedaan waarin die schade toegebracht had kunnen worden, via contact of aangeboden voedsel. Dikwijls lijkt men ervan uit gegaan te zijn dat het hierbij ging om een soort vergiftiging.[29] Toen Margriet Willems moest beschrijven wat de duivel haar als 'trou' had gegeven,  antwoordde ze eerst: een ring, en dan: een legpenning - geheel in overeenstemming met de aard van de verhouding met de duivel, die als een soort huwelijk beschreven wordt. Maar haar ondervragers waren pas tevreden toen ze zei dat het rattekruid was, wat ze van haar 'boel' gekregen had. Daarmee kon immers schade toegebracht worden.

Instemmend met De Damhouder kunnen we de specifieke 'heksenliteratuur' aan de theoretici overlaten. Voor de berechting van toverij was deze secundair en geen rechtsbron zoals het civiel recht. Voor de veroordeling van een gebleken toverster kon men teruggrijpen op de geciteerde  C. De Maleficis. Elders in de Noordelijke Nederlanden werd dat omstreeks deze tijd ook gedaan, zoals blijkt uit een tweetal verwijzingen naar juist deze plaats uit het Corpus Iuris Civilis. Van Buchell heeft in zijn Diarium waar hij onder 3 oktober 1589 meldt dat in Duitsland de wijnoogst door toverij vernietigd is in de marge de verwijzing 'L. Multi C. de malej. et mathemat. ' genoteerd, en bij de verbanning uit Haarlem, in 1602, van een charlatan die pretendeerde de mensen met magische middelen te kunnen genezen is de Lex Eorum op een apart velletje bij de sententie gevoegd.[30] De invloed van de volgens De Damhouder zo populaire heksenliteratuur is te vinden in een uitbreiding van het begrip schadelijke toverij ten opzichte van de kale vermelding van deze misdaad in het civiel recht. De auteurs ervan betogen, met behulp van elementen uit het canoniek recht, dat voor schadelijke toverij een verbond met de duivel noodzakelijk is. Deze verbinding dringt door in de rechtspraak. Bij een proces stond echter altijd de schade centraal en pas wanneer die was aangetoond met behulp van de getuigenverklaringen werd er in het verhoor naar het duivelspact gevraagd. Verder zal deze literatuur wellicht de verbreiding van de angst voor schadelijk toveren vergroot hebben. Maar zij die de Amersfoortse vierschaar bevolkten - en dat zal wel voor meer Noordnederlandse steden waar heksenprocessen gehouden zijn gegolden hebben - waren geen enge demonologen, maar vroede vaderen die recht spraken op basis van het voor hen geldende (geleerde) recht, en volgens de normen van dat recht. Zo er al oneigenlijke motieven een rol speelden, dan hebben die de rechtsgang niet merkbaar be•nvloed.

 

Bijlage: overzicht van de van toverij beschuldigden, Amersfoort 1590-1595

Neel Pousen, 27 juni 1590. Zij heeft zich aan haar buren opgedrongen, ziekte wordt aan haar toegeschreven en men heeft haar gedwongen te zegenen. Slechte naam ook in Soest. Informatie genomen.

Maria Voickens, 7 mei - l2 juli 1591. Klacht over haar en klacht van haar n.a.v. de beschuldiging van ziektoveren resp. gedwongen zegenen. Woont op het Hoogland. Bekent bij verhoor na vooronderzoek duivels pact en schadelijk toveren, verbannen.

Reijer Voickens, 12 mei 1591. Slechte naam, gedenuncieerd door Maria. Woont op het Hoogland. Stelt zich ter purge, later proces in Utrecht, verbrand.

Neel Elberts, alias Spaens, 19 juni 1591. Gedenuncieerd door Maria. Heeft wel eens een vrouw gezegend. Gehoord en tegen Maria geconfronteerd, ontkent. Later proces in Utrecht?

Geertgen, dochter van Neel, 26 juni 1591. Gehoord in Amersfoort op denunciatie van Maria, ontkent.

Lijsgen, de vrouw van Jacob Gerritsz. bezembinder, 26 juni 1591. Vermoeden van toverij omdat haar moeder (Toentgen, de vrouw van Peter Petersz. te Broek) een slechte naam zou hebben. Kind gezegend. Informatie ingewonnen.

Wichemoet Suers, uit Nijkerk, 20-21 juni 1593. Ziekte van kinderen aan haar geweten en gedwongen geweest te zegenen. Wil in Amersfoort van een priester een acte vragen, waarmee ze kan aantonen dat ze niet kan toveren. Informatie genomen.

Geertruy Damen, 25 juni-7juli 1593. Zou ziekte en dood van mensen en vee veroorzaakt hebben, is gedwongen geweest te zegenen; heeft afkeer getoond van christelijke symbolen. Proces, bekent na tortuur duivelspact en schadelijk toveren, verbrand.

Willempje, de vrouw van Wulpher Jans, 14-19 nov. 1593. Woont buiten Amersfoort op het Hamersveld. Is gedwongen geweest te zegenen bij ziekte van een vrouw, vermoeden van doodtoveren vee. Haar man klaagt over de gedwongen zegening en stelt haar ter purge, borgstelling voor haar en haar tegenpartij om zo nodig opnieuw te verschijnen.

Volcken Dircxz. Woont op het Hoogland. Proces te Utrecht gevoerd, leidde uiteindelijk tot verbranding. 18 april 1595 in Amersfoort over hem enkele informanten gehoord.

Tyman Willems, 28 mei 1595. Laatste die gezien is met een man die later dood in het land werd aangetroffen, nadat de man geklaagd had zich niet lekker te voelen en dat hij wel betoverd leek. Borgstelling, deze al snel opgeheven.

Maria Christiaans, 16 juli 1595. Verdacht doordat ze een vormfout maakte bij een collectieve zegensessie t.b.v. een zieke vrouw, werd gedwongen opnieuw te zegenen. Informatie genomen en gehoord.

Margriet Willems en Adriana, 26 augustus-11 september 1595. Klacht en tegenklacht over ziekmaken resp. gedwongen zegenen. Ook andere beschuldigingen m.b.t. het ziek- en doodtoveren van mensen. Margriet placht roddels te vertellen over toverij. Slechte naam. Bij verhoor na vooronderzoek bekent Adriana eerst, herroept dit echter weer. Na tortuur bekennen beiden duivelspact en schadelijk toveren, Magriet verbrand, Adriana gegeseld en opgesloten om te zien of ze zich beteren zou.

Swaen Segers, 28 augustus-6 september 1595. Zij was n.a.v. de verbranding van haar moeder uitgeweken naar Culemborg, maar had ook daar een slechte naam. Verdacht van ziekmaken van een kind en gedwongen geweest te zegenen. Afkeer van christelijke zaken. Informatie genomen, verhoor onder arrest, op borgstelling vrij.

Jannitgen Pots, 27 oktober 1593-? Toverij in de familie, 27 oktober 1593-18 januari 1594: informatie genomen t.z.v. haar slechte naam; 28 november 1594: zij beklaagt zich voor toverster gescholden te worden en stelt zich ter purge; 14 oktober 1595-?: beschuldigd van ziekmaken en doodtoveren van mensen en vee, verhinderen van botermaken, magische diefstal (melketrekster); verdachte activiteiten m.b.t. genezen. Arrestatie en verhoor, afloop onbekend.

Jacob en Lambert, zonen van Jannitgen, 25 oktober 1595. Eveneens verdacht van magische diefstal, verhoord, afloop onbekend.

 

 

 

 

Printer friendly format (PDF)

Related articles:

Toverijprocessen in Amsterdam en Haarlem, c. 1540-1620

Toverij in Haarlem

 

 

 



*  Dit artikel is een sterk omgewerkte en uitgebreide versie van het derde hoofdstuk van mijn doctoraalscriptie Kerkgeschiedenis aan de Theologische Faculteit RUL: Gehoort op zeeckere toverije. . . Analyse van de schriftelijke neerslag van onderzoeken inzake toverij voor het Amersfoortse gerecht 1590-1595, Leiden 1981.

[1]  RA Utrecht, Oud rechterlijk archief Amersfoort, inv. nr. 407, deel 7 en 8.

[2]  Tijdschrift voor Geschiedenis 70 (1957) 218-230.

[3]  LŹne Dresen-Coenders, Het verbond van heks en duivel, Baarn 1983, 200-230.

[4]  Arend van Buchell, Diarium, uitg. G. Brom en L.A. van Langeraad, Amsterdam 1907, pp. 350-351 (Reijer Volckens), 368, 390 (Volcken Dircxz.), 391 (Rode Cater), 393-394 (Antonis en Cornelis Bulck), 395 (Maria Barten en Hendrikje Volckens), 396 (zoontjes van Volcken D.), 399-400 (Nasleep van de processen tegen het gezin van Volcken D.); Simon van Leeuwen, Batavia Illustrata, Den Haag 1685, pp. 295-306; J.C. Hoogewerff, 'Een heksenproces in de 16e eeuw', Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde 14 (1899) 257-276.

[5]  Nederland had niet zoals b.v. Engeland een specifieke wetgeving voor deze gevallen, cf. A. Macfarlane, Witchcraft in Tudor and Stuart England, London 1971, pp. 14 e.v. De Criminele Ordonnantien en de Ordonnantie op de Stijl etc. van 1570 verwijzen voor toverij naar de inmiddels afgeschafte ketterplakkaten. Cf. art. 60 van de Ordonnantie op de Criminele Justitie, uitg. Klein Plakkaatboek van Nederland, ed. A.S. de BlŽcourt en N. Japikse, Groningen 1915.

[6]  E.I. Strubbe, 'Joos de Damhouder als criminalist', Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 18 (1970) 1-65; R. Dekkers, Bibliotheca Belgica Juridica, Brussel 1951, s.v.

[7]  Praxis Rerum Criminalium (PC) c. 4. De telling van de hoofdstukken is in de Latijnse en de Nederlands/Franse uitgave dezelfde.

[8]  PC c. 45.

[9]  PC c. 4

[10]  PC c. 37

[11]  In een Amersfoortse klooster kroniek (van het Agathaklooster, uitgegeven naar een zeventiende eeuwse kopie door J.H.P. Kemperink in Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 74 (1956/7) 1-155) is sprake van een proces tegen drie vrouwen in 1591, een moeder, een dochter en een dochters dochter. De moeder en de dochter - als het hier om het gezin van Volcken Dircxz. gaat zouden dat Neel en Reijer zijn - zouden zijn ge‘xecuteerd,  de dochtersdochter Maria werd naar Utrecht overgebracht. Kronieken zijn notoir onbetrouwbaar en deze klopt al niet met de gegevens die we wel hebben, maar misschien is Neel evenals Reijer voor het Hof in Utrecht berecht.

[12]  PC c. 34

[13]  PC c. 2, 3

[14]  Voor de verschuivende betekenis ordinair-extraordinair  cf. P. van Heijnsbergen, De pijnbank in de Nederlanden, Groningen 1925, pp. 61-66; over het gebruik van een procureur en appelmogelijkheden PC c. 23 resp. 149; voor strafrecht algemeen: J.H. Drenth, Bijdrage tot de kennis der historische ontwikkeling van het accusatoire tot het inquisitoire strafproces, Amsterdam 1939; L.Th. Maes, Vijf eeuwen stedelijk strafrecht, Antwerpen 1947; M. van de Vrugt, De criminele ordonnanties van 1570. Enkele beschouwingen over de eerste strafrechtscodificatie in de Nederlanden, Zutphen 1978.

[15]  PC c. 12

[16]   Een vroege asielzoekster? Ze komt niet voor in de lijsten van M.F. Gijswijt-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJsselstein van de 16de tot eind 18de eeuw, Z.p. 1984.

[17]  Cf. Gabriele Becker e.a., 'Zum kulturellen Bild und zur realen Situation der Frau im Mittelalter und in der frźhen Neuzeit', in G. Becker, S. Bovenschen, H. Brackert e.a., Aus der Zeit der Verzweiflung. Zur Genese und AktualitŠt des Hexenbildes, Frankfurt a.M. 1977, pp. 41-44.

[18]   PC c.14

[19]  PC c. 35-37

[20]  PC c. 38

[21]  De waterproef is een van de weinige elementen in deze processen die niet met De Damhouder overeenstemmen. Hij noemt de koudwaterproef wel, in de hoofdstukjes over godsoordelen, c. 42-43, die hij afwijst als verzoekingen van God. Hij erkent alleen de canonieke purgatie d.m.v. de eed en de legale purgatie zoals we die ook in Amersfoort tegenkomen (het ter purge stellen), c. 44-45. Er is van Adriana een verzoek opgetekend om 'gedumpelt' te worden, waaraan kennelijk geen gehoor is gegeven.

[22]  PC c. 31

[23]  PC c. 39

[24]  Resp. art. 22 en 13 van de genoemde Ordonnantie, gepubliceerd Utrechts Placaatboek, 111, 1069-1083.

[25]  Hoogewerff, a.w., 258, n. 2.

[26]  Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 295.

[27]  Deze in de literatuur over toverij en heksenprocessen zelden genoemde wetsteksten vormen de basis voor de theoretische reflectie op het verschijnsel toverij, waarvan we de neerslag vinden in de 'heksenleer', en zijn ook verder voor de bestudering van het verschijnsel heksenproces niet onbelangrijk. Ik zal hierop later uitgebreider terugkomen.

[28]  Codex Justinianus VIII, 18.

[29]  De eerste lex in C. De Maleficis etc. gaat uitgerekend over het doden door vergif.

[30]  Van Buchell, Diarium, p. 216, noot. De Lex Multi is de zesde lex in C. De Maleficis etc. en gaat over het verstoren van het klimaat. GA Haarlem, Rechterlijk Archief, inv. nr. 66/2, 14r-15r. Ook in PC c. 73, dat meer specifiek over het doden d.m.v. toverij gaat, wordt naar deze plaats verwezen.